Reconstructie

Is een kind met spoed uithuisplaatsen een te hard middel? Hoe Yvonne al zes jaar strijdt tegen het weghalen van haar zoon

Yvonne heeft de slaapkamer van haar zoon sinds zijn uithuisplaatsing in april 2016 intact gelaten.  Beeld Harry Cock/ de Volkskrant
Yvonne heeft de slaapkamer van haar zoon sinds zijn uithuisplaatsing in april 2016 intact gelaten.Beeld Harry Cock/ de Volkskrant

Bijna zes jaar geleden is de nu 13-jarige Karel met een spoeduithuisplaatsing weggehaald bij zijn moeder Yvonne. Sindsdien vecht zij als een terriër dit besluit aan. De Volkskrant vroeg deskundigen uit de jeugdzorgpraktijk het dossier te lezen. Zij steunen de moeder in haar standpunt. Wat is er gebeurd?

Charlotte Huisman en Rik Kuiper

Dit herinnert Yvonne (53) zich van de dag die haar leven op z’n kop zou zetten. Het was vrijdagmiddag. Ze stond op het schoolplein in Hilversum te wachten op haar 7-jarige zoon Karel. Alleen: hij kwam niet.

Na enige tijd stapte de directrice op haar af. Ze voerde Yvonne mee een kamertje in, waar zeker vijf anderen zaten. Al vrij snel vroeg een medewerker van jeugdbeschermingsorganisatie Save of Yvonne akkoord ging met de uithuisplaatsing van haar kind.

Yvonne had de vrouw nog nooit gezien. En ze was verbijsterd door de vraag. Kwam dit doordat ze die morgen vijf minuten te laat op school was gearriveerd, waarna ze misschien wat kattig op de juffrouw had gereageerd? Of was het omdat ze een uur later tegen een medewerker van jeugdzorg, die dezelfde dag nog met haar wilde afspreken, had gezegd dat ze pas maandag tijd had? Ze had geen idee. En nee, ze ging niet akkoord met een vrijwillige uithuisplaatsing. Waarom zou ze?

Wat Yvonne toen nog niet wist, was dat deze school voor speciaal basisonderwijs kort daarvoor een melding had gedaan. Een leerkracht maakte zich zorgen over Yvonne en Karel. Die melding was snel opgepikt.

Omdat Yvonne weigerde in te stemmen, belde een medewerker van de jeugdbescherming de rechtbank om toestemming te vragen voor een spoeduithuisplaatsing. Die bleek snel geregeld. Toen Karel het kamertje binnenkwam, moest Yvonne hem zelf vertellen dat hij ‘uit logeren’ zou gaan.

De jongen sloeg zijn armen om haar nek. Na een paar minuten werd hij van haar schoot getrokken, een moment waarover medewerkers van de school later in een rapport zouden zeggen dat het ‘traumatisch voor Karel, maar ook voor school’ was.

‘Ik wil niet!’ riep Karel. ‘Ik wil bij jou blijven!’

Het was 15 april 2016. Gillend en schreeuwend werd hij door de gang naar een klaarstaande auto gesleurd. Weg was hij. Weg bleef hij.

Zes gezinsvoogden en vijf advocaten

Ruim vijf jaar later. Yvonne nipt in haar koopwoning in Nederhorst den Berg aan een glas Fanta. Ze wil vanwege de privacy van haar zoon niet met haar achternaam in de krant. Van Karel is de voornaam gefingeerd.

Aan de houten eettafel in de woonkamer vertelt Yvonne over de drie jeugdbeschermingsorganisaties die zich met haar zaak bemoeiden, over de zes opeenvolgende gezinsvoogden, over de vijf advocaten die de procedures namens haar voerden, over de twee meter aan documenten die ze heeft verzameld. Ze klinkt afwisselend strijdbaar, machteloos en verdrietig. Af en toe pinkt ze een traan uit haar ooghoek, vooral als ze vertelt over die vrijdagmiddag waarop Karel van haar werd afgenomen.

In de kamer van Karel Beeld Harry Cock / de Volkskrant
In de kamer van KarelBeeld Harry Cock / de Volkskrant

Zo’n spoeduithuisplaatsing is geen unicum. Per jaar besluiten kinderrechters gemiddeld zo’n 1.400 keer tot een voorlopige ondertoezichtstelling voor een spoeduithuisplaatsing, blijkt uit cijfers van de Raad voor de Rechtspraak. Dat is ongeveer eenderde van het totale aantal uithuisplaatsingen en nieuwe ondertoezichtstellingen per jaar.

