Jongere generatie maakt babyboomers zenuwachtig

Waanden de babyboomers zich jarenlang onbedreigd in hun comfortabele posities, met de krapte op de arbeidsmarkt, groeit ook de invloed van de jongere generatie....

DE babyboomers hebben voor zichzelf alles goed geregeld en de nieuwe generatie draait voor de kosten op. Als dat geen wraakzucht oplevert.

Dat is een interpretatie van de verhouding tussen de oudste en de jongste lichting van de na-oorlogse generaties. Wat als de jongeren straks niet meer willen betalen voor de AOW? Wat als zij zien dat wat nu vanzelfsprekend is voor hun ouders, voor hen financieel niet meer haalbaar is? Gaan zij ons dan massaal de rug toekeren, net op het moment dat wij ze zo bitter hard nodig hebben voor het voortduwen van onze rolstoelen?

Een zweem van dit sentiment is toch waarneembaar in de meest recente generatie-discussie. De BV Jong roept onze nieuwsgierigheid op, zo blijkt uit de serie in de Volkskrant, een special over de Gouden Generatie in HP/De Tijd en een debat in De Balie. Mijn generatiegenoten beginnen onzeker te worden: 'ze', de jongeren, willen niet zoveel van ons, ze zijn niet eens kwaad op ons, ze zoeken hun eigen weg wel.

Dat was in het begin van de jaren negentig nog wel anders. Toen werd door twintigers en dertigers openlijk gescholden op de babyboomers, die massaal alle mooie plekken op de arbeidsmarkt vasthielden, met de beste rechtspositie en de mooiste vooruitzichten.

In een grootschalige sector als het onderwijs waren nieuwkomers jarenlang aangewezen op invalbanen en tijdelijke contracten, voor soms niet meer dan een paar uur per week. Ze stonden het eerst weer op straat bij ontslagen (last in, first out) en als klap op de vuurpijl werd hun aanvangssalaris drastisch verlaagd.

Nu, acht jaar later, mag een willekeurig schoolhoofd blij zijn als het rooster voor komend jaar weer geheel gevuld is. De burn-out bij oudere leraren gaat gewoon door, de nieuwkomers hebben zich langzamerhand afgewend. In plaats van een verbeten gevecht om de schaarse plaatsen is er nu een overschot aan niet te vervullen vacatures.

Op de universiteit ontbraken jarenlang alle doorstromingsmogelijkheden (als je al binnen was gekomen) naar vaste posities of hogere (hoogleraars-) functies, waar ook op werd gewezen door Wim Groot en Henriëtte Maassen van den Brink in Forum van 25 augustus.

Dat gold voor het onderwijs, de politiek, de wereld van de media. Het gold voor het bedrijfsleven en de culturele sector. De weerzin tegen deze groep verbond verschillende groepen nieuwkomers op de arbeidsmarkt met elkaar: jongeren, vrouwen, allochtonen waren eensgezind in hun afkeer van 'die witte, mannelijke veertigers' (inmiddels vijftig) die het voor het zeggen hadden.

Die weerzin was het grootst in linkse kring. Daar luidde het verwijt, dat zij die ooit de vooroorlogse generatie doelbewust en zonder mededogen van de troon hadden gestoten, zich in een stevig old-boys-network hadden verenigd, ongevoelig voor de inbreng van een nieuwe generatie.

Dat was de toon van het generatiedebat tot enige tijd gelden, culminerend in de mokkende afgang van het duo Booij-Van Bruggen, dat niet werd gekozen tot PvdA-voorzitters.

Inmiddels is jong populairder dan ooit. Jong verhoogt de omzet, jong is een nieuwe markt, maar jong is ook zeer arbeidsproductief. Eén van de meest fascinerende verwijten van de babyboomers aan de twintigers is het feit dat ze niet 'zoals wij vroeger' als dat nodig is een nacht doorhalen, of anderszins alles opzij zetten voor het werk, maar dat ze 's avonds keurig op tijd naar huis willen. Het feit dat het café van perscentrum Nieuwspoort bij de Tweede Kamer tegenwoordig niet meer iedere nacht vol is, is in die gedachtengang een bewijs voor de teloorgang van het gepassioneerde arbeidsethos.

Het is waar dat de strijd om het huiselijk bestaan een grotere rol speelt in het bewustzijn van veel twintigers om mij heen dan ik mij van vroeger kan herinneren. 'Het leven moet strak georganiseerd worden om alles te kunnen doen wat je van plan bent', is hun motto. Dus op tijd naar de sportschool, de geliefde en het huishouden, al dan niet met kinderen. Daar staat tegenover dat hun werktempo hoog is. Een beetje hangen op het werk is er niet bij.

Ze hebben last van stress (iets wat ik nauwelijks kan begrijpen) en zeggen tegelijkertijd dat ze niet van plan zijn hun hele leven in het teken van werk te stellen. Ze vinden het normaal dat ze binnen tien jaar aan de top staan en 'als dat niet hier kan, vertrek ik wel naar elders'. Ze hebben het veel en vaak over marketing en management van het bedrijf waar ze werken, maar nog vaker over hun eigen loopbaan, dus van werkelijke loyaliteit is nauwelijks sprake.

Het is verbluffend en adembenemend voor mijn generatie die groot is geworden met solidariteit, revolutie en baanzekerheid. Vooral omdat ze dat alles zonder conflict wensen te doen. Ze kennen hun marktwaarde. Ze weten dat het een kwestie van tijd is en die tijd is nog kort.

Het is veelzeggend dat niet zij, maar ouderen onderling - uit angst uitgerangeerd te worden - naar elkaar loeren: 'Die? Dat is toch wel geweest? Die is passé!' Ik heb het een jongere nog nooit horen zeggen en mijn generatiegenoten herhaaldelijk.

De strijd om te overleven voltrekt zich rond de waardering door de jeugd. Dat is het generatieconflict van vandaag: de angst van de babyboomers. Collectief uitmondend in de angst voor het antwoord op die ene vraag: willen zij nog betalen voor de regelingen die wij voor onszelf zo goed in elkaar hebben gezet? Volgens mij een ongegronde angst, want ik heb jongeren nooit expliciet horen uitspreken dat zij niet meer wensen te betalen. Daar zijn ze veel te beleefd voor.

Maar wie weet, wraak wordt koud geserveerd.

Meer over