'Jan was bekend, hij' wás iemand'

Michèle Elburg-Gaarkeuken (61) beheert de nalatenschap van haar overleden man, de dichter en beeldend kunstenaar Jan Elburg. 'Jan was eerst mijn echtgenoot, nu is hij mijn werk.'..

'Ik ontmoette Jan voor het eerst bij mijn zusje. Ze waren buren in de Ottho Heldring straat in Amsterdam-Slotervaart, zorgden weleens voor elkaars poezen en nodigden elkaar uit bij verjaardagen. In die tijd was hij nog getrouwd met Freddie Rutgers, ''de muze van de Vijftigers'', die eerder de vrouw was geweest van Remco Campert en Gerrit Kou wenaar. Maar hun liefde bleek niet bestand tegen het dagelijks met elkaar leven.

Toen we trouwden, was Jan 44 en ik 24. Onze werelden waren nogal gescheiden. Jan gaf les aan het Instituut voor Kunst nijverheids Onderwijs - de voorloper van de Rietveld academie - deed reclamewerk en schreef gedichten. Ik ben altijd blijven werken, eerst in de zaak van mijn ouders en daarna als artsenbezoeker, secretaresse en corrector. We kregen al snel twee kinderen, en ik had gewoon geen tijd om me in zijn kunst te verdiepen. En zijn poëzie vond ik moeilijk te begrijpen. Jan legde weleens wat uit, maar pas als het gedrukt was. Tijdens het ontstaansproces mocht ik me er niet mee bemoeien. Freddie deed dat wel en dat had hij heel vervelend gevonden.

Ik heb een boeiend leven gehad met Jan, en ik heb veel van hem geleerd, dingen waarmee ik anders misschien nooit kennis had gemaakt. Maar het was geen makkelijk leven. Jan was bekend, hij w s iemand. In het begin keek ik daar erg tegenop, ik vond het machtig interessant, het Boekenbal en De Kring, maar later had ik er weleens last van altijd in zijn schaduw te staan. Dan dacht ik: ''Verdorie, ik kan ook wat.'' En Jan was geen makkelijk mens. Hij was erudiet, wist heel veel en kon goed vertellen en je dingen uitleggen, maar hij was tegelijk streng en veeleisend, voor zichzelf en voor zijn omgeving. Ik tekende altijd graag maar sinds ik met Jan was, heb ik nooit meer een lijn op papier durven zetten en geen regel tekst durven schrijven, bang voor kritiek. Bepaalde kanten van mij zijn niet tot hun recht gekomen. Zelfs foto's maken durfde ik niet, want dan zei hij: ''Nee, je moet 'm vanuit die hoek nemen.'' En moet je nu zien, ik schiet hele fotoalbums vol.

Hij was op alle gebieden veeleisend. Zo wou hij elke avond drie gangen eten, en de tafel moest altijd keurig netjes gedekt worden, zelfs als we met zijn tweeën waren. Alles moest volgens de regels.

Vanaf zijn 55ste begon hij te kwakkelen met zijn gezondheid en tien jaar later was hij echt een oude man. Zijn geest bleef heel levendig, hij was altijd aan het praten en had gekke gedachtenkronkels, maar lichamelijk was hij oud. Dat is moeilijk als je zelf nog jong bent. Als we wandelden, liepen we in zijn bedaarde tempo.

De laatste jaren van zijn leven kwam ook zijn oorlogssyndroom boven. In de dagen voor de capitulatie had hij gevochten aan de IJssel en mensen gedood. En toen hij in het verzet zat, was hij een keer na spertijd aangehouden door een jongen van de Hitler jugend, daarbij was het zijn leven of dat van die jongen. Hij heeft hem doodgetrapt. Dit soort ervaringen had hij weggestopt.

Jan kreeg non-Hodgkin leukemie, waarmee hij dankzij de medicijnen redelijk kon leven, maar later kreeg hij ook last van zijn hart. Het laatste jaar heeft hij gordelroos gehad en dat was heel pijnlijk. Dichten - iets maken uit het niets - ging niet meer, maar hij heeft wel nog een reeks schitterende collages gemaakt. Hij stierf negen jaar geleden, op zijn 72ste.

Dat hij er niet meer was, voelde als een gemis, een leegte, een enorme saaiheid, maar het was tegelijkertijd een bevrijding. Iemand die ziek is en pijn lijdt, legt een ontzaglijke druk op je. Als ik thuiskwam, moest ik voor ik naar hem toeging even diep ademhalen. Want als ik vroeg hoe het ging, was het: ''Nou ja, wat denk je? Pijn.'' Dat is niet vrolijk.

