InterviewRif-activist Jamal Mouna

Jamal Mouna en de Rif vochten vijf jaar geleden voor hun vrijheid. Nu is hun verzet geknakt

De dood van een visverkoper, geplet door de rechteloosheid in de Rif, zette het noorden van Marokko vijf jaar geleden in vuur en vlam. De Marokkaanse regering greep keihard in. Activisten kregen celstraffen tot twintig jaar. Anderen, zoals Jamal Mouna, vluchtten per bootje naar Europa. ‘We hebben een leider nodig.’

Jamal Mouna met de vlag van de Rif.  Beeld Cesar Dezfuli
Jamal Mouna met de vlag van de Rif.Beeld Cesar Dezfuli

Het gesprek is al 40 minuten onderweg als Jamal Mouna in de binnenzak van zijn jas grijpt en een rood pakketje tevoorschijn haalt. Hij vouwt het uit: het is een rode vlag met een witte ruit, met daarbinnen een groene halve maan en ster. Een eeuw geleden was dit de vlag van de Rif, toen het gebied niet door Marokko werd onderdrukt, maar kortstondig een eigen republiek vormde.

Wat deze dunne lap stof voor Mouna betekent? ‘Waardigheid. Vrijheid. Afkomst. Vaderland. Dit is onze natie, deze vlag.’

Het is ook de vlag die Mouna in Marokko in de gevangenis deed belanden. En de vlag waarmee hij bijna verdronk op de Middellandse Zee, op de vlucht voor de Marokkaanse justitie. Nu zit hij hier, op een bank in een klein appartement in Barcelona, voor het eerst in zijn 41-jarige bestaan ver van zijn geliefde geboortegrond en zijn familie. Zijn vlag deed hem bijna alles verliezen, maar het belangrijkste behouden: de hoop op een vrij Rif.

Bijna vijf jaar geleden zette diezelfde hoop het bergachtige gebied in het noorden van Marokko in vuur en vlam. Tienduizenden Riffijnen, een bevolkingsgroep met een eigen Berberse cultuur en taal die afwijkt van de Arabische standaard, trotseerden het gezag en gingen de straat op. De aanleiding voor de protesten was de dood op 28 oktober 2016 van visverkoper Mohsin Fikri, die na een akkefietje met de autoriteiten over een partij vis werd geplet in een vuilniswagen.

Verstikkende houdgreep

Het was de lont in het kruitvat, gevuld met onvrede over de onderdrukking van de Berberse cultuur en het gebrek aan investeringen en werkgelegenheid in de Rif. Maandenlang bleef het onrustig. De Marokkaanse regering, geleid door de machtige koning Mohammed VI, greep keihard in. Ordetroepen uit andere regio’s sloegen de opstand neer, de aanvoerders van protestbeweging Hirak kregen jarenlange gevangenisstraffen.

Die verstikkende houdgreep werkt. De onvrede is niet weg, maar het protest is gebroken. Zonder leider Nasser Zafzafi, die werd veroordeeld tot twintig jaar cel, is de protestbeweging uiteengevallen. Dat wil Marokko zo houden. Zafzafi komt daarom niet vrij, in tegenstelling tot tientallen andere Rif-activisten die korte celstraffen uitzaten of gratie van de koning kregen. Hoe bedreigend hun situatie is, blijkt uit de vlucht van een deel van hen naar Europa.

Een enkeling krijgt politiek asiel in Nederland, waar circa 70 procent van de Marokkaanse Nederlanders zijn wortels heeft in de Rif. Vaker belanden Riffijnse activisten in Spanje, slechts door een smalle zeestraat van Marokko gescheiden. In januari van dit jaar kregen twaalf activisten een tijdelijke verblijfsvergunning in Spanje, na een hachelijke bootreis.

Jamal Mouna was één van hen. Sinds de toewijzing van zijn verblijfsvergunning huurt hij een kamertje in Vendrell, een kustplaats in Catalonië. We spreken af in een buitenwijk van Barcelona bij Lodfi el Khattabi, een Riffijnse kennis en de vriendelijkheid zelve. Het is het netwerk waar Mouna op steunt sinds zijn vlucht naar Europa.

Gevangen in Casablanca

Mouna’s maanden zijn zwaar geweest, maar zijn ogen lachen. Door zijn antwoorden weeft hij hier en daar een woordje Spaans – hij is aan het oefenen, en in de Rif, een voormalig door Spanje bezet gebied, pikte hij al wat op.

Waar te beginnen? Bij zijn eigen leven dan maar, dat van voor de protesten. De alleenstaande Mouna werkte als ober in een café in Al-Hoceima, de officieuze hoofdstad van de Rif. Hard werken en weinig verdienen, het leven van de meeste Riffijnen. ‘Je gaat van baantje naar baantje.’

Als je al zo’n baantje kunt vinden, want de werkloosheid is enorm. Gezondheidszorg en onderwijs zijn in de Rif ver onder de maat. En altijd is er dat besef van rechteloosheid – zie de dood van visverkoper Fikri, die in een vuilniswagen klom om te voorkomen dat de politie zijn (buiten het seizoen gevangen) zwaardvis zou vernietigen, waarna het persmechanisme werd aangezet.

Al voor de Hirak organiseert Mouna bijeenkomsten waarop inwoners van Al-Hoceima hun kritiek delen. Als de protesten ontvlammen, in oktober 2016, staat hij in de frontlinie. Mouna gaat de straat op en spreekt op zijn bijeenkomsten over de noodzaak tot verzet.

