Ivoren voerbak, marmeren stal

Het Romeinse Circus Maximus zou je met enige fantasie 'Klein Rome' kunnen noemen. De Romeinen waren bezeten van het hippodroom; de wagenrennen beheersten hun leven....

In de eerste eeuw na Christus schreef Dio Chrysostomus een van de mooiste getuigenissen over dat enthousiaste circuspubliek: de toeschouwers schreeuwden en tierden, ze sprongen van hun plaatsen op en beukten op elkaar in, 'ze smeten hun kleren naar de wagenmenners en verlieten soms zelfs helemaal naakt het circus'.

Voor velen zijn wagenrennen en de film Ben-Hur een onlosmakelijke combinatie. 'De wagenrace op het witte doek', schrijft Fik Meijer aan het slot van zijn deze week verschenen Wagenrennen Spektakelshows in Rome en Constantinopel, 'heeft bij hen zoveel losgemaakt dat ze er vijfenveertig jaar na het uitbrengen van de film nog altijd over spreken.' Ben-Hur is een lang, soms erg sentimenteel verhaal, een roman van Lew Wallace, gepubliceerd in 1880, succesvol in Broadway op het toneel gebracht in 1920 en drie keer verfilmd, in 1907, in 1925 en in 1959.

In de bekendste versie, die van regisseur William Wyler, is de wagenrace prachtig verfilmd, 'af en toe zelfs bloedstollend', zegt Meijer. Maar is het een betrouwbare weergave? Is het fantasie, een interpretatie, of zijn de Romeinse wagenrennen zo levensecht mogelijk uitgebeeld?

De wagen met de uit de as stekende messen, waarmee Messala (Stephen Boyd) Ben Hur (Charlton Heston) probeert uit te schakelen, zou door de hoofdscheidsrechter direct van de baan zijn gehaald. Het publiek zou de menner hebben uitgejouwd, de vals spelende Messala zou zijn gelyncht. In de film maakte het allemaal niet uit. De paarden van toen waren veel kleiner dan de paarden uit de film; het waren pony's, naar onze maatstaven niet erg groot, niet groter dan 1,35 tot 1,55 meter. Er gebeurt veel in de race in Ben-Hur 'dat zowel in de Griekse als in de Romeinse wagenrennen niet kan zijn voorgekomen' en dat volledig aan de fantasie van Lew Wallace en de scriptschrijvers is ontsproten.

Veel mensen in Rome waren slechts in twee dingen geeresseerd, in panem et circenses schreef de dichter Juvenalis , in 'brood en spelen', in uitdelingen van gratis brood en wagenrennen in het Circus Maximus. De rennen waren niet alleen populair bij het gewone volk, ook veel Romeinse aristocraten bezochten het Circus Maximus en, schrijft Meijer, 'juichten hun favorieten even fanatiek toe als het gewone volk'. In het circus was Rome voor even verenigd, voor even vielen de standsverschillen weg. Meijers Wagenrennen Spektakelshows in Rome en Constantinopel gaat zowel over het sportieve als over de sociale en politieke achtergronden van dat grote volksvermaak.

Net als in Gladiatoren Volksvermaak in het Colosseum, Meijers vorige boek over Romeinse spelen, maakt de lezer ook nu een dag mee in het Circus Maximus. Meijer maakt de nerveuze spanning aan de vooravond van de rennen voelbaar; hij beschrijft het imponerende schouwspel van de pompa circensis, de processie vanuit de catacomben, en het verloop van de wedstrijd. We zien als het ware hoe verliezers werden weggehoond, uitgelachen en beschimpt, hoe een menner crashte in het zicht van de finish en hoe zijn wagen als een scheepswrak de Romeinen gebruikten daarvoor de term naufragium in stukken in de arena lag.

