JAN ROMEIN; Geschiedschrijver voor de nieuwe tijd

Geboren: 30 oktober 1893 in Rotterdam. Motto: 'Ik geloof in een mensheid die in zichzelf gelooft.' Getrouwd met: Annie Romein-Verschoor (1895-1978), historica en feministe, tevens naaste medewerkster in wat door collega's gekscherend én bewonderend de 'Firma Jan en Annie' werd genoemd....

OMSTREDEN was hij zijn leven lang en daarna. Het is zelfs nooit helemaal duidelijk geworden of Jan Romein in 1927 door de Communistische Partij geroyeerd werd, of dat deze formele uitstoting opzettelijk gezichtsbedrog was, en dat hij altijd geheim lid is gebleven.

Dat Romein meer dan flirtte met Lenins revolutie was allang duidelijk voordat hij en zijn echtgenote/medewerkster Annie Romein-Verschoor zich in 1956 demonstratief niet distantieerden van de Russische inval in Hongarije.

Zijn grootste vijand onder de vakgenoten, de Utrechtse historicus Pieter Geyl, moest in 1947 Romeins bundel In opdracht van de tijd recenseren en schreef, vol afschuw, aan zijn collega-hoogleraar Gerretson: 'Die man is geen historicus, hij is een gelovige - een gelovige in Marx!! Ik zou waarachtig nog heel wat liever christen zijn.'

Geyl zou later nóg venijniger tegen Romein polemiseren: 'Het getuigt van waarlijk verbijsterende zelfoverschatting, wanneer een historicus die op het gebied van de practische geschiedenis niets heel bijzonders heeft gepresteerd, op grond van zijn theoretische studiën zijn collega's komt beschrijven als blind varende lieden die alleen hij voor onheil kan bewaren.'

Dat ging over Romeins introductie van een nieuw vakgebied: de theoretische geschiedenis. Romein vroeg aandacht voor problemen als subjectiviteit en objectiviteit en duur en verandering in de geschiedenis, zaken die er vóór hem meestal bekaaid waren afgekomen. En hij klaagde dat voortgaande specialisering het geschiedbeeld 'vergruisde'. Romein zocht het grote beeld, de synthese van zoveel mogelijk door hem relevant geachte kwesties. Maar veel collega's vonden het tamelijk vergezocht.

Ook zijn fameuze leermeester Johan Huizinga, met wie hij tot diens dood een haat-liefdeverhouding had - Romein bleef zich bij elk voltooid werkstuk afvragen wat Huizinga er wel van zou vinden - vond het niets en hield Romein, haast dodelijk, voor: 'Wat de studie betreft die je theoretische geschiedenis hebt gedoopt, ik placht altijd tot mijn studenten te zeggen: neem van dien kant eenige kennis, maar ga er niet te diep op in, want men raakt er zoo licht in vast, en de hoofdtaak van den historicus ligt daar niet. Ik ben ten opzichte van deze dingen altijd een conservatieve gebleven, en ga voor die richting in het algemeen steeds meer voelen: een ouderdomsverschijnsel misschien? Voor afzonderlijke leerstoelen in die theoretische geschiedenis zou ik vooralsnog maar matig geporteerd zijn.'

De hoofdtaak van de historicus was en is nog altijd geschiedschrijving. Daarmee had Romein, de eerlijkheid gebiedt het te noteren in weerwil van Geyls boosaardige uitbarsting, wel degelijk zijn sporen verdiend toen alle gekrakeel over zijn theoretiserende nieuwlichterij losbarstte. Zijn eerste studie, Geschiedenis van de Noord-Nederlandsche Geschiedschrijving in de middeleeuwen (1932), wordt nog altijd geroemd als een voorbeeldig stuk historiografisch handwerk. Dat geldt ook voor De Lage Landen bij de zee (1934) en de vier delen Erflaters van onze beschaving (1938-1940). In de beide laatste had echtgenote Annie een belangrijk aandeel.

