Jan Raas, Jan Raas, Jan Raas in Bagdad

Ik was zaterdag niet bij de vredesdemonstratie in Amsterdam. Ik zat thuis en ik keek naar Milaan-San Remo. Het is niet anders, het is de naakte waarheid, denkt u er gerust het uwe van....

Ze schakelden van de koers over naar de persconferentie met Jantje Blom en Tommy Franks. Ik ben niet zo'n escapist die dan snel verkast naar de Belg omdat hij per se de koers wil blijven volgen en de oorlog liever aan anderen overlaat. Nou ja, een paar keer kort. Even checken of er nog nieuwe ontwikkelingen waren. En dan snel weer terug naar Blom en Franks. Op één keer na dan, toen ik even wat langer bleef hangen na een valpartij. Ik weet heus wel wat écht belangrijk is. Smeets en Breukink of Blom en Franks. Kom op zeg.

Ik dacht aan de jongen in Bagdad die veel van wielrennen houdt.

Misschien is het een foto geweest, of een kort stukje op tv of een verhaal van een oom die de zomer had doorgebracht in Frankrijk. Hoe dan ook, in Bagdad woont een jongen en die is mataglap van wielrennen. Vroeg in het voorjaar kent hij al alle ploegen van buiten en spreekt hij de namen van alle nieuwe renners foutloos uit. Hij heeft plakboeken, onder zijn bed liggen oude L'Equipe's, aan de wand hangt Oscar Freire. In zijn kamer zweven dromen van Tourmalet en Galibier.

Zo'n jongen is het.

In restaurant Elmo's Fire in Indianapolis zetten ze wildvreemden bij je aan tafel wanneer de zaak vol begint te raken. Ik kreeg er een keer een jongeman in een pak toegewezen.

'Holland', antwoordde ik op de vraag waar ik vandaan kwam.

'Ah', zei mijn tafelgenoot. 'Holland. Erik Brookink, the guy from Spankeren. I love Erik Brookink. He is the king of the time trial. He should've won the Tour de France of 1990.'

Hij begon in detail en aan de hand van de etappe-uitslagen uit te leggen hoe Erik Breukink de Tour van 1990 had moeten winnen.

Sindsdien vind ik dat ze in alle restaurants ter wereld wildvreemden bij elkaar aan tafel moeten zetten, zodat ze vrienden kunnen worden.

Mijn nieuwe vriend was een eenzame minnaar van de wielersport die zich in de wielerwoestenij van Indianapolis als een heilige kluizenaar had verdiept in de canon van het cyclisme en die mij - op dat moment een Tour de France of vier op zak - volledig overrompelde met zijn kennis en inzichten.

Het staat vast dat tussen de vijf miljoen inwoners van Bagdad ook minstens één zo'n jongen woont. In elke wereldstad woont zo'n jongen - aardige jongens zijn het meestal, hoewel een beetje vreemd. Ze koesteren het gevoel dat ze dingen weten die niemand anders weet. In Amsterdam woont de jongen die alles weet van polo, in Londen de jongen die alles weet van kaatsen en in Bagdad woont de jongen die veel van wielrennen houdt.

Johan Museeuw, mompelt de jongen uit Bagdad. De jongen wil dolgraag een satellietschotel op het dak, zodat hij alle klassiekers kan zien, en de Vuelta en de Giro en de Tour. Hij verlangt naar beelden van het peloton zoals andere jongens verlangen naar porno. Morgen Milaan-San Remo, denkt hij.

Als de raketten inslaan probeert hij zijn angst de baas te blijven door te denken aan de Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix en de Amstel Gold Race. Hij raffelt het rijtje winnaars van de Amstel Gold Race af als een beschermende mantra. Jan Raas, denkt hij, Jan Raas, Jan Raas.

Honderd miljoen doodsbange gedachten op vrijdagnacht in Bagdad, en eentje betreft er Jan Raas. Dat brengt zo'n oorlog toch een klein stukje dichterbij, of niet soms.

Paolo Bettini had zaterdagochtend voor de start in Milaan een vredeslint onder zijn zadel gebonden. In de van achteren opgenomen beelden van de eindsprint kon je het zien wapperen. Daar vloog Paolo de vredesengel over de meet, zijn armen ten hemel geheven.

Ik dacht: straks roept hij op het podium nog dona nobis pacem. Maar dat deed hij niet.

Meer over