Jong en afzijdig

Nederlandse jongeren weten minder goed hoe hun land in elkaar zit dan hun leeftijdgenoten elders. Sander van Walsum vraagt zich af waar de geringe aandrang om aan het democratisch proces deel te nemen vandaan komt.

SANDER VAN WALSUM

Mijn kinderen - ik heb er drie - zijn ook kinderen van hun tijd. Dat stel ik vast als ze aan tafel steeds hun mobieltje binnen handbereik hebben, als ze chillen in plaats van lanterfanten, en als het gespreksonderwerp - zelden door hun toedoen - betrekking heeft op het land en de maatschappij waarin ze leven. Ze blijken enorm gesteld op dit land, ook in vergelijking met Berlijn, hun vorige verblijfplaats. Ze ervaren een grote vrijheid en hebben geen last van het weer. Maar van 's lands staatkundige instituties en van z'n geschiedenis zijn ze slecht op de hoogte. Niet dat ik dagelijks de behoefte voel om het met hen over de premiers vóór Balkenende of over het functioneren van de Raad van State te hebben, maar ik zou het toch prettig vinden als ik op dit vlak een paar dingen bekend mocht veronderstellen.

Maar dat mag ik niet. Ik troost me dan maar met de gedachte dat het verder leuke kinderen zijn en dat de hiaten in hun algemene ontwikkeling niet het gevolg zijn van een algehele onverschilligheid. Maar daarmee kan ik mijzelf toch niet overtuigen. Temeer niet omdat mijn eigen indrukken zo sterk overeenkomen met die van verschillende instanties die hun licht lieten schijnen over de 'burgerschapsvaardigheden' en de kennis van de democratie onder scholieren in verschillende landen. Hierin scoren de Nederlandse kinderen zonder uitzondering slecht.

Levensgeluk

Zo bleek vier jaar geleden uit de International Civic and Citizenship Education Study (ICCS) dat zij veel slechter op de hoogte zijn van het functioneren van de democratische rechtsstaat dan leeftijdgenoten in vrijwel alle andere Europese landen. De aandrang om aan het democratisch proces deel te nemen, bleek hier relatief zwak ontwikkeld. Deze afzijdigheid ging gepaard met een relatief groot vertrouwen in de politiek, maar ook met 'een extreme positie' inzake migratie: Nederlandse kinderen staan veel afwijzender tegenover gelijke rechten voor migranten dan hun leeftijdgenoten elders in Europa.

Waar een geringe verslechtering van de Nederlandse scores bij het taal- en rekenonderwijs de politiek nog tot enige daadkracht stimuleerde, bleef een soortgelijke reactie op het ICCS-rapport uit. Dat zal ongetwijfeld te maken hebben met de geringe tastbaarheid van 'burgerschapskunde' als begrip - 'de bereidheid en het vermogen deel uit te maken van een gemeenschap en daar een actieve bijdrage aan te leveren' - en als onderdeel van het schoolcurriculum: het is geen zelfstandig vak maar op zijn best onderdeel van het vak maatschappijleer.

Maar maatschappijleer wordt alleen in de bovenbouw gegeven en is zelfs hier met het blote oog nauwelijks waarneembaar. Voor veel scholen is het de sluitpost van het onderwijsprogramma, schreef de Nederlandse Vereniging van Leraren Maatschappijleer (NVLM) vorige maand in een brief aan staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs). 'Het aantal lesuren is gehalveerd, het vak wordt gegeven door onbevoegde docenten of het telt maar half mee op de cijferlijst.' Sinds 2006 geldt voor scholen - op voorspraak van het toenmalige Kamerlid Jeroen Dijsselbloem - slechts de 'inspanningsverplichting' om iets aan burgerschapskunde te doen. Een minder vrijblijvende aansporing ligt vooralsnog niet in het verschiet.

Het is verleidelijk om het gemis aan maatschappelijk engagement bij Nederlandse jongeren toe te schrijven aan de stiefmoederlijke bedeling van burgerschapskunde, al dan niet als onderdeel van een ander vak, in het voortgezet onderwijs. Maar ook in landen met jongeren die een sterkere maatschappelijke betrokkenheid aan de dag leggen, zoals Luxemburg, Oostenrijk en (daar heb je ze weer) de Scandinavische landen, neemt burgerschapskunde een marginale positie in.