Over Jan Romeins jeugd is betrekkelijk weinig bekend. Hij moet vrij beschermd zijn opgegroeid: Romein senior leidde in Rotterdam een conservenfabriek die eigendom was van zijn schoonfamilie. Aanvankelijk wilde Jan - hij was via de driejarige HBS en het Staatsexamen pas op 21-jarige leeftijd naar Leiden gegaan - theologie studeren, maar hij verruilde dat na een jaar voor letteren. De Russische revolutie van 1917 kreeg hem tijdens deze studiejaren in zijn ban en zou hem nooit meer los laten. Zijn proefschrift - niet bij de nukkige Huizinga, maar bij de slavist Van Wijk - was dan ook 'Russisch': Dostojewskij in de westersche kritiek.

Leraar wilde hij niet worden - een rugaandoening hield zijn gezondheid levenslang broos -, en zijn financiële onafhankelijkheid maakte dat ook onnodig. Hij werd freelance schrijver en medewerker aan vele publicaties. Vooral om zijn geld (zou Annie later onthullen) werd Jan Romein al vroeg uitgenodigd een besloten vergadering bij te wonen over de financiering van de in 1916 dagblad geworden communistische Tribune. In de jaren twintig zat hij in de redactie en schreef zich de vingers blauw. Naast historicus voelde Romein zich vooral een revolutionaire intellectueel die zich, 'in opdracht van de tijd', in dienst stelde van dat ene doel: de bevrijding van de arbeidersklasse.

Zijn toch al enorme bewondering voor Huizinga groeide huizenhoog toen hij in 1919 diens Herfsttij der middeleeuwen in handen kreeg. Romein noteerde de steeds weer aangehaalde loftuiting: 'Zo en niet anders wil ik leren schrijven, zwoer ik na de eerste bladzijden en de ruim vijfhonderd volgende las ik in twaalf avonden uit.'

Pas na veel getouwtrek werd hij in 1939 benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de vaderlandse geschiedenis, en later tot gewoon hoogleraar in de algemene en vaderlandse geschiedenis. Na de oorlog - begin 1942 had hij enige maanden in het kamp Amersfoort gevangen gezeten en de rest van de oorlog was hij ondergedoken in het Gooi - maakte hij zich sterk voor de oprichting van de zogenoemde 'zevende faculteit' aan de Universiteit van Amsterdam.

Deze veelomvattende studierichting paste bij Romeins opvatting dat de geschiedenisstudie geïntegreerd diende te worden in de sociale wetenschappen. De combinatie van belezenheid, filosofische scholing, psychologisch inzicht en letterkundige smaak die uit veel van Romeins werk blijkt, moest kunnen worden overgedragen op de studenten. Dat veel aankomende studenten deze hyperbrede opleiding als een kind met een waterhoofd ervoeren, was een misschien onontkoombare consequentie. Minstens zeven jaar moest er geploeterd worden, liefst zonder vakanties. Of zoals socioloog Den Hollander zijn studenten placht voor te houden: 'Sicilië komt nog wel...'

Romein zelf zou niet aan 'zijn' zevende doceren en hij ontliep daarmee ook de benoemingsellende die zijn vriend, de briljante Jef Suys, moest ondergaan. Suys werd door de buitenwacht voor marxist versleten - wat hij zeker niet was - en de Amsterdamse gemeenteraad, die de benoemingen moest ratificeren, wilde Suys daarom niet. De raad zette de als tweederangs beschouwde Barents op de voor Suys geknipte leerstoel voor politieke wetenschappen. Ook de benoemingen van de econoom Kleerekoper, de historicus Presser en de pershistoricus Baschwitz kwamen pas na veel politiek misbaar tot stand.

Zelf begon Romein pas op 60-jarige leeftijd - te laat, zoals hijzelf terecht vreesde - aan wat zijn magnum opus moest worden: Op het breukvlak van twee eeuwen. Alles, maar dan ook letterlijk alles wat rond de laatste eeuwwisseling door Romein van belang werd geacht, moest in dat boek. Het kwam nooit af op de manier zoals hijzelf gewild had. Annie bezorgde het na zijn dood in 1962 keurig, maar de kritiek vond er niet meer in dan een verzameling postume essays. Sommige prachtig, sommige goed, maar de bedoelde bekroning van zijn levenswerk kon het niet zijn.

Henk Strabbing

Dit is de 33ste aflevering van een serie over honderd belangrijke Nederlanders van deze eeuw. De volgorde is chronologisch (op basis van geboortedatum). Onder het kopje Gepasseerd staan de namen van tijdgenoten die de tophonderd niet hebben bereikt.

Meer over