JAN FABRE

Het werk van de Vlaamse kunstenaar en theatermaker Jan Fabre ontleent zijn kracht aan een onwaarschijnlijke precisie en discipline. In het Springdance Festival presenteert Fabre naast een theatermonoloog ook een nieuwe danssolo: 'Je denkt dat je na Fabre niks meer kunt, zo intens is het om met hem te werken.'...

'HIJ KWAM ME een keer ophalen in z'n rode Mercedes sportwagen', grinnikt beeldend kunstenaar Berend Strik. 'Ik dacht dat er zo'n rijke vrouw van 65 zou uitstappen, met geblondeerd haar, maar het was Jan Fabre. Die auto is uit zijn geboortejaar. Hij heeft hem geruild voor één tekening. Het was wel een hele grote tekening hoor, zo'n blauwgebicte waar minstens drie klassen geestelijk gehandicapten weken aan hebben gewerkt.'

Het is een smakelijke anekdote, maar liever zou Strik er ter plekke één over Jan Fabre verzinnen. Bij Fabre weet je immers nooit of hij de waarheid spreekt of de boel in de maling neemt. 'Zaten we in een café, dan kwam hij meteen met het verhaal dat daar regelmatig geschoten werd', zegt Strik over de periode dat hij Fabre veel zag. Hij volgde toen de Rijksacademie in Amsterdam, waar Fabre in 1986-'87 gastdocent was. 'Hij was de enige goede begeleider daar. Hij praatte met je op een gelijkwaardig niveau. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Niek Kemps, die ging almaar toneelstukjes opvoeren. Dat zou je toch eerder verwachten bij Jan Fabre.'

Fantaseren, de dingen anders voorspiegelen dan ze zijn, voor Fabre is het geen liegen maar de kunst van de verbeelding. Hij mystificeert feiten uit zijn persoonlijke leven. Zo heeft hij het graag over zijn grootvader, de bioloog en insectenkenner Jean-Henri Fabre. Die heeft veel geschreven over het 'uur blauw', het overgangsuur tussen dag en nacht, als in de natuur alle dieren stil zijn. De met een Bic-pen volgekraste tekeningen die Jan Fabre maakt, zijn een verwijzing naar dat blauwe uur. 'Volgens mij is die Jean-Henri Fabre helemaal geen familie', zegt de Vlaamse theatercriticus Pol Arias. 'Eerst was dat een oom van hem, later weer z'n overgrootvader. . .'

'Ik geloof dat wel', zegt Lex ter Braak, directeur van De Vleeshal in Middelburg. 'Of laat ik zeggen: voorlopig neem ik het als waarheid aan.' Op uitnodiging van Ter Braak maakte Fabre in 1995 een installatie in De Vleeshal. Die bestond uit grote beelden, helemaal bedekt met een glanzende laag van zogenaamde juweelkevers. Geen levende insecten, zoals Fabre die regelmatig in zijn voorstellingen laat meespelen. Uit deze juweelkevers is het leven verdwenen. (Als het goed is tenminste. 'Een beeld dat Fabre maakte voor een tentoonstelling van Jan Hoet en Rudi Fuchs zat ineens onder de maden, dat hebben ze schoon moeten spuiten.') Fabre werkt met insecten zoals een ander klei gebruikt, constateert Ter Braak. En die voorkeur van insecten kan hij best van z'n grootvader hebben.

Sommige feiten uit zijn leven weet Fabre ook goed te vergeten, zegt Arias. 'Hij is begonnen als decorontwerper, in het Ankerruitheater in Antwerpen, dat weet niemand. In 1977 zag ik daar een voorstelling, en tijdens de pauze komt er een mooie, jonge kerel naast me staan en vraagt me wat ik er van vind. Hij had het decor gedaan: een compleet witte wand, een bizar decor bij het toneelstuk.' Arias nodigde Fabre uit voor het Theatertreffen in Berlijn, waar Fabre zou kunnen kennismaken met het Duitse theater waar in die tijd vele over te doen was. Zelf ging hij met het vliegtuig. 'Ik geloofde nooit dat Fabre zou komen. Maar toen ik aankwam bij het hotel, stond hij daar te wachten. Hij was komen liften. Als dank gaf hij me met kerstmis een kunstwerk. Het was een stel ''gebicte'' dweilen, heel geestig. ''Uitgewrongen art'' had hij erop geschreven.'

