Je leert de kunstenaar ook kennen door zijn brieven

Schrijversbrieven zijn vaak teleurstellend, maar Arjan Peters werd gegrepen door die van E. du Perron en Bruno Schulz.

Arjan Peters
null Beeld Lisa Klaverstijn & Marie Wanders
Beeld Lisa Klaverstijn & Marie Wanders

Nooit leer je een schrijver beter kennen dan door het lezen van zijn boeken. Toch is de aankondiging dat er brieven van een bewonderd schrijver openbaar gemaakt worden voldoende om de nieuwsgierigheid te laten winnen van de vrees - voor de teleurstelling, al vaak ondervonden, dat de schrijver in kwestie nog méér dan door de kunst in beslag werd genomen door het alledaagse gehannes met geld en geliefden.

De beste kunstenaarsbrieven bieden glimpen van het genie en verwijzingen naar de grote boeken. Kees Snoek, de biograaf van E. du Perron (1899-1940), stelt een uitgave samen van de brieven tussen de schrijver en zijn vrouw, de vertaalster Elisabeth de Roos (1903-1981). In Cahiers voor een lezer nummer 44 (Du Perron Genootschap; euro 10,-) wordt een aantal brieven voorgepubliceerd. In 1932, een paar jaar voordat Du Perron zijn meesterwerk Het land van herkomst schrijft, bericht hij aan zijn Bep: 'Ik wou dat wij dat idee van 'de mensch blijft tòch alleen staan', dat ikzelf zoo dikwijls met zooveel Schadenfreude heb uitgespeeld, konden opruimen, compleet; tot wij werkelijk par force majeure gescheiden worden, dus alléén door den dood. Nu ik jou heb, is het net of iedereen een deel van zijn belang voor mij verloren heeft, of werkelijk het heele leven is samengetrokken, gelocaliseerd, in jou-en-mij.'

Zijn geestdrift spat ook na 85 jaar nog van de pagina's. Uit dezelfde jaren dertig komen de brieven van Bruno Schulz (1892-1942), de Poolse leraar handvaardigheid en meesterschrijver die in De kaneelwinkels (1934) zijn jeugd in het Galicische provinciestadje Drohobycz op bedwelmende wijze terugriep, en waaruit nu de keuze Brieven in Nederlandse vertaling is verschenen (Pegasus/Stichting Slavische Literatuur; euro 16,50). Schulz werkte vanuit een isolement, en schreef dan ook nog eens over de beelden uit zijn kinderjaren. Aan een criticus die hem niet begreep, liet hij in 1936 weten: 'Indien het mogelijk zou zijn de ontwikkeling terug te zetten, nogmaals via een of andere omweg de kindertijd te bereiken en nog eenmaal de volheid en mateloosheid ervan te kunnen bezitten - dan zou dat de verwerkelijking van 'het geniale tijdperk' zijn, van de 'messiaanse tijd', welke ons in alle mythologieën wordt beloofd en bezworen. Dat zou pas echte volwassenheid zijn.'

In zijn werk schiep Schulz zijn eigen mythes. Zijn kapitaal, de toegang tot de jeugd die hij met woorden verkreeg, bezegelde ook zijn lot als eenzame ziel.

Meer over