'Je ruikt bloed in mijn humor'

Al jaren wordt hij 'de Engelse Philip Roth' genoemd, maar zelf is hij meer gecharmeerd van de kwalificatie 'de Joodse Jane Austen'. Want Austen schreef mooi, verzorgd Engels en dat probeert hij ook, en bovendien was Austen een scherp satiricus met een goed ontwikkeld gevoel voor humor. En dat is precies wat Howard Jacobson (68) in zijn boeken beoogt. 'Maar dan met een Joodse invalshoek. En met veel meer seks, al weet de aandachtige lezer dat de romans van Jane Austen tussen de regels door wel degelijk zinderende erotiek bevatten.'


Jacobson, sinds zijn bekroning met de Man Booker Prize vorig jaar eindelijk de marge van het Britse literaire bedrijf ontstegen, ziet zichzelf midden in een eeuwenoude Engelse literaire traditie staan. Hij eet, drinkt en ademt Dickens, George Eliot, dr. Johnson en D.H. Lawrence. Toch komt hij bepaald niet uit een literair milieu.


'Mijn moeder las graag maar had geen enkele opleiding, mijn vader was marktkoopman en goochelaar op kinderfeestjes, en heeft zijn hele leven nooit een boek gelezen. Jarenlang stond hij achter in een vrachtwagen mensen toe te spreken en een product aan te prijzen dat hij een paar dagen tevoren goedkoop op de kop had getikt. Swag is de officiële term: indrukwekkend ogende rotzooi.'


Het gezin Jacobson was hele weekends voor vader aan het werk. 'Ik herinner me dat hij een enorme partij goedkope chocolaatjes had gekocht. Dágen zijn wij bezig geweest om ze in kleine zakjes te verpakken zodat ze er duurder uitzagen. Hij verkocht ook koffers. Die waren van karton en vielen uit elkaar als het ging regenen. Toen ik ging studeren, had ik mijn spullen in zo'n ding. Mijn medestudenten vielen om van het lachen: zoiets hadden ze nog nooit gezien.'


Ondanks zijn achtergrond, ontwikkelde Jacobson al snel een grote belangstelling voor boeken. Zijn vader snapte er niets van, maar vond het eigenlijk wel deftig. En toen de jonge Howard het goed bleek te doen op school, stimuleerden zijn ouders hem een universitaire opleiding te volgen.


Jacobson werd toegelaten tot Downing College, Cambridge, waar de beroemdste literatuurwetenschapper van Groot-Brittannië doceerde: F.R. Leavis (1895-1978), de man die decennialang zo'n beetje in zijn eentje de canon van de Engelstalige literatuur bepaalde. Hoewel hij Leavis bewonderde, had Jacobson een moeilijke tijd in Cambridge. De academische wereld werkte verstikkend: hij werd er timide van. Bovendien zette ze hem als schrijver voor jaren op het verkeerde been.


'Nadat ik was afgestudeerd, ging ik lesgeven aan diverse academische instellingen en werkte ik in de avonduren aan een roman. Ik wilde een ernstig boek schrijven, in de stijl van Henry James, een van de auteurs waar Leavis mee wegliep. Het leidde tot een la vol pretentieus proza zonder ziel.'


Pas na vijftien jaar ploeteren, toen hij achterin de dertig was, en al jaren doceerde aan een technische hogeschool in de provincie, gooide Jacobson het roer om. 'Ik dacht: laten we de waarheid onder ogen zien, ik leid geen Henry James-achtig bestaan. Ik geef les in fucking Wolverhampton!'


Van de weeromstuit besloot Jacobson zich aan een satirische campus novel te zetten, waarin de hoofdpersoon net als hijzelf een niet-religieuze Jood was. Dat werd zijn debuutroman Coming From Behind.


'In dat boek komt een scène voor waarin de ik-figuur afstudeert en zijn vader, die goochelaar is, bij de buluitreiking naar voren komt, een toverspreuk uitspreekt en vervolgens een ei tevoorschijn haalt uit het oor van hoogleraar F.R. Leavis. Dat is in werkelijkheid nooit gebeurd, maar achteraf begrijp ik wel dat ik het nodig had om af te rekenen met een bepaalde fase in mijn leven.'


