Jan Campert: een rare, maar zeker geen foute

De Haagse dichter/journalist Jan Campert deed rare dingen, maar een verrader van de goede zaak? Nee! Dat beweert stadsarchivaris Noordam na zes maanden onderzoek....

Jan Campert, gevangen in het dwingende Nederlandse cliché van zwart en wit – dat beeld staat de Haagse stadsarchivaris Charles Noordam het scherpst voor ogen.

De Haagse dichter/journalist deed rare dingen, ‘maar als persoon stond hij duidelijk aan de goede kant. Het is zo gemakkelijk een reputatie te breken op basis van rondzingende verhalen’.

Ruim een halfjaar werkte Noordam aan een rapport over het mogelijke verraad van verzetsheld Campert. En tot zijn verassing leverde het een rij concrete vondsten op. ‘Ik was betrekkelijk blanco, ik kende Campert eigenlijk alleen van De achttien dooden. Voor hetzelfde geld waren mijn conclusies een stuk vager geweest.’

Vaag zijn ze allerminst. Ja: Jan Campert deed dingen die met de ogen van nu als kwalijk te benoemen zijn. Nee: Jan Campert werd niet als verrader vermoord in concentratiekamp Neuengamme. En ja: hij was een man van contradicties, die tegelijk Duitse propaganda vertaalde en harde verzetsgedichten schreef.

Noordam: ‘Nederlanders hebben nog steeds een star idee van de oorlog, alsof alles in goed en fout te vangen is. Maar in die eerste jaren probeerde iedereen tot een modus vivendi met de Duitsers te komen. Zijn vrienden, waaronder Simon Carmiggelt, wisten wat hij deed en bleven met hem omgaan. Wie zijn wij om er zoveel jaren later over te oordelen?’

De commotie begon in februari, toen verzetsman Gerrit Kleinveld aan NRC Handelsblad vertelde dat Jan Campert in concentratiekamp Neuengamme werd vermoord omdat hij een verrader was. Hij had het verhaal van ‘blokoudste’ Jan van Bork, die het in 1970 bij een bijeenkomst van verzetsmensen had verteld, en later nog eens bij Kleinveld thuis. Ondanks die dunne, nauwelijks te controleren basis werd het verhaal door directeur Hans Blom van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie als ‘plausibel’ erkend – ook omdat al langer bekend was dat Campert geen brandschone verzetsheld moest zijn geweest.

Al in 1950 schreef A.J. van der Leeuw, later een belangrijk RIOD-onderzoeker, dat er iets mis was met de dichtersmythe. Die notitie werd geheimgehouden, ook door het Haagse college dat bang was voor het vermoorden van een reputatie, en is nooit goed onderzocht.

Dat heeft Noordam nu wel gedaan. ‘Ik heb niet kunnen aantonen dat Jan Campert niet door medegevangenen is vermoord’, zegt hij. ‘Maar ik heb wel kunnen vaststellen dat het uitermate onwaarschijnlijk is.’

De omstandigheden in kamp Neuengamme waren er niet naar. Er was geen geheime kampraad, stelt Noordam vast: ‘de gevangenen van Neuengamme zijn er nooit in geslaagd goed saamhorig verzet te organiseren tegen de SS.’ Jan Campert was ziek. Zo zeer, dat hij twee keer in het kampziekenhuis terechtkwam. Noordam las dat in het ‘laboratoriumboek’ van het kamp, en las het opnieuw als sterfoorzaak in het ‘dodenboek’. ‘Om daarin wat te veranderen – dat zou een heel hoog niveau van manipulatie hebben vereist.’ De winter van ‘42/’43 was er verschrikkelijk: vijftig gevangenen per dag stierven aan ondervoeding en dwangarbeid. ‘Statistisch gezien’, zegt Noordam, ‘móest hij wel overlijden’.

Het verhaal over zijn verraad vond een voedingsbodem in het rapport van De Leeuw, waaruit Noordam vijftien aantijgingen destilleerde. Een aantal van die feiten klopt. ‘Hij zat in geldnood’, zegt Noordam, die vaststelt dat Campert vooral in het begin van de bezetting naar de Duitsers neigde en later niet meer.

De zwaarste beschuldiging kan echter niet worden hardgemaakt: dat de dichter voor geld joden over de grens zou hebben gesmokkeld om ze in België te laten verkommeren. Joden heeft hij gesmokkeld, concludeert Noordam, nu, maar niet uit winstbejag.

Meer over