Arias werd uitgenodigd voor de eerste performances die Fabre maakte, zoals het choquerende Money uit 1979. Fabre vroeg het publiek aan het begin van de voorstelling om een bijdrage in papiergeld, zoals een goochelaar geldbriefjes in bruikleen vraagt. Met het geleende geld vouwde hij vliegtuigjes, hij at een paar briefjes op en verbrandde de rest. Vooral een stel Nederlandse toeristen wond zich daar verschrikkelijk over op, herinnert Arias zich.

De eerste theatervoorstelling van Fabre, Theater geschreven met een K is een kater, omschrijft Arias als 'een halve peepshow, met zoenen en aflikken, open en bloot. Fabre ging daarmee naar Detroit, waar ze werden aangehouden wegens pornografie. Dat mochten ze in België niet weten, omdat de Minister van Cultuur geld voor dat project had gegeven. Fabre vertelde dat verhaal aan iedereen, maar je moest natuurlijk zweren dat je het aan niemand zou doorvertellen.'

Het viel Arias meteen op hoe gedreven, hoe bezeten Fabre is. 'Ik was al wat ouder en dacht: we zullen wel zien wat er van al zijn ideeën komt. Maar ik zag met stijgende verbazing wat hij allemaal voor elkaar kreeg. Het is een verdomd harde werker.'

'Hij is onvermoeibaar', zegt Lex ter Braak. Toen Fabre zijn expositie in de Vleeshal kwam inrichten, werkte hij tegelijkertijd bij het Het Nationale Ballet aan een nieuwe choreografie. 'Ik haalde hem om acht uur 's avonds op bij het Muziektheater, reed hem naar Middelburg waar hij tot zes uur 's morgens doorwerkte. Daarna ging hij meteen door naar zijn balletrepetitie. Hij is heel geconcentreerd maar relaxed. Maakt veel grapjes, rookt sigaretten en kijkt. Hij weet precies waar hij mee bezig is, plaatst op het juiste moment het juiste accent.'

'Tijd maakt voor hem niet uit', zegt danseres Renée Copraij, die al tien jaar bij Fabre werkt. 'Voor hem heeft een dag 36 uur.' Ze repeteert momenteel twee voorstellingen: Fabres nieuwe productie Glowing Icons, die eind mei in première gaat, en de danssolo die in Springdance voor het eerst in Nederland te zien zal zijn. 'Vanmiddag nog', lacht ze, 'vroeg hij of het geen goed idee is als ik na de avondrepetities van Glowing Icons nog een doorloop doe van mijn solo. Terwijl we 's ochtends vroeg al beginnen met werken! Om alvast aan het avondritme te wennen, zei hij. Ik ga het wel een keertje proberen, hoor.'

De tijd die Fabre opeist van zijn medewerkers leidde bij Het Nationale Ballet tot grote problemen. 'Hij repeteerde urenlang', zegt Wayne Eagling, artistiek leider van het gezelschap. 'Voor zijn eigen dansers was dat geen probleem. Maar onze dansers moesten 's avonds ook nog voorstellingen spelen. ''Jouw dansers missen de toewijding die mijn dansers hebben'', zei hij dan. Dat was niet zo verwonderlijk.'

Teleurstellend vond Eagling het ook dat Fabre zo weinig nieuw materiaal voor zijn dansers bedacht. 'Ze moesten de bewegingen nadoen die zijn eigen dansers al kenden. Alleen met Valerie Valentine ging het heel goed, maar zij had een eigen solo. De anderen voelden zich slechts lichamen die zijn beelden moesten opvullen. Dansers kwamen naar me toe en riepen: help, haal me uit deze productie.'

Renée Copraij kan zich dat wel voorstellen. 'Het is makkelijker om klassieke dansers een geweldige sprong aan te leren, dan om te zeggen: we vertrekken vanuit de bewegingen die jullie dagelijks doen. Fabre eist een enorme concentratie en een waanzinnig gevoel voor details. Hoe je een pink naast een ringvinger moet houden, of net een halve centimeter er vanaf. Veel mensen onderschatten die details.'

'Fabre werkt heel erg precies', zegt Wim Vandekeybus, 'en dat is in al die jaren niet veranderd'. Vandekeybus deed in 1984 voor het eerst met Fabre mee, in De macht der theaterlijke dwaasheden. Tien jaar geleden vertrok hij bij Fabre. Hij ging zijn eigen choreografieën maken, en zocht daarvoor een ander circuit op, met mensen die Fabre niet kenden. 'Je denkt dat je na Fabre niks meer kunt doen, zo intens is het om met hem te werken.'

