Jongeren sterven op Volendammer dijk

Bloedend en geblakerd door vlammen wankelt een jongen in de nieuwjaarsnacht de Volendammer havendijk af. Hij moet opzij. Een zwarte lijkwagen rijdt voorbij....

Een korte, zeer felle brand in café Het Hemeltje aan de Volendamse Haven, ongeveer een halfuur na de jaarwisseling, heeft het leven gekost aan zeker acht jeugdige cafébezoekers.

Er raakten 184 mensen gewond, van wie negentig ernstig. Zeker vijftien van hen verkeerden gisteravond laat nog in levensgevaar.

Wat is er gebeurd? Ouders van een jongen die in het café was, vertellen dat hun zoon zag dat iemand voor de bar een vuurpijl afstak. De dader kennen zij niet, noch weten zij of hij leeft. De pijl raakte de kersttakken boven de bar, die onmiddellijk vlam vatten. Het vuur verspreidde zich razendsnel over het plafond. De takken vielen brandend neer op de bezoekers.

'Als een raket' greep het vuur om zich heen, vertelt een man die kort na de brand de slachtoffers te hulp schoot. De takken zouden al sinds de sinterklaasviering aan het plafond hebben gehangen en zeer droog zijn geweest.

Bezoekers vertelden hem over de blinde paniek van de jeugd op de cafévloer, de ruiten die in doodsnood werden ingeslagen en de radeloosheid waarmee de sprong naar buiten werd gewaagd. Ook fluisterden zij over het sterven van een jongen buiten op de koude dijk.

Dat op het moment van de brand het licht uitviel, maakte de chaos nog groter, vertelt een meisje. Mensen vielen op de grond. Wie niet kon opstaan, werd onder de voet gelopen.

Dat de brand niet lang duurde, was volgens een politieman die het pand bezocht, te zien aan het interieur. Dat is helemaal zwart, maar de bar heeft zijn vorm behouden.

In de buurt van de rampplaats zijn twee uur na de brand hospitaaltenten opgericht. Lichtgewonden, met alleen armen of benen in verband gewikkeld, worden naar een bus van maatschappij Connexxion gebracht voor transport naar ziekenhuizen. Grote jongens laten zich in de felle lampen van het noodkamp zwijgend naar binnen leiden. In de bus wordt nauwelijks gesproken.

In een ambulance uit Flevoland ligt een jongen met grotendeels ingezwachteld hoofd en een zuurstofmasker op. Met zijn ogen dicht is het net alsof hij slaapt. De ziekenbroeder aan zijn zijde praat door een mobilofoon en de wagen rijdt langzaam weg. Een ambulance uit Haarlem neemt zijn plaats in. Ook ziekenwagens van buiten Noord-Holland hebben zich in de eerste nacht van 2001 naar Volendam gespoed.

Voor zeilmakerij Jan Schokker aan de Haven, schuin tegenover het rampcafé, heeft zich een file gevormd van ambulances. De windwijzer op de gevel staat tegen vier uur 's morgens op windkracht vijf uit het zuidoosten. De temperatuur is één graad boven nul. IJskoude regen waait in het gezicht van een meisje dat, in dunne feestkleding, al een uur op nieuws staat te wachten. Kent ze mensen die vanavond in het café waren? 'Alleen maar.'

In de vroege uren heeft de politie de straten rond het café afgezet met roodwitte linten. In meer dan de helft van de huizen brandt nog licht. De gordijnen staan open, Teletekst staat aan. Politiemensen houden bezorgde bezoekers tegen.

Enkele radeloze ouders proberen de bewaking te passeren. Sommige agenten kennen hen bij naam. Het komt tot een kort handgemeen.

Sommige politiemensen wordt het te veel. Het zien van jonge mensen met zware brandwonden, het grote aantal slachtoffers dat het werk bijna uitzichtloos lijkt te maken, het verdriet van familieleden en vrienden van de slachtoffers. Zij zullen de volgende dag zelf hulp zoeken.

Een politieman: 'Maar zij komen er wel overheen. De echte ramp is natuurlijk voor de nabestaanden.'

Meer over