Jeltsin voldoet zelfs niet aan eigen eisen

De Russische malaise wordt niet alleen veroorzaakt door de Sovjet-erfenis en het regeringsbeleid, maar vooral door het karakter van Jeltsin....

MET de steun van de regering-Clinton en het Internationale Monetaire Fonds lijkt de Russische regering de roebel uit de gevarenzone te hebben gehaald - en dat is maar goed ook, omdat gedwongen devaluatie en de daarop volgende inflatie zou hebben kunnen leiden tot een economisch en politiek debacle à la Indonesië. De nieuwe premier, Sergej Kirijenko, heeft zich nuchterder en in het bezit van meer stalen zenuwen betoond dan men van zo'n nieuweling zou verwachten.

Maar de oorzaken die ten grondslag liggen aan Ruslands financiële broosheid en economische zwakte blijven bestaan en vroeg of laat zullen ze ongetwijfeld tot een nieuwe crisis leiden. Nu het moment voor belangrijke beslissingen omtrent de presidentiële verkiezingen van het jaar 2000 nadert, is het tijd om onder ogen te zien dat de oorzaak van de Russische malaise niet alleen gelegen is in de erfenis uit het Sovjet-tijdperk en het beleid van de regering-Jeltsin van de afgelopen jaren, maar moet worden gezocht in het karakter van Jeltsin zelf.

Laten we wel wezen: gezien zijn staat van dienst zou het toch bespottelijk zijn als Jeltsin zich in 2000 kandidaat zou stellen voor het presidentschap - zoals hij uitdrukkelijk van plan is. En als hij zich kandidaat zou stellen, dan zou het Westen de plank flink misslaan als het Jeltsin zou steunen, zoals in 1996, tegen de communisten.

In feite is het verslaan van de communisten het enige dat Jeltsin de afgelopen vijf jaar echt heeft gepresteerd. Als wapenfeiten noteren wij: de bloedige, niet van veel inzicht getuigende oorlog die hij begon in Tsjetsjenië en het feit dat hij het merendeel van de Russische grondstoffen voor een fractie van hun marktwaarde aan de particuliere sector verkwanselde - en daarmee de Russische begrotingscrisis een permanent karakter gaf.

Afgezien van deze twee wapenfeiten valt er geen enkel ander belangrijk regeringssucces te melden. Jaar in jaar uit heeft de regering-Jeltsin - en hebben Westerse waarnemers uit naïviteit of eigenbelang - voorspeld dat de economische groei niet lang meer zou uitblijven. En jaar na jaar kwamen de voorspellingen niet uit.

Jeltsin heeft gefaald in wat hij heeft gedaan en nagelaten. Met de grondwet die hij er in december 1993 doordrukte - in een referendum waarmee vrijwel zeker was geknoeid - verscheen een president op het toneel die veel meer macht had dan de regering, om nog maar niet te spreken van het parlement (Over die andere 'wassen neus', de rechterlijke macht, zullen we het maar niet hebben).

De ministers brengen verslag uit aan de president en aan de premier, en als de president geen sterk en consequent leiderschap laat zien, dat biedt dat vrijwel eindeloze mogelijkheden voor geruzie en duiken voor verantwoordelijkheid. Er is hier sprake van een president die niet alleen regeert, maar ook duidelijk zijn eigen wil oplegt en dat moet ook wel, anders werkt het systeem niet.

Zelfs in goede gezondheid is Jeltsin nooit bereid geweest normaal te regeren. Het begrip 'dagplanning' of 'maandplanning' is hem vreemd. Hij grijpt niet bepaald zachtzinnig is, als zijn autoriteit op het spel staat - zoals bijvoorbeeld toen hij de benoeming van Kirijenko er doordrukte, tegen de wil van het parlement - maar voor het opstellen of steunen van de broodnodige hervormingen heeft hij geen aandacht.

Als Jeltsin een fractie van de energie die hij in de benoeming van Kirijenko heeft gestoken, had besteed aan het aannemen van wetten voor buitenlandse overname van de industrie of privatisering van de landbouw, dan waren die wetten, gezien zijn bevoegdheden, ook aangenomen.

