Jongens dromen

Natuurlijk zijn er ook meisjes van in de twintig die door het leven dolen, studies beginnen en die al snel weer opgeven....

tekst Aimée Kiene . fotografie Ivo van der Bent

Arme jongen van in de twintig; richtingloos zwalkt hij door het bestaan. Begint een studie. Wordt barman in zijn stamcafé. Begint een nieuwe studie. Vertrekt een half jaar naar het buitenland om na te denken over wat hij ‘nou echt wil’. Gaat weer studeren. Niks kan zijn aandacht lang vasthouden, nergens gloort een glimp van een eindbestemming. Arme jongen van in de twintig, want intussen wordt hij aan alle kanten ingehaald door zijn vriendin, zijn zus en zijn oud-klasgenotes, die een studie beginnen en afmaken, stagelopen, er nog een masteropleiding achteraan plakken, om uiteindelijk een baan aangeboden te krijgen bij een flitsend bedrijf. De jongen van in de twintig kijkt verbaasd toe. Althans, dat is de aanname waarmee we dit verhaal begonnen: een groot deel van de mannelijke bevolking vindt na de middelbare school maar lastig zijn draai in het leven. Is dat zo? En hoe komt het? Een oproep op de netwerksite Hyves en een mailtje naar collega’s moest leiden naar voorbeelden van de mannelijke, dolende twintiger. En de reacties stroomden al snel binnen: ‘Mijn neefje moet je hebben. Na honderd baantjes, waarie in de helft van de gevallen zelf is vertrokken en bij de andere helft werd ontslagen, en veel onafgemaakte studies, is-ie nu weer aan het studeren. Hartstikke leuke jongen, maar veel moeite met kiezen en doorzetten.’ ‘Ben die en die al lang uit het oog verloren, maar ik zie hem jaarlijks stoned op Lowlands. Ooit speelde ik met hem in een band, toen was-ie een veelbelovend gitarist. Daarna heeft-ie allerlei studies geprobeerd, maar recent is hij in het laatste jaar blijven steken.’ ‘Ja! Mijn neef, inmiddels 25, twee of drie studies afgebroken, chauffeur geweest, nu barman.’ ‘Hij is al jarenlang student. Nog steeds zijn bachelor niet gehaald. Werkt als kok. Als je psychologiseert: van zijn ouders móét hij presteren, maar zijn hart ligt ergens anders, denk ik.’ ‘We hadden een stagiair die diverse studies heeft gedaan, maar nooit iets heeft afgemaakt. Maar misschien weet hij wel wat hij wil, namelijk: lui zijn (dit alleen voor jouw informatie).’

Toegegeven, er zat af en toe een mailtje tussen over die ene jongen die zonder dralen op zijn levensdoel afstevent. Maar over het algemeen ontstond het beeld dat bijna iedereen wel een jongeman kent die nog zoekende is. De twijfelende twintiger bestaat. Ander bewijs daarvoor komt uit het Jaarrapport 2008 van de Landelijke Jeugdmonitor van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Van elke vijf jongeren die voor hun 25ste een diploma op hogeschool en universiteit halen, zijn er drie meisje. ‘Jongens kiezen anders voor een opleiding dan meisjes’, zegt Pim Schippers, sinds 1990 voorzitter van de havo- en vwo-decanen van de Nederlandse Vereniging voor Schooldecanen. ‘Meisjes steken meer energie in het vinden van de juiste studie. En omdat ze hun best hebben gedaan om iets te vinden, laten ze het niet zo snel lopen. Jongens zijn zorgelozer. Als iets niet bevalt, zoeken ze verder. ‘Meisjes zijn er ook beter in zich door het eerste jaar heen te worstelen, met alle verplichte, soms saaie, vakken die daarbij horen. Ze zijn volgzamer, plichtsgetrouwer. Meisjes kunnen beter organiseren en plannen, jongens voelen zich aan hun lot overgelaten op de universiteit, waar het veel op zelfstudie aankomt. ‘Dat is iets van alle tijden’, zegt Schippers, ‘het zit in de aanleg van de mens. Maar voor de huidige generatie geldt het sterker dan ooit: die heeft amper tegenslag gekend. En er zijn zo veel mogelijkheden, zeker voor jongeren uit de hogere sociaal-economische klasse met hoogopgeleide ouders. Hun zonen denken: ik doe wat ik leuk vind, en als het tegenzit, ga ik iets anders doen. Dat is overigens niet altijd uit luiheid, ze stoppen vaak veel energie in van alles en nog wat naast hun studie.’