Daarvoor moet sprake zijn van ‘onmiddellijk en ernstig gevaar’, zoals de richtlijnen het verwoorden. Alleen dan kan een kind acuut bij zijn ouders wordt weggehaald. Jeugdbeschermingsorganisaties vinden het belangrijk om zo’n paardenmiddel achter de hand te hebben, omdat ze dan snel kunnen ingrijpen als een kind bijvoorbeeld wordt mishandeld of misbruikt. ‘Er zijn helaas situaties waarin het kind per direct uit huis moet’, aldus Jeugdzorg Nederland, die spreekt namens de verschillende jeugdbeschermingsorganisaties.

Deskundigen zijn echter kritisch. Zij vinden dat de jeugdbescherming en de Raad voor de Kinderbescherming te snel kiezen voor een spoeduithuisplaatsing. Zo ziet kinderpsychiater en jeugdzorgdeskundige Peter Dijkshoorn dat er niet bij alle zaken sprake is van acute dreiging. Hoogleraar Jeugdrecht Mariëlle Bruning benadrukt dat ouders en kind bij spoeduithuisplaatsingen nog minder rechtsbescherming hebben dan bij een ‘gewone’ uithuisplaatsing. ‘Eigenlijk hebben ze geen enkele rechtsbescherming.’

De Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) pleitte in september al voor meer rechten voor ouders en kinderen bij een uithuisplaatsing. Bij een ‘gewone’ uithuisplaatsing is er nog een rechtszitting waarin ouders hun zegje kunnen doen, bij een spoeduithuisplaatsing is die mogelijkheid er pas nadat het kind al uit huis is geplaatst.

Ook bij de zaak van Yvonne lijkt er veel te zijn misgegaan, zeggen de deskundigen aan wie de Volkskrant haar casus voorlegde.

Yvonne groeide op in gelukkig gezin

Yvonne groeide op in Hilversum, in ‘een gelukkig gezin’ met een zorgzame moeder, een vader die als constructeur bij Philips werkte en een broer die bijna drie jaar ouder was. Op de lagere school werd ze gepest omdat ze klein was en stotterde. Later, op de mavo in Laren, groeide ze na een lastig begin uit tot ‘de leider van de klas’, zo vertelde ooit aan een psycholoog. Vervolgens volgde ze een meao-opleiding bedrijfseconomie en ging ze aan de slag als financieel administrateur.

Toen ze net 39 was, raakte ze zwanger van een politieman. De zwangerschap verliep niet voorspoedig. Na dertig weken en vier dagen kwam Karel ter wereld - 30 centimeter lang, 840 gram licht. Hij moest de couveuse in. Zijn vader was nog wel naar het stadhuis getogen om aangifte te doen van de geboorte, maar vervolgens nam hij de benen. Yvonne moest Karel alleen opvoeden.

Dat was niet eenvoudig. Karel was kleiner dan gemiddeld. Met zijn zwakke longen lag hij geregeld in het ziekenhuis. Zijn motorische ontwikkeling verliep traag. Op de basisschool werd hij gepest. Pootje haken, slaan en bijten, zegt Yvonne. Omdat ze vond dat de school hier te weinig tegen optrad, besloot ze Karel na het eerste schooljaar naar een andere school in het dorp te sturen.

Daar hield het pesten niet op. Bovendien maakten leerkrachten zich zorgen over de leerproblemen van Karel en zijn afwijkende gedrag. In groep 3 dreigde hij ‘toch vast te lopen in het reguliere onderwijs’, zoals een kinderarts die Karel sinds zijn geboorte kende later liet optekenen in een psychologisch rapport.

Deze kinderarts verwees Karel voor een ontwikkelingsonderzoek door naar een psycholoog. Karel scoorde daar in februari 2016 laag op een intelligentietest. Vervolgens suggereerde de psycholoog dat Karel misschien beter af was in het speciaal onderwijs.

‘Over mijn lijk’, antwoordde Yvonne daarop.

In de slaapkamer van Karel. Beeld Harry Cock / de Volkskrant
In de slaapkamer van Karel.Beeld Harry Cock / de Volkskrant

Thuis zag ze immers een begaafde jongen. Karel had zichzelf al vroeg leren lezen, vertelt ze. Hij oefende de tafels al voordat ze op school aan bod kwamen. Als 5-jarige hielp hij bij het bakken van aardappelen en het maken van tiramisu.