Het lijkt vaak of Jeltsin niet uit is op eenheid en doelmatigheid van de regering, maar de leden van zijn regering juist tegen elkaar op wil zetten om zo zijn eigen positie veilig te stellen. Dat geldt met name voor de manier waarop hij omgaat met de talloze, elkaar vijandig gezinde ordetroepen in zijn land.

Je zou kunnen stellen, en dat is ook wel terecht, dat Jeltsin, gezien de gigantische problemen uit het Sovjet-tijdperk, de diepgewortelde macht van de conservatieve krachten en de welig tierende corruptie, over een titanen-energie had moeten beschikken om echt iets te kunnen veranderen. Per slot van rekening doet Rusland het niet veel slechter dan bijvoorbeeld Oekraïne met zijn veel jongere, veel doortastender president Koetsjma.

Maar de vergelijking met Oekraïne is ook leerzaam, want het laat ons zien waar Jeltsin vooral de fout in is gegaan. Rusland heeft, in tegenstelling tot Oekraïne of de voormalige communistische staten van Midden-Europa, een aantal van de grootste bronnen van exporteerbare grondstoffen ter wereld - olie, gas en mineralen.

In het Sovjet-tijdperk werd de winst uit de delfstoffen gepompt in steun aan allerlei economisch-gehandicapte ideologische bondgenoten van de Sovjet-Unie, overal ter wereld. De winst ging ook naar de financiering van een overdreven zware militaire structuur en naar financiële steun aan de interventie in Afghanistan.

Zelfs na aftrek van de economische chaos die het uiteenvallen van de Sovjet-Unie met zich meebracht, had er bij het wegvallen van genoemde lasten nog genoeg geld in de Russische staatskas aanwezig moeten zijn om te investeren in economische ontwikkeling en om de belastingen op een redelijk niveau te houden.

In plaats daarvan gaf de regering-Jeltsin de zeggenschap over een groot deel van deze bronnen in het laatste kwartaal van 1995 in handen van een handjevol grote bankiers (met uitzondering van de grondstof gas, waarop het semi-geprivatiseerde Gazprom het alleenrecht bleef houden). Bovendien gingen de bronnen voor slechts een fractie van hun marktprijs van de hand. Voor de buitenwereld vond de overdracht plaats op basis van 'leningen in ruil voor aandelen'.

De leningen van deze banken zouden worden gebruikt om de wankele financiën van de Russische staat weer op peil te brengen. Er zijn echter volop aanwijzingen dat deze overeenkomst voornamelijk was bedoeld om bij de bankiers steun te kopen voor Jeltsins herverkiezingscampagne van 1996. Het kostte de Russische staat tientallen miljarden dollars aan inkomsten die door de privatisering uit de staatskas wegvloeiden en aan belastingen van de industrieën zelf, omdat de nieuwe eigenaren die stelselmatig hebben ontdoken. De verantwoordelijkheid ligt geheel bij Jeltsin en bij zijn voormalige privatiseringsminister, Anatoli Tsjoebais.

Het trieste is bovendien dat de staat door de toentertijd hoge olieprijzen een zeer goede prijs had kunnen krijgen voor zijn oliemaatschappijen, zeker als er internationaal op had kunnen worden ingeschreven. Nu heeft Rusland eindelijk besloten een hoge prijs te vragen voor zijn laatste grote bedrijf, Rosneft - maar nu kan het die prijs niet meer krijgen.

De fiscale positie van de Russische staat is zo uitzichtloos dat er in officiële kringen zelfs gesproken wordt over hernationalisering van de oliemaatschappijen in een wanhoopspoging om de inkomsten te vergroten. De maatschappijen zouden dan in een later stadium weer worden verkocht tegen hun werkelijke marktwaarde - al zouden dan de buitenlanders waarschijnlijk weer geen meerderheidsaandeel mogen nemen.

Zo'n manoeuvre zou ongetwijfeld kunnen rekenen op zware kritiek van het Westen, maar de regering-Jeltsin gaat er kennelijk vanuit dat de Westerse vrees voor een Russisch debacle zo sterk is dat het Westen, via het IMF, toch wel steun zal blijven geven.