Mouna’s rol in de protesten blijft niet zonder gevolgen. De politie arresteert hem, en honderden anderen. Op 8 juni 2017 wordt hij veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf. Samen met Hirak-leider Zafzafi, met wie hij nauw optrekt, wordt Mouna naar de gevangenis van Casablanca gebracht, ver van de Rif.

Vijftien dagen honger

Om fatsoenlijk eten, medische zorg en familiebezoeken af te dwingen, gaan de politieke gevangenen in hongerstaking. Vijftien dagen eet Mouna niks, ‘bijna een marteling’. Werkelijk fysieke marteling is hem in hechtenis niet overkomen. Nasser Zefzafi wel, vertelde de Hirak-leider in 2019 zelf in een uit de gevangenis gesmokkeld audiofragment. Bij hem zouden onder meer voorwerpen in zijn anus zijn ingebracht.

Na twee jaar, in juni 2019, komt Mouna vrij, om meteen weer de straat op te gaan om te protesteren – dat hij zijn vrienden in de gevangenis heeft moeten achterlaten, kan hij niet verkroppen. Zijn vlag van de vrije Rif-Republiek neemt hij mee naar een protest in Tamassint, een dorpje bij Al-Hoceima. Een paar dagen later wordt hij door agenten van zijn bed gelicht. Moeder Habiba kan niets doen; de tranen lopen over haar wangen.

En dan is de boot lek

Weer wordt hij aangeklaagd. Protesteren met de Rif-vlag ligt in Marokko uiterst gevoelig: het regime ziet de herinnering aan de republiek van weleer als een bedreiging van de nationale eenheid. Boven alles hecht Mohammed IV aan orde in zijn koninkrijk, na de chaos die hij tijdens de Arabische Lente in de landen om zich heen zag. Van de verlichte ideeën die hij presenteerde bij zijn troonsbestijging in 1999 is weinig over. De persvrijheid is beperkt. Het parlement heeft weinig macht: van democratie is geen sprake.

Zijn rechtszaak mag Mouna in vrijheid afwachten. Via via bereiken hem bedreigingen. Hij kan zijn activisme maar beter staken, klinkt het, anders kon het weleens slecht met hem aflopen. Mouna krijgt zelfs geld aangeboden voor het openen van een eigen zaak. Een poging, zegt hij, om hem het zwijgen op te leggen. In oktober 2020 wordt hij veroordeeld tot 8 maanden cel, maar het regime haast zich niet om hem opnieuw op te sluiten.

Om voor de Rif te blijven vechten, moet hij de Rif verlaten, beseft Mouna. Met vijf anderen legt hij het geld bij elkaar voor een simpel motorbootje. Op 18 januari dit jaar vertrekken ze vanuit Al-Hoceima richting de Spaanse kust. Het wordt een tocht vol tegenslagen: motorproblemen, een lek. Mouna toont een video waarop ze het water uit de rubberboot scheppen, hun voeten zeiknat. Er zijn momenten dat hij denkt dat ze het niet gaan halen. Maar omkeren, dat nooit.

Ze worden uiteindelijk gered door Spaanse vissers uit Málaga, uitgevaren voor de vangst van de dag. De vissers bevestigen een touw aan het bootje van de vluchtelingen en trekken hen naar de Spaanse zuidkust. Na een slopende reis van 26 uur zetten de vluchtelingen voet aan land in Europa, continent van vrijheid en democratie.

‘We hebben leider nodig’

Lang duurt het niet voor de eerste scheurtjes verschijnen in dat geïdealiseerde beeld. In het asielzoekerscentrum in Murcia, waar de omstandigheden slechter zijn dan in de gevangenis van Casablanca, krijgt Mouna voor hij zijn verhaal kan doen, te horen dat hij wordt uitgezet. Hij, politieke vluchteling, gelooft zijn oren niet. Voor zulk onrecht is hij toch net vertrokken?

Marokkanen die Spanje als migrant bereiken, worden in de regel direct teruggestuurd. Dat gaat niet zonder strubbelingen. Marokko ziet er geen been in om zijn onderdanen in te zetten als politiek wapen, zoals bleek in Ceuta, de Spaanse enclave bij Marokko die in mei werd overweldigd door 10 duizend migranten. Voor politieke vluchtelingen gelden andere regels: zij horen niet onmiddellijk te worden uitgezet. In 2018 erkende Spanje voor het eerst een overgekomen Riffijn als politieke vluchteling.

Na vijf dagen, en dankzij de tussenkomst van een advocaat, wordt Mouna uit zijn onzekerheid verlost: hij mag voorlopig blijven. Hij laat een groen papiertje zien, zijn tijdelijke verblijfsvergunning. Natuurlijk mist hij zijn ouders, en zij hem. Maar dat hun zoon veilig is, is voor hen het belangrijkste.

Wat nu? Zijn strijd wil hij vanuit Catalonië voortzetten, met berichten op sociale media en manifestaties op straat, om aandacht te vragen voor de Riffijnse zaak. De woede in de Rif blijft onverminderd groot, maar ook hij ziet dat de situatie er de afgelopen vijf jaar niet beter op is geworden – dat hij heeft moeten vluchten, zegt genoeg. ‘We hebben een leider nodig die ons kan verenigen.’

Tot die tijd ploetert Mouna voort. ‘Hasta el final’, besluit hij in het Spaans, de taal van zijn nieuwe land. Tot het einde; en hij in de Rif vrij kan zijn.

Meer over