‘Je vult het niet in voor de schilder’

Bij de restauratie van antieke meesterwerken kan een kleine fout grote gevolgen hebben...

Frederieke van Velzen

Een keurig ogende meneer bezocht in 2006 het Rijksmuseum. Geheel volgens de regels leverde hij zijn tas af bij de garderobe. Maar even later gooide hij plots een chemische vloeistof over het 17de-eeuwse schilderij Schuttersmaaltijd ter viering van de Vrede van Munster van Van der Helst. Daarna stak hij het in brand, waarop de beveiligingsbeambten begonnen te blussen. De chaos was compleet.

‘Die man is helemaal in de war, in Duitsland had hij zoiets al vaker gedaan’, vertelt Manja Zeldenrust (56), hoofd van het restauratieatelier van het Rijksmuseum. Zij boog zich na de verwoesting met een collega over het doek. Eerst haalden ze met een watje het roet van het doek, wat terug is te zien op de site van het Rijksmuseum. ‘Er was schade in de vernislaag en bij een schouder in het blauw was de verf door de hitte gaan bobbelen. Met een oplosmiddel hebben we de vernis er gedeeltelijk afgehaald en bijgewerkt. Daardoor begon hij al veel meer te sprankelen’, aldus Zeldenrust. De restauratie was in dit geval door tijdgebrek een haastige klus. Alles volledig opknappen zou zeker een jaar in beslag nemen en er was nog meer te doen, dus werd het binnen vier maanden ‘mooi gemaakt voor het oog’.

Een gouden regel onder restauratoren: alles wat gerestaureerd wordt, moet weer ongedaan gemaakt kunnen worden. ‘Je gaat het niet voor de schilder zitten invullen’, zegt Zeldenrust. Vijftig of honderd jaar later moeten andere restauratoren er weer mee aan de slag. Met olieverf wordt dus niet gewerkt, want ‘dat is een nachtmerrie en alleen met heel gemene oplosmiddelen te verwijderen’. Tegenwoordig wordt altijd een oplosbare vernislaag over het origineel aangebracht. Wie daarna zou uitschieten met zijn penseel, kan het er weer afhalen.

In 1974 begon Zeldenrust als vrijwilliger bij het Rijksmuseum. Na vijf maanden werd ze technisch assistent, volgde een interne opleiding en liep stage in Duitsland, Zwitserland en Italië. Zo’n vijf jaar later mocht ze zichzelf restaurator noemen. Nu heeft ze de leiding over een groep van twaalf restauratoren, onder wie twee stagiairs. Veel tijd om zelf achter de ezel te zitten heeft ze niet meer. Sinds november 2007 is het nieuwe ateliergebouw geopend, vlakbij het Rijksmuseum. In dit, van binnen steriel wit ogende, complex komen restauratoren, conservatoren, onderzoekers en studenten samen en wordt er veel vergaderd.

Nieuwe medewerkers of stagiairs die oog in oog staan met een schilderij van onschatbare historische en financiële waarde – en die ze voor het eerst mogen aanraken – zijn altijd erg onder de indruk. Zeldenrust heeft dat inmiddels niet meer. Een kwestie van wennen, noemt ze het werken met meesterwerken. Ze zit in haar werkkamer waar drie tijdelijk gestalde schilderijen van Melchior d’Hondecoeter staan, de Nederlandse schilder die zich meer dan drie eeuwen geleden specialiseerde in pluimvee. Eerder hingen zijn werken in Paleis Soestdijk. ‘Je moet weten hoe je ze hanteert’, vertelt ze. ‘Als een schilderij te groot is, til je dat niet in je eentje op. Ga je ermee lopen, dan zorg je dat het pad vrij is en geopende deuren niet voor je neus dichtvallen. Je moet ook weer niet bij alles gaan bedenken wat het kost, want dan durf je er niet meer mee te werken.’

Bij een zeldzame deadline, bijvoorbeeld bij een naderende tentoonstelling, wordt er soms in de weekenden doorgewerkt. ‘Dat moet je niet te vaak doen, want dan groeit de kans op fouten. Je wilt niet uitschieten met je mesje.’