Meer waarde hechtte Yvonne daarom aan het onderzoek dat een kindercoach van een praktijk voor natuurgeneeskunde een jaar eerder had uitgevoerd. Die oordeelde dat Karel ‘veelal in beelden denkt’ in plaats van in taal en begrippen. De leerkrachten moesten hem de stof anders aanbieden, dacht Yvonne. Dan zou haar zoon gewoon kunnen meekomen. Het leidde tot discussie met de leerkrachten.

Dat Karel zo slecht scoorde op die intelligentietest, kwam volgens Yvonne door een incident op school. Een klasgenoot zou zijn piemel aan Karel hebben laten zien. En misschien had die jongen ook wel aan de piemel van Karel gezeten. Seksueel misbruik, meende Yvonne. Maar de school vond dat ze overdreef.

Daarna liepen de gemoederen nog hoger op.

Yvonne vecht als een terriër

Wie het dossier leest, en wie met anderen over haar zaak praat, kan maar één conclusie trekken: Yvonne is een assertieve vrouw die het conflict niet uit de weg gaat - helemaal als het haar zoon betreft. Ze vecht als een terriër, laat niet gauw los, wijkt zelden. Ook als haar gezondheid te wensen over laat klimt ze in de pen, grijpt ze de telefoon of spant ze een zaak aan.

Dat juist zij in de problemen kwam, lijkt niet helemaal toevallig. Pedagoog Harry Berndsen ziet ouders als Yvonne vaker terug in de zaken waarin hij zich verdiept. Met zijn stichting Onafhankelijk Onderzoek Jeugdzorgketen staat hij tientallen ouders bij in conflicten met jeugdbeschermingsorganisaties. Hij spreekt van een patroon.

Het zijn vaker alleenstaande ouders, zegt Berndsen. Ouders met een beperkt sociaal netwerk. En hun kinderen hebben vaker meerdere aandoeningen. Deze groep ouders loopt meer risico om door instanties en de rechtspraak gezien te worden als ‘slechte’ ouder. Ook een zwakkere sociaal-economische positie kan in het nadeel werken.

Ineens gaat de deurbel

Begin april 2016, een dinsdagavond. Terwijl haar broer boven bezig was Karel in bed te stoppen, deed Yvonne de afwas. De deurbel ging. Ze verwachtte geen bezoek.

Toen ze opendeed, trof Yvonne drie mensen: de wijkagent, de psycholoog van het intelligentie-onderzoek en iemand van het sociale wijkteam. Ze kwamen net van ‘een groot overleg’ over Karel, vertelden ze. En ze wilden even binnenkomen.

Voor dat overleg was Yvonne zelf ook uitgenodigd, maar ze had geweigerd te komen. Geen oppas, zegt ze daar nu over. En bovendien: haar advocaat kon er niet bij zijn. De bijeenkomst was toch doorgegaan. Ze hadden zonder haar vergaderd over de vervelende situatie op school, die was ontstaan na het incident met de piemel. Nu kwamen ze verslag uitbrengen.

Yvonne voelde weinig voor zo’n onaangekondigd gesprek. Liever maakte ze een afspraak. Maar de drie bezoekers bleven aandringen. De psycholoog, zegt Yvonne, zette zelfs haar voet tussen de deur.

Even later was iedereen toch binnen. Ze vertelden dat Yvonne en Karel voorlopig niet meer op school mochten komen. Karel zou voor een afkoelingsperiode van twaalf weken naar een andere basisschool gaan. Ook wilde de gemeente ‘ambulante spoedhulp’ inschakelen: een hulpverlener gaat zich dan intensief bemoeien met een gezin.

Het viel Yvonne rauw op haar dak. Waarom spoedhulp? Karel werd gepest op school! Daar moesten ze iets aan doen!

Uit wanhoop stormde ze naar boven. Ze keerde terug met Karel en vroeg de bezoekers ‘op dwingende toon’, zoals de psycholoog zich later zou herinneren, aan haar zoon te vertellen dat hij de volgende dag niet ‘naar zijn vriendjes’ mocht.

De psycholoog weigerde dit. Ze spoorde Yvonne aan Karel weer naar boven te brengen. Dat deed ze. Kort daarna zette Yvonne het bezoek de deur uit.

Tien dagen later volgde de spoeduithuisplaatsing.