Een causaal verband tussen het gemis van burgerschapskunde en de 'extreme positie' van Nederlandse scholieren tegenover migranten is evenmin aantoonbaar. Al was het alleen maar omdat hun Zwitserse leeftijdgenoten, die als voorbereiding op de bloeiende referendumdemocratie het vak wél moeten volgen, er in dit opzicht geen andere opvattingen op nahouden.

Misschien is er wél een verband tussen het non-engagement van de Nederlandse scholieren en het feit dat zij hoog scoren in ondervonden levensgeluk. Bemoeienis met de wereld om ons heen wordt tenslotte vaak ingegeven door zorg of onvrede. En daarvan heeft het gemiddelde Nederlandse kind geen last. Het meent zich de luxe van afzijdigheid te kunnen veroorloven, zoals veel meerderjarige burgers niet van hun stemrecht gebruikmaken omdat zij niet de behoefte aan verandering voelen. Toegegeven: erg aansprekend is het allemaal niet. Met afzijdigheid win je geen oorlogen. Als levenshouding is afzijdigheid al gauw inwisselbaar met lafheid. En onder bepaalde omstandigheden kan, zoals Nederland tijdens de Duitse bezetting heeft ervaren, afzijdigheid even verwoestende effecten hebben als een 'fout' engagement. Maar als uitdrukking van tevredenheid is afzijdigheid betrekkelijk ongevaarlijk. Mits ze met mate wordt beleden.

Pinochet

Het tanend engagement viel samen met de ontkerkelijking. En mogelijk hebben die twee ontwikkelingen wel iets met elkaar te maken. Hoewel het geloof niet de enige bron van maatschappelijke betrokkenheid is, kan het - zeker in de verschijningsvorm die hier gebruikelijk is - wel bijdragen aan gemeenschapszin en aan het besef dat de mens een grotere opdracht heeft in het leven dan de bevrediging van zijn eigen behoeften.

Het meeste vrijwilligerswerk vindt z'n origine in de kerken, vooral die van protestantse signatuur. Religiedeskundige Joep de Hart, van het Sociaal en Cultureel Planbureau, mag dan welbewust hebben overdreven toen hij zei 'dat het vrijwilligerswerk vanavond op z'n rug zou liggen als de kerk vanmiddag werd opgedoekt', feit is dat de vrijwilliger, net als de donateur, terughoudender, selectiever en kritischer is dan toen hij nog ongeclausuleerd zijn bijdragen leverde aan de algemene doelen van de wereldkerk.

De ICCS-rapporteurs meenden te zien dat burgers van landen met een dictatoriaal verleden zich meer begaan tonen met de samenleving dan burgers van landen met een gelukkiger geschiedenis, zoals Nederland. Waar Russen en Duitsers frequent werden bezocht door (burger-) oorlogen, revoluties, hongersnoden, gierende inflatie, vervolging en abrupte maatschappelijke veranderingen, nam de gemiddelde Nederlander kennis van het nieuws in de krant of - later - op de radio. Voor de meesten was dat zelfs nog zo tijdens de eerste jaren van de Duitse bezetting. Wie verstoken was van nieuws, of wie zich ervoor afsloot, hoefde het ook niet te zien. Voor het gros van de Russen en de Duitsers (en zij niet alleen) was dat echter niet weggelegd: het nieuws was voor hen niet abstract en kwam niet van verre. Het kon het verschil markeren tussen oorlog en vrede, dictatuur of vrijheid, dood of leven. Zij zijn meer getekend door hun geschiedenis dan wij door de onze.