Funs Seelen (25) uit Utrecht, bijvoorbeeld, koos na het gymnasium voor de kunstacademie, de studie wijsbegeerte en de lerarenopleiding Duits. Geen van die studies maakte hij af. Hij was in de tussentijd barman, deed de techniek in discotheek Tivoli, werkte in de postkamer van Fortis en is gitarist in zijn eigen band. Nu is hij weer barman en hij vindt dat er ‘iets moet veranderen’ in zijn bestaan. Ook Robin van Gelder (22) uit Amsterdam koos al een paar keer verkeerd. Hij noemt zichzelf de ‘expert van het eerste jaar’, na mislukte pogingen bij de studies journalistiek, geschiedenis en bedrijfskunde. In de tussentijd was hij nachtportier, afwasser, huiswerkbegeleider. Van het geld dat hij verdient met het verzorgen van demente ouderen en het schrijven voor een website hoopt hij binnenkort op reis te gaan. Mike Hendriks (21) uit Nieuw-Vennep zocht zijn heil juist niet bij een studie of een opleiding. Hij maakte de havo niet af, stopte met de mbo-opleiding motorvoertuigentechniek en begon een opleiding tot autoverkoper. Aan het eind van zijn stage bij een Toyota-dealer sloeg hij een baan in de showroom af, om parttime overhemden en maatpakken te gaan verkopen. Na een bijbaantje in Italië is hij nu webredacteur. In januari vervolgt hij de zoektocht naar zijn ‘succesformule’, maar hij weet nog niet hoe. Op zoek naar het startpunt van hun zoekende bestaan, wijzen Funs, Mike en Robin naar hun middelbareschooltijd. Ze konden alle drie goed leren, maar zodra er van alles ‘moest’, begon het spaak te lopen. Funs: ‘In de vierde klas ging het moeizamer. Mijn ouders gingen uit elkaar. Ik was niet gemotiveerd. Al die verplichtingen, ik vond het verschrikkelijk.’ Robin: ‘Ik bleef twee keer zitten op het gymnasium. Ik was bezig met andere dingen, eigenlijk met alles wat niet met school te maken had.’ Mike: ‘Ik bleef zitten in 2 havo. Ik zat in de puberteit: school was niks. Ik vond het ook veel te algemeen, al die vakken. In de vierde dacht ik: ik verdoe mijn tijd, ik stop ermee.’

Mike ging van school. Funs en Robin maakten wel hun opleiding af, en niet lang daarna maakten ze alle drie hun eerste, foute studiekeuze. Funs ging naar de kunstacademie (hij was immers creatief en kon goed tekenen), Mike ging motorvoertuigentechniek doen (hij was immers handig en sleutelde al jaren in de werkplaats van zijn vader), Robin ging naar de school voor journalistiek (hij was immers goed in schrijfopdrachten en kwam door de toelating). En drie keer ging het mis. Funs: ‘In het tweede jaar kregen we een eigen atelier, een lokaal op zolder. Daar gingen we vooral veel roken en over kunst praten. Mijn motivatie nam steeds meer af. Dat was mijn eigen schuld; ik wist al dat ik liever muziek wilde maken. Ik was ook niet naar die school gegaan om een diploma te halen, ik wilde weg uit Limburg.’ Mike: ‘Ik heb het nog geen half jaar volgehouden op het mbo in Hoofddorp. We hadden geen leraren, geen les, het was allemaal slecht geregeld. Bovendien: met techniek verdien je maar matig.’ Robin: ‘Ik was twee keer blijven zitten op het gymnasium, toen moest ik van school. Mijn staatsexamen heb ik op eigen houtje gehaald. Wat ik daarna wilde, geen idee, maar ik dacht: nu weer stoppen kan écht niet. Ik wilde meteen doorknallen met journalistiek. Maar ik werd lid van een studentenvereniging en ik miste de eerste weken van de studie. Daarna had ik geen aansluiting, ik liep achter met alles. Ik liet het op z’n beloop, haalde te weinig punten. Toen besloot ik te stoppen.’ Funs deed na de kunstacademie een tweede poging met de studie wijsbegeerte (hij was immers filosofisch ingesteld) en een derde poging met de opleiding voor leraar Duits (hij sprak de taal immers goed door zijn Duitse stiefmoeder). Robin begon na journalistiek aan een studie geschiedenis (hij hield immers van mooie verhalen) en deed daarna nog bedrijfskunde (hij had immers plannen ooit een eigen bedrijf op te zetten). Zonder succes.

