Italiaans design

De Italiaanse meubelindustrie maakt gretig gebruik van de creativiteit uit Nederland. De beroemde Knotted chair van Marcel Wanders maakte de weg vrij voor een golf Nederlandse ontwerpers, die werken voor merken als Driade, Cassina en Cappellini....

Design, dat was Italië. Alleen al de klank van merken als Alessi of Giorgetti, alsof je een opera van Verdi hoorde. En dan die zwierige keukenapparaten, veelal opgebouwd uit glimmend chroom en kleurig plastic. Het leek opeens wel alsof er een Ferrari op het aanrecht stond. Of een bankstel zo laag als een bed en met leuningen als Romeinse zuilen. Daar hadden ze nog nooit van gehoord in Oisterwijk. Zo overzichtelijk was de wereld nog in de jaren tachtig. Amper tien jaar later had het Italiaans design ongeveer de status van dat gezellige Brabantse eikenhout overgenomen; oubollig, poenerig en hopeloos uit de tijd. Nee, dan het Scandinavisch minimalisme. De verwende designliefhebber omringde zich in de jaren negentig met strakke banken en smaakvolle rechttoe-rechtaan tafels. Door de ware connaisseurs aangevuld met wat doordachte maar onpraktische producten van eigen bodem, bij voorkeur van het kunstzinnige ontwerpplatform Droog Design. Een witte blokkendoos om op te loungen naast een kast van sloophout, dan was je interieur pas echt bij de tijd. Maar ook die waardering veranderde. En zie, de Italiaanse designlabels zijn weer helemaal terug aan de top, zo bleek dit voorjaar op de laatste editie van de Salone Internazionale del Mobile. Deze jaarlijkse designbeurs – al jaren in Milaan – bepaalt what’s hot and what’s not. Toch is niet alles hetzelfde gebleven: het blinkende chroom en de aerodynamische constructies uit Italië hebben plaatsgemaakt voor avontuurlijke materialen en verrassende vormen.

Deze comeback van het Italiaans design komt niet uit de lucht vallen, meent de Nederlandse ontwerper Marcel Wanders. ‘In de jaren tachtig waren ontwerpers als Andrea Branzi, Alessandro Mendini en Ettore Sottsass toonaangevend, niet alleen in Italië maar wereldwijd. Maar in de jaren negentig was er geen generatie die het stokje overnam. Die rol is nu overgenomen door internationale ontwerpers als Jasper Morrisson en Marc Newson.’ En niet te vergeten Wanders zelf. Toen zijn befaamde Knotted chair, een stoel van gehaakt touw dat in epoxy was gedompeld, in 1996 door Cappellini werd uitgebracht, was hij een van de eerste Nederlandse ontwerpers die werkten voor Italiaanse labels; inmiddels heeft hij ze ‘allemaal wel zo’n beetje gehad’. Wanders is al lang niet meer de enige Nederlander die ontwerpt voor de Italiaanse toplabels. De tafels, stoelen en banken van Tord Boontje zijn al jaren een pijler in de nieuwe collecties van Moroso. Ineke Hans leverde twee jaar achter elkaar stoelen voor Cappellini. Peter Traag ontwierp een stoel voor Edra. Stuk voor stuk labels die dit jaar de smaakmakers waren in Milaan. ‘Marcel heeft veel deuren geopend voor Nederlandse ontwerpers in Italië’, zegt Roderick Vos, die onder meer ontwerpt voor de Italiaanse topmerken Driade en Cassina. ‘Hij was toch een van die eigenwijze Dutch designers, bekend van de Knotted chair. Maar opeens bleek dat hij ook goed voor de industrie kon werken. Dat heeft veel Italiaanse labels aan het denken gezet of er niet meer van zulke eigenzinnige jongens met wilde maar haalbare ideeën rondliepen. Want die Italianen zijn altijd op zoek naar manieren om zich van de rest te onderscheiden.’ Ook Moooi, het label dat Wanders in 2001 begon, is niet onopgemerkt gebleven in Italië. Het label was gemodelleerd naar Italiaanse snit: een zeer diverse collectie die toch herkenbaar is door de avontuurlijke uitstraling. Wanders: ‘Wij voelen ons inderdaad meer verwant met Cappellini dan met Nederlandse merken. Wij werken met dezelfde passie om te verrassen. De drang om te vernieuwen zit ook zó diep in de vezels van deze bedrijven.’ En ‘verrassen’ deed Moooi zeker: met de verschroeide stoelen van Maarten Baas of een lamp van een drie meter groot zwart paard van het Zweedse designcollectief Front. Maar ook met een uitgekiende marketingcampagne met naaktfoto’s van Erwin Olaf. Wanders: ‘Met respect, maar Italiaanse labels zijn toch vooral meubelmakers, op het gebied van communicatie zijn ze toch minder innovatief.’ En dat heeft veel Italiaanse labels wakker geschud; Moooi is niet voor niets ingelijfd door de gigant B & B Italia.