Hij was ook een beetje achterdochtig. Als ik met iemand correspondeerde, vroeg hij: ''Wat moet je daarmee?'' Hij zocht overal wat achter. Een oud-collega met wie ik graag contact wilde houden, belde ik dan maar van mijn werk. Dat is van begin af aan zo geweest. Hij had liever niet dat ik met mijn oude vrienden omging. Toen hij dood was, viel die druk weg. Als ik vijf minuten langer wegbleef van boodschappen doen, kreeg ik niet meer te horen ''waar was je?''

Sporten doe ik nu ook weer. Jan vond sport walgelijk, disgusting. En ik ben makkelijker geworden in het contact met mensen. Een praatje maken met de buren, of de buren op bezoek vragen, dat was not done volgens Jan. Dat soort contacten hield hij af. Nu geef ik elk jaar een nieuwjaarsreceptie voor de hele straat.

De vrienden van Jan spreek ik nog zelden. Sommigen herkennen me niet eens, nu ik niet meer aan zijn handje loop. Ik was enkel maar ''de vrouw van''. Dat dit zou gebeuren, wist ik van tevoren, ik had gezien hoe ze met andere weduwen omgingen. Ik heb nooit wat geschreven, nooit wat geschilderd, ik ben voor hen een quantité négligeable. Maar dat wist ik dus van tevoren en daarom heb ik er ook altijd voor gezorgd dat ik een leven voor mezelf had, een eigen werkkring, om niet uitsluitend een afgeleid bestaan te hebben.

Als erfgenaam van Jan beheer ik nu zijn nalatenschap, dat zie ik als mijn morele plicht. De kinderen hebben er geen tijd voor. Rengert-Jan is archeoloog, heeft vier kinderen en woont in Dresden. Mijn dochter Mar li na is geoloog en woont in Australië. Maar ze wilden niet dat het werk verkocht werd. Ik heb ook nooit overwogen weg te gaan uit dit huis, al is het erg groot voor iemand alleen. Ik heb wel het een en ander veranderd sinds hij er niet meer is, maar het is nog vol met herinneringen aan Jan, van zijn kunst die aan de muur hangt, zijn boeken en zijn handwapenverzameling, tot zijn verzameling drankflesetiketten, waarmee hij op zijn kamer boven een complete wand beplakt heeft.

Hij is nog heel erg aanwezig in mijn leven, maar ik heb nu een andere verhouding met hem. Eerst was hij mijn echtgenoot, daarna werd hij mijn werk. En ik doe het met plezier, het is de moeite waard om me ervoor in te zetten. Zijn poëzie vind ik nog steeds moeilijk, maar zijn beeldend werk vind ik fantastisch, vooral de monoprints en de gouaches.

Bij de overzichtstentoonstelling van Jans werk in de Verweijhal in Haarlem in '99 en het boek dat voor die gelegenheid werd uitgegeven, was ik nauw betrokken. Zo heb ik alles wat hij gemaakt heeft geïnventariseerd en gefotografeerd. Voor die tijd was ik al begonnen met het uitzoeken van het archief. Op uitnodiging van de toenmalige directeur van het Cobra-museum in Amstelveen, die geïnteresseerd was in het archief, heb ik dat daar ter plekke gedaan. Toevallig hield mijn baan op, dus ik had er de tijd voor. Jarenlang heb ik er drie dagen per week zitten werken. Een paar weken geleden was het klaar, het archief staat sindsdien bij mij thuis. Het geeft me een bevredigd gevoel dat alle manuscripten, brieven, knipsels, rekeningafschriften enzovoort nu toegankelijk zijn.

Op de Cobra-tentoonstelling in het Stede lijk Museum in '49 heeft Jans collage La putain de classe, die als aanstootgevend verwijderd werd, een rel veroorzaakt. Toch is hij vooral bekend als dichter van Cobra, en minder als beeldend kunstenaar. Sommige mensen beschouwen hem niet als Cobra-kunstenaar omdat hij niet heeft meegedaan aan de tentoonstelling in '51 in Luik. Hij heeft zijn beeldend werk zelf nooit gepromoot. Ik doe nu mijn best om Jan in de belangstelling te houden. Toen ik tussen zijn spullen een drukproef van een boek van Simon Vestdijk vond, heb ik dat aan het Letterkundig Museum gegeven en me in ruil daarvoor op de genodigdenlijst laten zetten. Zo ben ik laatst naar de uitreiking van de pc-Hooftprijs gegaan. Bij dat soort gelegenheden kan ik lobbyen voor Jan. Als ik dat niet deed, zou hij veel sneller in de vergetelheid raken. Nu denken de mensen: "O ja, Jan Elburg, die is er ook nog."'

Meer over