De slaapkamer van Karel in zijn moeders huis. Beeld Harry Cock / de Volkskrant
De slaapkamer van Karel in zijn moeders huis.Beeld Harry Cock / de Volkskrant

Het ‘groot overleg’ waarbij besloten werd dat Karel tijdelijk naar een andere school moest, zou nog een pijnlijk staartje krijgen. Yvonne ontdekte namelijk dat de psycholoog tijdens die bijeenkomst het dossier van een andere Karel had voorgelezen, een jongen die ongeveer even oud was.

Zelf denkt Yvonne dat de verwisseling van het dossier een belangrijke rol heeft gespeeld bij de uithuisplaatsing van haar zoon. Die andere Karel kampte met depressieve gevoelens en in zijn familie kwamen psychische problemen voor.

De Klachtencommissie Jeugd Midden-Nederland, waar Yvonne een zaak had aangespannen, gaf haar in de zomer van 2021 deels gelijk. De commissie oordeelde dat er fouten zijn gemaakt rondom de start van de uithuisplaatsing van Karel, zoals de dossierverwisseling. ‘Veel van wat volgde’, zo stelde de commissie, ‘lijkt te zijn ingekleurd door deze ‘valse start’.’

RTV Utrecht pikte de zaak op. ‘Psycholoog verwisselt dossiers: verkeerde kind uit huis geplaatst’, kopte de website in september. Het leidde tot flink wat media-aandacht en tot Kamervragen. ‘Er is weliswaar een formulier verwisseld in een dossier’, antwoordde minister Sander Dekker (Rechtsbescherming) daarop, ‘maar dit heeft niet geleid tot een persoonsverwisseling in het verdere proces.’

Ook de jeugdbeschermingsorganisatie die destijds betrokken was bij de uithuisplaatsing van Karel sprak de berichtgeving tegen. Save Jeugdbescherming sprak op haar website van ‘een volstrekt onnavolgbare conclusie van RTV Utrecht dat het verkeerde kind uit huis geplaatst zou zijn’.

Wat staat er in stapel documenten

Wat was er dan wel gebeurd? Dat is in grote lijnen te reconstrueren op basis van een stapel documenten, die Yvonne de Volkskrant ter beschikking stelde. In die documenten zijn geen duidelijke verwijzingen te vinden naar het dossier van de andere Karel.

Uit een beschikking van de rechtbank in Utrecht blijkt dat de rechter op 15 april 2016 akkoord ging met de voorlopige ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van Karel. Dit document stelt dat er incidenten hadden plaatsgevonden op het schoolplein van de school voor speciaal basisonderwijs in Hilversum, waar Karel toen pas twee dagen kwam.

De Raad van de Kinderbescherming verklaarde tegenover de rechter dat Yvonne bij de school zou hebben geroepen ‘dat haar leven over is, dat de bom gaat barsten en iedereen het wel zal merken’. Ze zou daarbij onsamenhangend hebben gesproken en niet tot rede gebracht kunnen worden. Vanwege dit gedrag was het volgens de school, het wijkteam en jeugdbeschermingsorganisatie Save ‘onverantwoord’ om Karel het weekend in te laten gaan met zijn moeder.

Wat daarbij meespeelt, zo stelt de Raad voor de Kinderbescherming, is dat de moeder verwikkeld is in burenruzies, niet beschikt over een sociaal netwerk en een jaar eerder een hartstilstand had gehad, veroorzaakt door stress. Ook als de moeder Karel ‘lichamelijk niets zal aandoen’, is haar gedrag zo belastend voor haar zoon dat er sprake is van een acute en ernstige bedreiging van het kind ‘alsmede van onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige’.

Yvonne zegt nooit een hartstilstand te hebben gehad. Wel kreeg ze tweemaal een hartinfarct, maar dat was pas na de uithuisplaatsing. Ook van burenruzies was volgens haar geen sprake. Hooguit herinnert ze zich ‘een korte woordenwisseling’ met één buurman, die zonder het te vragen op het zwakke dak van haar garage liep.

Een document dat een hulpverlener van jeugdzorgorganisatie Youké vlak na de uithuisplaatsing opstelde, meldt dat de school zich zorgen maakte over ‘de toestand van moeder en wat moeder zou kunnen doen’. Er waren in de paar dagen dat Karel er rondliep ‘diverse incidenten’ geweest ‘waarbij moeder scheldt en schreeuwt’, ook in het bijzijn van Karel. ‘De bom gaat barsten’, zou ze een paar keer gezegd hebben. En: ‘Ik trek het niet meer.’ Ook zou ze aangekondigd hebben met Karel naar een vriendin in Luxemburg te vertrekken.