Ineke Hans, Tord Boontje Marcel Wanders – het zijn de boegbeelden van het Nederlandse design. Een bank laten produceren in China is voor hen even gewoon als exposeren in New York. Dat ze dus ook worden gevraagd door Italiaanse designlabels is niet zo opmerkelijk. Wel opmerkelijk is dat minder bekende ontwerpers uit Nederland ook in trek zijn. Het jonge talent Peter Traag ontwierp een stoel voor Edra. Edward van Vliet ontwierp voor Moroso een productlijn bestaande uit een tapijt, een bank en een lamp. ‘Nederlandse ontwerpers hebben altijd een eigen handschrift’, zegt Van Vliet. ‘Een Marcel Wanders pik je er overal zo tussenuit.’ Dat hijzelf is opgenomen in de stal van Moroso verbaast hem evenmin. ‘Mijn ontwerpen hebben een kosmopolitische uitstraling, waarbij exotische en westerse elementen samensmelten.’ Zo klinkt het niet meer dan logisch dat Nederlandse ontwerpers bijdragen aan dit Italiaanse succesfeestje. Maar dat was het lange tijd niet. Wanders: ‘In de jaren negentig werd in Nederland vooral ‘virtual design’ gemaakt; je zag het wel, maar het was er niet, want het werd eigenlijk niet geproduceerd. Het heeft Nederland op de kaart gezet, maar als ontwerper is het ook je taak om de wereld een beetje beter maken door vorm te geven aan de realiteit. Hoe kun je dat beter doen dan door producten te ontwerpen die door zoveel mogelijk mensen worden gebruikt. Maar hier in Nederland ben je dan commercieel, en een erger verwijt kun je bijna niet krijgen.’ Vos: ‘Toen ik eind jaren tachtig afstudeerde aan de Design Academy wilde ik niets liever dan in Italië aan de bak komen. Maar onder invloed van Droog Design is op die opleiding een hele generatie ontwerpers gekneed die haute couture maakt voor de meubelindustrie. Of de ontwerpen ook gemaakt konden worden, was ondergeschikt. Daardoor schortte het bij veel Nederlandse ontwerpers nog al eens aan de kennis en de motivatie om voor industriële producten te ontwerpen. Een Piet Hein Eek is big in Italië met zijn sloophoutmeubels. Toch blijft hij nog steeds alles zelf maken in zijn eigen werkplaats.’ Die mentaliteit is aan het veranderen. Wanders: ‘Jonge ontwerpers gaan inzien dat het ook interessant is om voor de industrie te werken.’ Een goed voorbeeld daarvan is het aanstormende Rotterdamse talent Joris Laarman, die voor Flos, de lampenfabrikant, zijn Nebula ontwierp. De New York Times riep de lamp uit tot ‘een icoon van dit tijdsgewricht’. Laarman baseerde de vorm op een oude lamp die hij op een rommelmarkt vond. Inmiddels werkt hij aan een meubel voor Cappellini, terwijl zijn Bone chair wordt geëxposeerd in het Museum of Modern Art in New York.

Deze herwaardering van industriële productie is volgens Vos een logische stap. ‘Daar ligt de toekomst. Dat gelimiteerde arty design, dat een stoel een ton moet kosten omdat er maar vijf van worden gemaakt, die hype waait wel over. Daarna wil iedereen weer gewoon mooie en kwalitatief hoogstaande spullen.’ En daar hoef je de Italianen niets over wijs te maken. ‘De kennis en het vakmanschap daar is onovertroffen. De afwerking van stoffen, de manier waarop kunststof in mallen wordt gegoten, het lakken; zo kunnen ze het nergens ter wereld.’ Om nog maar te zwijgen van de status die een ontwerper er geniet. ‘Ik voel me daar als God in Frankrijk. Heel fijn.’

Tegendraads en eigenwijs, maar toch rijp voor de industrie; het is deze mix die Nederlandse ontwerpers zo interessant maakt voor Italiaanse producenten. Alleen kun je je afvragen hoe Italiaans deze labels nog zijn. De collecties zijn samengesteld door ontwerpers uit Brazilië, Japan, Spanje, Engeland en Eindhoven. ‘De ontwerpers mogen dan uit alle windstreken komen, de regie is onverminderd in Italiaanse handen’, zegt Van Vliet. ‘Het zijn veelal familiebedrijven met een lange traditie die streng wordt bewaakt. Bij Cappellini is het Giulio Cappellini die de collectie bepaalt, bij Moroso is het Patrizia Moroso. Zij zoeken naar ontwerpen die aansluiten bij hun visie.’ Misschien nog wel het beste voorbeeld hoe wijd de ramen zijn opengezet bij de Italiaanse merken is Cappellini. Amper vier jaar geleden leek het doek te vallen voor dit fameuze familiebedrijf; de verkoop aan een internationaal consortium kon de ondergang nog net voorkomen. Nu wordt weer met respect gesproken over het merk door de presentatie van Cappellini Love, een nieuwe collectie ecodesign. ‘De Italianen hebben de vinger uitstekend aan de pols’, zegt Gijs Bakker, de oprichter van Droog Design, dat dit jaar ook uitpakt met een collectie duurzame producten. Al ziet hij die neus voor commercie ook als ‘de kracht’ van Italiaanse merken. ‘Ze maken avontuurlijke meubels, maar verliezen tegelijkertijd nooit uit het oog dat er ook winst moet worden gemaakt.’ Iets waar het bij Droog Design – het moet gezegd – nog wel eens aan schortte. Ook de aanpak van Droog om een collectie samen te stellen met producten van meerdere ontwerpers, die daarvoor ook de credits ontvangen, is slim overgenomen door labels als Cappellini. Bakker: ‘Bij onze eerste presentatie in Milaan in 1994 was dit signature design nog revolutionair. Nu zie je dat ook de Italianen de wereld afschuimen op zoek naar spannende ontwerpers.’ En daar zitten dus vaker Nederlanders bij.

Meer over