Het is echter niet de reactie van het Westen waar de regering-Jeltsin zich zorgen over zou moeten maken, maar de reactie van de nieuwe eigenaren zelf. Het valt zeer te betwijfelen of de Russische staat - onder Jeltsin of wie dan ook - op dit moment sterk genoeg is om uitvoering te geven aan een beleid dat op zoveel tegenstand van de nieuwe elites stuit.

Onder Jeltsin is Rusland een zwakke staat geworden, gedomineerd door een kleine groep kapitalisten, die hun geld verdienen met de export van grondstoffen en de winst steken in louche zaakjes of doorsluizen naar Zwitserse bankrekeningen. Het fenomeen vertoont trekken van Zuid-Amerikaanse regimes en is in ieder geval nieuw in Rusland.

De Russische elite wordt ook vaak vergeleken met de Amerikaanse robber barons, de kapitalisten uit de negentiende eeuw die hun kapitaal via uitbuiting vergaarden. Maar die vergelijking gaat mank en zal, denk ik, mank blijven gaan. De Amerikaanse robber barons begonnen hun bedrijf immers zelf en investeerden hun winst in de VS. De nieuwe Russische magnaten hebben de bestaande Sovjet-industrieën simpelweg uitgebuit; ze hebben niets zelf opgestart en investering van winst is voor de meesten van hen een onbekend begrip.

Jeltsin kan in 2000 rekenen op twee sterke tegenstanders: generaal Alexander Lebed en de Moskouse burgemeester Joeri Loezjkov. Op beiden valt wel iets aan te merken, maar dat neemt niet weg dat we hier te maken hebben met twee pragmatici en bovendien kun je van Lebed niet zeggen dat hij een ultra-nationalist is. Per slot van rekening was het Jeltsin die de oorlog in Tsjetsjenië begon en Lebed die hem beëindigde.

Beiden hebben laten zien over verkiezingspotentieel te beschikken, Loezjkov door met een overweldigende meerderheid de Moskouse verkiezingen van 1996 op zijn naam te schrijven. En Lebed door verleden maand de gouverneursverkiezingen in Krasnojarsk te winnen, ondanks een sterke oppositie van de regering-Jeltsin en de communisten. Als de Russische economie niet aantrekt, of nog verder inzakt, dan heeft Jeltsin weinig kans om deze twee, in eerlijke verkiezingen, te verslaan.

Natuurlijk heeft Jeltsin ons al eerder verbaasd door sterk terug te komen uit een schijnbaar hopeloze situatie, en hij zou ons best nog eens kunnen verbazen. Maar in een race tegen Lebed of Loezjkov (of beiden) zou dat waarschijnlijk betekenen dat er geknoeid moet worden met de verkiezingen, zodat Jeltsin bij de herstemming weer tegenover een communist komt te staan. Dat zou Jeltsin gegarandeerd de steun van de Russische elites opleveren en van het Westen, dat alles beter vindt dan het communisme.

Maar zelfs als er kan worden geknoeid - en dat is nog maar de vraag, omdat de onrust gevaarlijke vormen begint aan te nemen - is dat niet alleen een aanfluiting voor de democratie; het zou Rusland veroordelen tot nog eens vier jaar economisch en politiek gezwalk (aangenomen dat Jeltsin zo lang in leven blijft). Vanuit Russische en Westerse optiek is een president Lebed of Loezjkov dan nog altijd te prefereren.

Men kan verschillen van mening over de vraag of de Russische geschiedenis en cultuur een sterke leider voorschrijven. Het is in ieder geval zeker dat het systeem dat Jeltsin heeft gecreërd om een sterke leider vraagt - en dat Jeltsin er niet in is geslaagd aan zijn eigen eisen te voldoen.

Anatol Lieven is redacteur van Strategic Comments, een uitgave van het International Institute for Strategic Studies in Londen. Zijn studie naar het verval van de Russische staat, Chechnya: Tombstone of Russian Power verscheen in mei bij Yale University Press.

The New Republic

Vertaling: José van Zuijlen

Meer over