J.J. BUSKES De moed van wie de angst kent

Geboren: 16 september 1899 in Utrecht. Motto: 'Weg met alle -ismen, behalve het nonconformisme.' Spraakmakende bekentenis: 'Ik zou absoluut niet buiten het seksuele gekund hebben....

AANVANKELIJK gereformeerd, vervolgens 'hersteld', later hervormd, maar zijn leven lang in de eerste plaats protestant, en dat vooral in de oorspronkelijke betekenis: protesterend. Dominee Buskes - het was altijd dominee Buskes, alsof hij geen voornaam had - ging dwars door het leven: veroordelend, aanklagend, voor de voeten lopend, protesterend kortom, tegen wat hem niet zinde in de samenleving: valse profeten, fascisme, bewapening, de atoombom, sociale misstanden, oorlogsdreiging.

Terecht is hij als een moedig man beschreven, maar zelf was hij de eerste om die kwalificatie te relativeren. Zijn moed was de moed van wie de angst kent, van wie zijn angst slechts kan overwinnen door de vrees voor nog groter gevaar.

Al vroeg in de jaren dertig, en als een der eersten, wees Buskes op het oprukkende nazisme in Duitsland, veroordeelde hij de in sommige confessionele kringen (rooms-katholieke vooral) populaire Italiaanse dictator Mussolini. In de Tweede Wereldoorlog beklom hij 'met trillende benen' de kansel om de jodenvervolging aan de kaak te stellen. Natuurlijk had hij angst voor represailles van de kant van de Duitsers, maar 'als ik het nazisme en de jodenvervolging tóen niet had bestreden, had ik na de oorlog geen poot meer op de kansel durven zetten'. Dát was zo'n nog grotere angst. Hij had zichzelf dan niet meer onder ogen durven komen, en God al helemaal niet.

De politieke progressiviteit van 'de rode dominee' ging gepaard met een haast ouderwets of naïef geloof in God en in het hiernamaals. Hij deed niet mee met degenen die het beloofde eeuwige leven vertaalden als voortleven in goede werken of in inspiratie van anderen. Zijn opvattingen over het hiernamaals waren van een grote eenvoud en de hemel stelde hij zich voor als een privé-toestand: 'Ja hoor, want anders heb ik er niks aan. In iets algemeens stel ik geen belang. Ik maak me geen zorgen, ik kom best in de hemel.'

Die hemel leek voor Buskes wel de enige vanzelfsprekendheid in zijn leven. Alle andere ogenschijnlijke zekerheden, leerstelligheden, dogma's en vooral ook autoriteiten ging hij met groot genoegen te lijf, met de onbekommerdheid en met het gebrek aan aanzien des persoons van wie zichzelf nooit als autoriteit of met macht bekleed hoopt te zien. De zekerheid van het eeuwige leven was voor Buskes bepaald geen reden te berusten in het aardse leven met zijn onvolkomenheden. Hij toetste de samenleving aan Gods Woord en als de uitkomst niet beviel, kon men ervan lusten. Het maakte dat hij zowel door De Telegraaf als door De Waarheid veroordeeld kon worden, al naar gelang het heilige huisje dat hij bestormde.

Buskes groeide op in de jodenbuurt van Utrecht, waar hij vele vriendschappen sloot. Zijn vader, een meubelmaker, hield er een strenge maar niet 'wettische' gereformeerde levensstijl op na. In zijn jeugd werd de jonge Buskes sterk beïnvloed door het opkomende socialisme, en via de christelijke socialisten werd hij op het spoor gezet van de Zwitserse theoloog Karl Barth, die hij zeer ging bewonderen.

Barth ontdekte in de dogmatiek de ethiek: de bijbelse getuigenis moet niet in het heden herhaald worden, maar in het heden vertaald worden, vertolkt als boodschap van God voor deze tijd. Anders gezegd: men mag geen enkele uitspraak over God doen zonder te beseffen dat die haar ethische consequenties heeft voor de praktijk van alledag. In dat besef wortelde Buskes nonconformistische en dwarse levenswandel.