Ook met al deze beweringen is Yvonne het oneens, blijkt uit de krabbels die ze in de kantlijn van het document plaatste. ‘Onzin, duimzuigerij, leugens!’ schrijft ze. En verderop: ‘Nooit plaatsgevonden!’

Zorgen van instanties

‘Over mijn lijk.’ Die drie woorden bij de psycholoog lijken Yvonne in grote problemen te hebben gebracht. Ze zijn verkeerd geïnterpreteerd, zegt ze. Anders kan ze niet verklaren hoe de betrokken organisaties erbij kwamen dat ze er met Karel een einde aan zou willen maken, als hij naar het speciaal onderwijs zou moeten.

Want dat schreef jeugdzorgorganisatie Youké, die de ambulante hulp had verleend, in een verslag over de spoeduithuisplaatsing. Dat ze er een einde aan zou maken. En dat ze dat bij de kinderpsycholoog gezegd zou hebben.

Klopt niets van, zegt ze daar nu over. Maar het bleef haar achtervolgen. Zo schreef ook de Raad voor de Kinderbescherming een paar maanden na de uithuisplaatsing op de eerste pagina van een rapport: ‘Er bestaat een gerede zorg dat moeder Karel iets zal aandoen.’

Waarop die gerede zorg gebaseerd was - behalve een paar boze uitspraken - bleef in het midden. In het document van 13 pagina’s werd verder niet onderbouwd dat Karel daadwerkelijk gevaar liep.

Wel noteerde de raad dat Karel op de tweede basisschool grensoverschrijdend gedrag vertoonde. ‘Hij vloekt en scheldt tegen de juf en klasgenootjes’, schreven de onderzoekers. ‘Hij laat zijn geslacht zien aan een klasgenootje en maakt met zijn kleding aan vrijbewegingen. Karel speelt computerspellen voor 18+ bestemd. Karel stottert en scoort slecht op school.’

De raad meldde daarnaast dat Yvonne er grote moeite mee had dat Karel naar het speciaal onderwijs zou moeten. In het bijzijn van Karel had ze over ‘een mongolenschool met idioten’ gesproken, waar hij dan ‘met het gekkenbusje’ heen zou moeten. Elders schreven de onderzoekers dat Yvonne zichzelf ‘niet meer in de hand’ zou hebben en dat ze het belang van Karel niet meer voorop stelde.

Al met al concludeerde de raad dat er sprake was van een ‘zodanig ernstig bedreigde ontwikkeling van Karel’ dat hij niet meer thuis kon wonen.

Kritiek van deskundigen

‘Ik durf te zeggen dat er in deze casus ab-so-luut geen reden is voor een spoeduithuisplaatsing’, zegt Mariëlle Bruning. Ze is hoogleraar jeugdrecht aan de Universiteit Leiden. ‘Ik zie hier een conflict met scholen. Ik zie geen urgentie voor een uithuisplaatsing op dezelfde dag.’

Bruning is een van de drie deskundigen die de Volkskrant de zaak van Yvonne en Karel voorlegde. Zij lazen, onafhankelijk van elkaar en met toestemming van Yvonne, onder meer de rechterlijke beschikking van de spoeduithuisplaatsing, het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming en het verslag van de ambulante hulpverlener van Youké.

Voor zover zij kan beoordelen, zegt Bruning, had deze situatie anders kunnen worden opgelost. ‘De hulpverlening kan soms een defensieve houding aannemen. En dan is een spoeduithuisplaatsing bijna de gemakkelijkste oplossing. Je haalt een kind weg zonder gedoe van het horen van de ouders en een rechtszitting. Dat deze moeder lastig is en geen sterk sociaal netwerk heeft mag geen reden zijn voor een spoeduithuisplaatsing.’

En als de moeder vervolgens boos wordt, wordt dat tegen haar gebruikt, valt Bruning op. ‘Terwijl haar boosheid te verklaren is: wat haar het meest dierbaar is wordt haar afgenomen. En daarna wordt moeder nog lastiger en ontstaat een juridische strijd. Logisch, de moeder vecht voor haar kind.’

Ook Peer van der Helm ziet na lezing van de dossierstukken geen grond om over te gaan tot een spoeduithuisplaatsing. Van der Helm is lector residentiële jeugdzorg en sinds dit jaar bijzonder hoogleraar Onderwijs en zorg voor leerlingen met een cognitieve beperking aan de Universiteit van Amsterdam.