Onze onverschilligheid kan daardoor echter niet worden verklaard. Ook de geschiedenis van de Noren en de Denen had de laatste eeuwen een betrekkelijk kalm verloop. Hun burgerschapszin is echter beduidend sterker ontwikkeld dan de onze. En afgezien daarvan: dertig, veertig jaar geleden waren Nederlanders, de jongeren in de eerste plaats, bij uitstek geëngageerd. Elke bevrijdingsbeweging ter wereld kon bijna ongezien op onze sympathie rekenen. Nergens werden abjecte regimes zo fel bestreden als bij ons. Nergens liepen zo veel mensen te hoop tegen de oorlog in Vietnam, tegen Pinochet of tegen de executie - aan de wurgpaal - van twee ETA-terroristen in Spanje. Onder scholieren, de verre voorgangers van de afzijdige jongeren van nu, was de politieke gezindheid bepalend voor het zijn of niet zijn van vriendschappen.

Oranje

Ikzelf kan mij nog herinneren dat midden jaren zeventig op schoolfeesten heel zorgelijk over de thema's van dat moment werd gediscussieerd. Dan had je het dus over de dienstplicht, het militair industrieel complex, Franco, het Griekse kolonelsregime, het Portugese lidmaatschap van de NAVO, de apartheid uiteraard en Vietnam. Ulrike Meinhof had geen zelfmoord gepleegd, nee: ze was vermoord. Wie anders beweerde, werd naar het kamp van de reactie verwezen. En daar kwam je in de regel nooit meer uit. De Duitse Bondsrepubliek was een voortzetting van het Derde Rijk met andere middelen. En de Verenigde Staten waren van alles en nog wat, maar in elk geval géén democratie.

In de zomer van 1974 nam ik deel aan een zomerkamp van de NCSV (Nederlandse Christen-Studenten Vereniging), een van origine keurige organisatie die uiteindelijk aan een overspannen engagement ten prooi viel. 's Avonds werden we niet geacht te kijken naar het WK voetbal, 'plat vermaak'. In plaats daarvan luisterden we naar liedjes uit het Cuba van Fidel Castro, woonden we lezingen bij over de naderende dekolonisatie van Suriname en over Noord-Korea, waarvan in het Westen een verkeerd beeld werd geschetst. Dat veranderde pas toen het Nederlands elftal tegen de DDR speelde. Wij, de kampdeelnemers, juichten Oranje toe. De kampleiding was voor de DDR, als representant van de niet-kapitalistische wereld.

Ach, deze voorvallen waren ook toen al enigszins buitenissig. Maar ze kwamen wel voort uit de geest van die tijd. En die was doortrokken van een nogal doctrinair idealisme dat weer zijn eigen tegenspraak heeft opgeroepen. Zo beschouwd is de huidige afzijdigheid niet zo verontrustend en creëert ze misschien wel de voorwaarden voor een terugkeer van het grote, alomvattende engagement. Zo gaat dat met de dialectiek van de geschiedenis (ook zo'n begrip dat ik aan de keukentafel niet ongestraft kan gebruiken). De vraag is echter waarom these en antithese in Nederland zo ver van elkaar verwijderd zijn geraakt.

BASISKENNIS

Wat je zeker moet weten

1 De vier vrijheden van de Amerikaanse president Franklin Delano Roosevelt (1933-1945), afgekondigd op 6 januari 1941, toen de dictaturen het van de democratische rechtsstaat gewonnen leken te hebben: de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van elk persoon om God te aanbidden op zijn eigen manier, vrijwaring van gebrek en vrijwaring van vrees.

2 Het principe van de scheiding der machten en van de ministeriële verantwoordelijkheid, ofwel: de inrichting van het Huis van Thorbecke en de in de Grondwet van 1848 verankerde vrijheden.

3 De betekenis van de verzuiling. De sporen daarvan zijn inmiddels goeddeels uitgewist, zelfs in de publieke omroep, maar zonder begrip van de verzuiling is het Nederland van voor de jaren zestig onbereikbaar ver weg.

4 De achtergrond en betekenis van de Europese Unie. Europa wekt weliswaar weinig geestdrift meer - althans: geen positieve - maar daarmee wordt het als vredesproject en als waardengemeenschap tekort gedaan. De meewarigheid die deze woorden zullen oproepen, is een symptoom van het probleem.

undefined

Meer over