In 1924 werd Buskes gereformeerd predikant in Oosterend op Texel en al twee jaar later beleefde hij zijn eerste principiële botsing. In 1926 namelijk maakte de Amsterdamse dominee Geelkerken bezwaar tegen de opvatting in de Gereformeerde Kerken dat het spreken van de slang in het paradijs letterlijk moest worden opgevat, als een zintuiglijk waarneembare gebeurtenis. Geelkerken werd geschort en afgezet, en Buskes moest, zoals alle predikanten, het standpunt van de gereformeerde synode verkondigen. Hij weigerde dat, werd eveneens geschorst, verliet met onder anderen Geelkerken de Gereformeerde Kerken en stichtte in Amsterdam het Hersteld Verband.

In dezelfde stad werd hem, ook al onder de invloed van de crisisjaren, duidelijk dat hij socialist moest worden (waarmee hij overigens, typisch Buskes, juist weer tegenover Geelkerken kwam te staan), en trad hij toe tot de Christen-Democratische Unie, die een christelijk socialisme voorstond. Later betreurde Buskes deze stap, in het spoor van Barth, en stelde hij dat hij beter direct lid van de SDAP had kunnen worden: 'Ik wijs christelijke partijvorming af. Ik wil wel socialist, maar geen christen-socialist heten. Het evangelie is wat anders dan een ideologie. Het woord christelijk moet je heel spaarzamelijk gebruiken. Ik wil het eigenlijk reserveren voor de gemeente van Jezus Christus.'

In plaats van een christelijke politiek bepleitte Buskes een goede politiek, door hem aangeduid als de politieke dienst van God: op de plaats waar je staat, heb je vanuit je geloofsovertuiging de politiek te bedrijven die in die situatie geboden is. Dat betekende dat Buskes, samen met zijn vrienden Fedde Schurer en Henk van Randwijk, de als christelijk bestempelde maar zijns inziens liberaal-kapitalistische politiek van Colijn bestreed, politieke bijeenkomsten hield in het Concertgebouw met marxist Sam de Wolff, en al voor 1933 het opkomende nazisme veroordeelde.

Tijdens de oorlog droeg hij vanzelfsprekend bij aan het officiële kerkelijke verzet - in 1943 was hij toegetreden tot de Nederlandse Hervormde Kerk - maar in illegale groepen ging hij er veel heftiger tegenaan, wat hem op een halfjaar gevangenis en gijzelaarskamp kwam te staan. Na de oorlog werd Buskes lid van de SDAP, de latere PvdA, en ook daar lag hij soms zwaar op de maag. Alweer met Van Randwijk protesteerde hij tegen de Indonesië-politiek, preekte tegen 'de afgebrande dessa's van Spoor', noemde het een schande dat een socialistische partij tegenover het volk van Indonesië stond, en hekelde een koloniale oorlog die premier Drees 'politionele acties' noemde. En al in 1954 verzette hij zich openlijk tegen de apartheid in Zuid-Afrika, tegen de steun van de christelijke kerken aldaar aan de rassenscheiding.

Buskes stond vooral altijd met beide benen op de grond, en verzette zich tegen wat hij noemde gemakkelijke, zogenaamde christelijkheid. En hij droeg zijn opvattingen uit via de kansel, voor de radio (met die onmiddellijk herkenbare metalen stem), in tientallen boeken en nog veel meer kleinere publicaties, in zijn pastoraat. Voortdurend wees hij erop dat het evangelie 'nooit mag dienen tot handhaving van het bestaande, noch op het terrein van de politiek, noch op het terrein van de maatschappij'.

Een nonconformistische dwarsligger uit roeping was hij, niets en niemand vrezend, vrienden tot tegenstanders (niet vijanden) makend, slechts beducht, en niet zo'n beetje, voor de kern van die roeping: tolk te zijn van het Woord Gods. Als man van het woord vreesde hij met zijn woorden juist dat Woord in de weg te staan, 'met woorden God de dood aan te doen. Dat doen we in de kerk zoveel'. Hij zag niet zozeer zichzelf als dwarsligger, hij was immers slechts de tolk. Wat Buskes duidelijk wilde maken was 'dat Gods Woord bijna altijd dwarsligt, en zelden in je straatje te pas komt'.

Bas van Kleef

Dit is de 41ste aflevering van een serie over honderd belangrijke Nederlanders van deze eeuw. De volgorde is chronologisch (op basis van geboortedatum).

Meer over