Wereldberoemde schilderijen gingen door haar handen. Zoals De Nachtwacht van Rembrandt, die in 1975 werd beschadigd met een mes en in 1990 met zuur werd bewerkt. Als restaurator moet je je handen én je hoofd gebruiken. Onbesuisd te werk gaan is een risico. Wie niets begrijpt van een schilderij, maakt fouten. Daarom vergaart een restaurator zoveel mogelijk kennis rond een kunstwerk. ‘Ben je er met je hoofd niet bij, dan kun je beter wat documentatiewerk gaan doen’, zegt Zeldenrust. Om de concentratie te waarborgen, richt iedere restaurator zich op één schilderij tegelijk. Dat kunnen werken zijn die door de ‘tand des tijds’ beschadigd zijn; waarvan de vernislaag bijvoorbeeld is vergeeld. Ook wordt er weleens een onderliggende tekening zichtbaar doordat de verflagen met de jaren transparanter worden. ‘Omdat dit niet het idee van de kunstenaar was, stippen we die meestal weg’, aldus Zeldenrust. Ook de lijst of het linnen moet op z’n tijd worden gerepareerd.

Het ‘inkijken’ van een schilderij – waarbij men het materiaalgebruik en de manier van werken van een kunstenaar achterhaalt – kan in sommige gevallen maanden duren. Foto’s maken, research doen. Daardoor doe je kennis op over de manier van werken’, legt Zeldenrust uit. Voor onderzoek is apparatuur aanwezig om aan de hand van röntgen, infrarood of ultraviolet licht onderliggende tekeningen naar boven te halen, door de schilder aangebrachte veranderingen te traceren en oude vernissen en penseelstreken te achterhalen.

Elke restaurator documenteert zijn bevindingen. Soms herhaalt de restaurator de stijl van de schilder zo nauwkeurig mogelijk, maar dat is niet altijd mogelijk. ‘Zoals Rembrandt zijn verf omhoog laat ‘staan’ op Het Joodse Bruidje, dat kunnen wij niet. Dat bootsen we dus op een andere manier na.’

Een restaurator heeft geen honderden potjes verf, maar mengt om tot de juiste kleur te komen. Niet met te veel kleuren tegelijk, want dat kan het verkleuringproces versnellen. Hoe ziet iemand welke kleur hij moet gebruiken? ‘Bij een kleine beschadiging, bijvoorbeeld aan iemands neus, kijk je naar de kleuren die in het gezicht zijn gebruikt. Is het hele gezicht weg, dan kijk je naar vergelijkbare schilderijen van dezelfde meester.’

Een echt ambacht was het restaureren vroeger. Kunstenaars of zelfs zaalwachten werden opgeleid tot het vak. Nu is er de studie ‘Conservering en restauratie van cultureel erfgoed’ aan de Universiteit van Amsterdam. Met deze zevenjarige opleiding mag je het volgens Zeldenrust geen ambacht meer noemen. ‘Het is een pittige studie met veel scheikunde en onderzoek.’

Sommige methoden waar Zeldenrust in haar eerste arbeidsjaren mee werkte, zijn nu ondenkbaar. ‘Om terug te komen op De Nachtwacht: na de vernieling met de messteken in 1975 werd dit werk gedoubleerd. Dat betekent dat er een doek achter het originele linnen is gezet nadat de scheuren waren gehecht. Dat doek werd geïmpregneerd met washars, een mengsel van colofonium (een bepaalde harssoort, red.) en bijenwas.’ De zure was ging in de grond-en verflaag zitten en is er nooit meer uitgegaan. Aan de verkleuringen is de schade terug te zien. ‘Die was werd er altijd opgestreken met warme bouten. Dat werkt net als met kleding: staat een te hete bout te lang op dezelfde plek, dan verbrandt het. Ik ken iemand bij wie de verf zo werd aangetast. Verschrikkelijk. Niet hier, hoor.’

Mensen zeggen Zeldenrust vaak: je moet als restaurator vast veel geduld hebben. ‘Wel tussen negen en vijf, zeg ik dan.’ En wat moet je nog meer hebben? ‘Geen twee linkerhanden. Kleurenblind zijn helpt ook niet echt’, lacht ze. Dan serieus: ‘Je moet heel goed dingen in kaart kunnen brengen: analytisch denken. Verder heb je een achtergrond en interesse in kunstgeschiedenis en natuurwetenschappen nodig. En zonder uithoudingsvermogen red je het niet.’

Meer over