Achteraf zegt Funs: ‘Het is toch een maatschappelijke verplichting een opleiding te volgen. Je wilt je ouders tevreden houden en je hebt een diploma nodig om fatsoenlijk werk te vinden. Dat heb ik wel gemerkt; zonder diploma kun je eigenlijk alleen in het café werken. Of je kunt datatypist worden via een uitzendbureau.’ Robin: ‘Nadat de eerste studie was mislukt, wilde ik me revancheren. Ik wilde laten zien dat ik iets kan, de verwachtingen inlossen. Ik had nog geen idee hoe, maar niks doen was geen optie. Geschiedenis ging precies een half jaar goed. Ik kon niet goed tegen de verplichte dingen in het eerste jaar. Ik wilde me bezighouden met de grote verhalen, een werkgroep over hoe je iets moet uitzoeken vond ik een saaie hobbel.’ Mike koos na de voertuigentechniek voor een opleiding tot autoverkoper in Driebergen, maar toen hij tegen het eind van zijn studie een baan kreeg aangeboden als verkoper bij Toyota, waar hij stage had gelopen, bedankte hij. ‘Mijn verkoopaantallen waren goed. Ik dacht: dit kan ik, dit wil ik, hier ben ik goed in. Maar een autoverkoper is toch vooral een gelikte jongen met een goed pak, een groot horloge en vlotte praat. Hij is gemaakt. Hij zit zijn tijd te verdoen in de showroom, pas als de klant komt gaat hij aan de slag. Ik wilde iets anders. Maar wat?’ Hij denkt te weten waar de besluiteloosheid over zijn carrière vandaan komt: ‘Ik hoor van anderen altijd dat ze een vaste baan willen, om desnoods jaren te blijven zitten. Hoe dóén ze dat? Dat is niks voor mij. Ik ben constant op zoek. Ik zoek een succesformule, ik wil ergens in uitblinken en daarmee geld verdienen. Ik probeer bij mijn doel te komen door te netwerken, door ervaring van anderen te gebruiken. Ik heb niet veel vrienden, wel veel zakelijke relaties. Bier drinken en voetbal kijken vind ik zonde van mijn tijd.’

Funs wijt zijn grillige loopbaan aan zijn karakter: ‘Het zit in mij: ik ben een dromerig, chaotisch type. Ik heb moeite discipline op te brengen, zelfs als het om een fijner leven gaat. Ik heb door mijn werk in het café te weinig structuur in mijn leven. Daardoor kan ik minder energie in de muziek steken. Dat zouden mijn ouders gezegd kunnen hebben, maar het is waar. Ik wil proberen binnenkort twintig uur in de week iets voor mezelf te gaan doen. Maakt niet uit wat. Maar ik ga geen overhaaste beslissingen nemen. In mijn hoofd moet het eerst rustig worden; daar is het al zes jaar een chaos. Ik wil van de druk af van wat ik móét.’ Robin: ‘Ik ben niet lui, maar mijn discipline kan wat beter. Gek genoeg maakt de drang om me te bewijzen, de ambitie om iets groots te doen, het moeilijk te verkroppen dat je nou eenmaal ook minder interessante dingen moet doen. Misschien moet ik mezelf niet zo serieus nemen. Ik denk helemaal niet licht over de dingen, dat denken mensen soms, misschien maak ik het juist te zwaar. ‘Ik weet niet wat ik wil, en ik heb besloten eerst eens te accepteren dat ik het niet weet. Ik probeer wat discipline op te doen en als ik genoeg geld heb verdiend, ga ik op reis. Weg uit de sleur. Maar het moment van vertrek heb ik uitgesteld. Ik had eigenlijk begin december weg willen zijn. Mijn zusje van 19 doet dat anders dan ik. Zij wilde reizen. Na de middelbare school heeft ze twee maanden gewerkt en nu is ze inderdaad weg.’

Waar de jongens ziek van worden, zijn de mensen om hen heen met goede raad. ‘Daar word ik kriebelig van’, zegt Funs. ‘Alles wat zij zeggen, heb ik allang zelf bedacht. Hallo, denk ik dan, ik heb het al moeilijk genoeg; ik hoef deze mening er niet bij.’ Mike: ‘Mijn vrienden begrijpen mij vaak niet. Ik spring van de hak op de tak. Zij zijn terughoudender. Sommigen denken dat ik met zo min mogelijk inspanning, zo veel mogelijk wil verdienen. Dat is niet waar. Ik werk hard. Ik loop al jaren een krantenwijk, daarvoor moet ik om vier uur ’s morgens opstaan.’ Als ze over tien jaar bij toverslag in het ideale leven konden belanden, zou Funs Seelen filmmuziek maken of aan het toeren zijn met zijn band. Robin van Gelder is dan ‘zijn talenten aan het benutten’, op een plek waar hij ‘constant iets kan laten zien.’ Hij denkt stiekem aan de filmacademie. Mike Hendriks staat over tien jaar in de Quote 500, niet per se in de lijst, maar dan toch wel met een artikel over het bijzondere product dat hij tegen die tijd verkoopt. Zorgen over de toekomst hebben ze niet. Of, zoals Robin zegt: ‘Ik weet bij elke stap weer beter wat ik níét wil.’

Meer over