Met Coming From Behind sloot Jacobson eindelijk vrede met zijn jeugdjaren. 'Jarenlang heb ik mij geschaamd voor mijn achtergrond. Ik was jaloers op medestudenten wier vaders schrijver, headmaster of hoogleraar waren. Ik droomde ervan als jongen de studeerkamer van mijn vader te betreden, die dan pijprokend tussen zijn boeken zat en mij gewichtig aansprak als 'My boy' en ik hem als 'Father', in plaats van 'lad' en 'dad'. Pas nadat ik een aantal romans had gepubliceerd en merkte dat mijn Joodse achtergrond daarin telkens terugkwam, begreep ik dat een milieu van sjacherende voddenjoden welbeschouwd een droomjeugd is voor een schrijver met humoristische ambities.'


In de loop der jaren schreef Jacobson ongeveer vijftien romans en non-fictiewerken. Hij kreeg een column in de Independent on Sunday en werd een veelgevraagde talkshowgast. Vooral zijn optredens in discussiepanels over de Booker Prize deden veel stof opwaaien, want weinigen konden zo genadeloos en tegelijk zo grappig een boek afserveren als Jacobson.


Achteraf wil de schrijver wel toegeven dat hij daarbij niet vrij was van een zekere rancune. Want hoewel zijn boeken door de kritiek positief werden ontvangen en hij een behoorlijk lezerspubliek had opgebouwd, was hij zich altijd enigszins miskend blijven voelen. Alleen voor zijn roman The Mighty Walzer had hij twee - relatief onbeduidende - literaire prijzen ontvangen. Een bekroning die echt telde, was hem altijd ontgaan.


Totdat hij vorig jaar, tegen de verwachtingen in, de Man Booker Prize ontving voor The Finkler Question. Het is een boek over drie vrienden, twee van hen Joods, de derde goj. Deze laatste, Julian Treslove, verhuurt zich op feestjes als dubbelganger van beroemdheden. Op een van die feestjes is hij verkleed als Colin Firth die Mr. Darcy uit Pride and Prejudice speelt. Maar hij wordt achtereenvolgens begroet als Brad Pitt, Dustin Hofman en Billy Crystal. Kortom: Treslove is een man zonder identiteit.


Zo lijkt hij het zelf ook te voelen, want het is zijn liefste wens Joods te zijn, en zo deel uit te maken van een herkenbare cultuur en traditie. 'Het viel me op dat steeds meer Joden afstand nemen van hun Joodse achtergrond, vooral uit afkeer van de manier waarop Israël met de Palestijnen omgaat. Bij sommige Joden neemt dat uitgesproken hypocriete vormen aan. Dat is een van de onderwerpen die ik in mijn roman nader wilde onderzoeken en ik vond het zinvol om als tegenwicht een niet-Joods personage op te voeren dat zich juist tot de Joodse identiteit voelt aangetrokken.'


Op dit gegeven bouwde Jacobson een roman die afwisselend hilarisch en grimmig, grotesk en teder is. Boordevol meningen, dikwijls politiek incorrecte, maar zonder boodschap. Het heeft hem opnieuw veel vergelijkingen met Philip Roth opgeleverd.


'Het is vleiend, want ik bewonder Roth zeer, maar het heeft volgens mij toch vooral te maken met het feit dat er in Engeland, anders dan de Verenigde Staten, geen Joods-literaire traditie bestaat. Ik denk dat mijn landgenoten erg hebben moeten wennen aan het type humor in mijn werk. Misschien dat daarom de erkenning pas zo laat is gekomen. In de Engelse literatuur heeft altijd een duidelijke scheidslijn bestaan tussen humoristische en serieuze literatuur. In de Joodse traditie komt de humor juist voort uit het serieuze, uit de tragiek. Je ruikt bloed in een Joodse grap. Zo zou je mijn werk kunnen typeren: op een Joodse manier humor en bloed met elkaar vermengen.'


Howard Jacobson: De Finklerkwestie.


Uit het Engels vertaald door Barbara de Lange.


Prometheus; 383 pagina's; € 19,95.


ISBN 978 90 446 1768 9.


Meer over