Nu is Vandekeybus voor het eerst bij de meester terug, voor een solo die Fabre speciaal voor hem schreef. 'Hij werkt nu wel sneller, geeft zijn acteurs meer verantwoordelijkheid en laat veel over aan zijn assistenten. Hij is ook nieuwsgieriger naar de wijsheid van andere mensen. In zijn eerste producties moest hij heel erg doorduwen om zijn eigen naïviteit vorm te kunnen geven.'

'Hij was keihard in z'n kritiek', zegt Erik Kouwenhoven, decorontwerper en theatermaker die vier jaar bij Fabre werkte. 'Ik bedacht op een gegeven moment: ik luister alleen nog naar wat hij zegt, niet naar hoe hij het zegt.' Kouwenhoven werkte mee aan Het interview dat sterft, de controversieïe voorstelling waarin Fabre levende vissen liet sterven op een met zout bedekt toneel.

'Ik heb die karpers daar neergelegd. De papegaaien die Fabre ook in het decor zette, daar wilde ik niks mee te maken hebben, die krengen waren niet tam. Ik moest er wel over nadenken toen Fabre met het idee van die vissen kwam. We hebben ook nog alternatieven geprobeerd. In Duitsland hebben we de vissen eerst doodgemaakt. Een actiegroep had de karpers gestolen, maar wij voorzagen die actie en hadden er alvast tien in de vriezer gelegd.'

Kouwenhoven heeft veel van Fabre geleerd. 'Respect voor het materiaal dat je gebruikt. Hoe je materialen spannend kunt combineren. Hoe je een decor kunt ontwerpen zonder dat het design wordt. Het decor van de Danssecties bijvoorbeeld, dat bestond alleen maar uit een achterdoekje en coulissen, maar we hebben dat met oneindig veel minuscule veranderingen opgebouwd.'

Het decor dat Kouwenhoven in 1994 maakte voor Klaagliederen van Toneelgroep Amsterdam, een monumentaal bos van staaldraden dat in zuilen was gegroepeerd, had hij nooit zonder Fabre kunnen maken, zegt hij. 'De ruimtelijke verhoudingen van die zuilen, het spel met de transparantie, met het wel of niet laten zien van de acteurs, het zijn typisch dingen die ik van Fabre heb, en waar ik nog steeds mee bezig ben. Soms zelfs beter dan hij.' Nog altijd volgt Kouwenhoven zijn voormalige leermeester, de laatste tijd kritisch. 'Universal Copyrights vond ik de eerste 50 minuten hartstikke mooi, en daarna veel te lang. Die choreografie bij het Nationale Ballet: potpourri. Maar ik hoop, ik denk dat hij het binnenkort weer over een andere boeg gaat gooien.'

Berend Strik is bij die opera's een beetje gaan afhaken. 'Ik heb er één gezien en dacht toen: laat maar zitten. Zijn opera's missen een soort directheid. Het is een medium dat je kunt vernieuwen, maar dan moet je wel met een eigentijdse componist werken en niet met zo'n Gorecki. Zet er een rap-band neer, of een drum 'n bass-dj in plaats van een klassiek orkest.' Lex ter Braak: 'Het mooie van Fabre is dat hij zo veelzijdig is. Hij is een plein waar heel veel wegen op samenkomen. De ene keer heb je meer zin in die straat, de volgende keer neem je een andere.'

Pol Arias: 'Ik zou liegen als ik zou zeggen dat alles van Fabre me altijd evengoed is bevallen. Maar als je z'n werk volgt, dan zie je wat een prachtig oeuvre hij aan het uitzetten is. Hij is met van alles tegelijk bezig, maar trekt consequent lijnen door die al in zijn allereerste werk beginnen. Ik heb grote bewondering voor hem. En daarom mag hij van mij best wat mystificeren.'

Lichaampje, lichaampje aan de wand. Theatermonoloog van Jan Fabre door Wim Vandekeybus. Springdance, 21, 22 en 23 april in de Utrechtse School, Utrecht. Aanvang 19 uur.

The Very Seat of Honour. Dansolo van Jan Fabre door Renée Copraij. Springdance, 25, 26 en 27 april in de Utrechtse School, Utrecht. Aanvang 19 uur.

Meer over