Meijer schrijft over de eindeloos lange tribunes, de startboxen, de renbaan, de keerzuilen en de keizerlijke loge. Hij vertelt over de 'renstallen' en de competitie, over de 176 geregistreerde feestdagen van de Romeinse kalender, over de factiones of 'partijen', de Groenen, de Blauwen, de Roden en de Witten, renstallen of professionele circusorganisaties die hun namen ontleenden aan de kleur waarin hun paardenwagens waren geschilderd.

Romulus, de eerste koning van Rome, schrijft Livius in het eerste boek van zijn geschiedwerk Vanaf de stichting van de stad, introduceerde kort na de stichting van de stad in 753 voor Christus paardenrennen in het dal tussen de heuvels Aventijn en Palatijn. De ludi Romani, de Romeinse spelen, waren zeer populair; de wagenrennen, massaspektakels zonder weerga, waren domeinse passie. Tegelijk waren de rennen ook een politieke barometer, door toejuichingen of afkeurend gejoel liet het publiek de keizer weten hoe het over hem dacht. Toeschouwers keken ademloos naar vierspannen die over de lange en brede renbaan cirkelden. Er waren hoogoplopende spanningen tussen de menners. De toeschouwers scandeerden nika, nika, 'win, win', de yell waarmee de menners tijdens de races werden aangemoedigd.

Soms liep het uit de hand. Het grootstebloedbad onder supporters van de wagenrennen uit de geschiedenis, schrijft Meijer, vond plaats op maandag 19 januari 532 in het hippodroom van Constantinopel. Die dag werden meer dan dertigduizend mensen gedood tijdens het zogenoemde Nika-oproer, 'het trieste slotakkoord van een week van ongekende chaos en vechtpartijen'. De slachting in opdracht van keizer Justinianus tart iedere beschrijving. De paniek was enorm; duizenden toeschouwers die een goed heenkomen zochten, vielen over elkaar heen en vertrapten elkaar.

De excentrieke Caligula, een van de wreedaardigste Romeinse keizers, was een groot liefhebber van de wagenrennen. Zijn liefde voor paarden nam pathologische vormen aan. Hij liet menners en paarden van zijn rivalen uit de weg ruimen; zijn eigen paard Incitatus had behalve een marmeren stal ook nog eens een ivoren voederbak, purperen dekkleden en parelkettingen. Hij nodigde geregeld zijn paard uit voor het diner en het verhaal gaat zelfs dat hij heeft overwogen om Incitatus tot consul te benoemen.

Meijer schrijft het smakelijk op, de rol van de claqueurs bij de wagenrennen, de wreedheden van fanatieke keizers, de triomfen van de winnaars, de rampspoed van de verliezers en het buitenissige gedrag van opgehitste supporters.

De door Sofokles in de 5de eeuw voor Christus geschreven tragedie Elektra is een schitterend relaas van de rennen. Het gaat weliswaar niet over een race die echt heeft plaatsgevonden, maar het verhaal neemt ons wel mee naar de rennen. 'Toen klonk trompetgeschal, en weg was iedereen', schrijft Sofokles in de vertaling van Hein van Dolen. 'De menners hitsten luid de paarden aan, de teugels stonden strak, de baan was vol van ratelend gedreun en stof woei op, omdat geen voerman in de dichte drom zijn zweep of prikstok spaarde, in zijn ijver om voorbij de wielen en het snuivend paardenkoppel van de rest te gaan.'

Meijer citeert zulke antieke teksten; hij brengt afbeeldingen op amforen of obelisken tot leven. Hij vertelt. Kees Fens schreef ooit dat 'een verteller iemand is die niet kan zwijgen'; zo iemand is Fik Meijer. Geschiedenis wordt een verhaal, oude teksten worden geschiedschrijving. Hij speurt in de klassieke literatuur naar sappige anekdoten. 'Je mag dicht naast je dame zitten niets belet je', dichtte Ovidius over het Romeinse Circus Maximus, 'en lichaam tegen lichaam prangen waar je kunt, meer nog: je mwel prangen, dat zijn Circuswetten, je moet je buurvrouw voelen, of zij wil of niet.'

Meer over