Een belangenconflict - dat is wat Van der Helm ziet in deze zaak. ‘En niet zozeer een direct fysiek gevaar.’ Er is volgens hem te weinig gedaan om een uithuisplaatsing te voorkomen. ‘School en hulpverlening zijn het niet eens met moeder en dan ontstaat een conflict. Er had een deskundige kunnen worden ingeschakeld om te bemiddelen. In de stukken worden bovendien meningen gepresenteerd als feiten zonder onderbouwing. Er is sprake van een détournement de pouvoir (misbruik maken van toegekende bevoegdheden, red.) om eigen gelijk te bevestigen.’

Als voorbeeld daarvan noemt Van der Helm de stelling dat deze moeder niet in staat zou zijn om voor haar zoon te zorgen. Dit is volgens Van der Helm destijds onvoldoende onderzocht en onderbouwd. De instanties leggen daarbij volgens Van der Helm de ‘eenzijdige focus op wat niet goed gaat, in plaats van op wat wel goed gaat’.

Kinderpsychiater Peter Dijkshoorn komt tot dezelfde conclusie. In het dossier van Yvonne en Karel leest hij geen redenen die een spoeduithuisplaatsing rechtvaardigen. ‘Zonder een degelijke analyse is besloten tot ongeveer de zwaarste beslissing die er bestaat voor een kind en een ouder’, zegt hij. ‘Moeder heeft geen passende hulp gekregen. Het is de instanties niet gelukt om goed contact met haar te maken.’

In de slaapkamer van Karel. Beeld Harry Cock / de Volkskrant
In de slaapkamer van Karel.Beeld Harry Cock / de Volkskrant

Ook op een ander punt zijn deze drie deskundigen opvallend eensgezind. ‘Er zijn te veel spoeduithuisplaatsingen. Het aantal moet omlaag’, zeggen ze alle drie, los van elkaar. Ze vinden het belangrijk dat er meer aandacht komt voor het fenomeen.

‘Ik maak me grote zorgen over de manier waarop de instanties met spoeduithuisplaatsingen omgaan’, zegt hoogleraar Bruning. ‘Bij dergelijke uithuisplaastingen hebben ouders en kind de minste rechtsbescherming. Pas uiterlijk 14 dagen later worden ze gehoord. Dat duurt te lang. Het middel heeft bovendien nog meer impact op ouders en kinderen dan een ‘gewone’ uithuisplaatsing.’

Ze ziet soms dat de jeugdbescherming of de kinderbescherming niet meer dan een A4-tje naar de kinderrechter stuurt, die daar dezelfde dag zo’n zware beslissing over moet nemen. ‘Er zijn volgzame rechters die zeggen: dat zal wel waar zijn. Er zijn inmiddels ook rechters die wat kritischer kijken. Die zeggen dan: we kunnen dit verzoek ook over twee weken op zitting behandelen.’

Wat Bruning ook opvalt: het gebrek aan onderzoek naar dit onderwerp. ‘Je zou willen dat de verschillende zaken met een spoeduithuisplaatsing worden onderzocht: is het middel op de juiste manier ingezet? Hoe wordt het toegepast? Van de zaken die ik onder ogen krijg, krijg ik vaak een ongemakkelijk gevoel.’

Het draait volgens haar om hoe wordt omgegaan met de vraag: is er sprake van direct en plotseling gevaar? ‘Dat begrip van acuut en ernstig gevaar wordt soms te ruim geïnterpreteerd.’

Ook Peer van der Helm zegt dat hij ‘aan de lopende band’ zaken ziet zoals die van Yvonne en Karel. De procedure van uithuisplaatsingen moet beter en transparanter’, vindt hij. ‘Dat kan alleen als er geld bij komt voor jeugdbeschermers en rechters om te komen tot goed onderzoek en een zorgvuldig en afgewogen oordeel. Nu lijkt het erop dat jeugdbeschermers een bepaald probleem uitlichten om een maatregel er door te krijgen. Eigenlijk zou je moeten zeggen: we staan geen spoeduithuisplaatsingen toe, tenzij er sprake is van moord en doodslag.’

Karels step staat in de gang

In het huis van Yvonne hangt een vrolijke foto van Karel aan de muur. Zijn knutselwerkjes prijken op de koelkast. Zijn step staat in de gang. Ook zijn kamer is niet veranderd sinds zijn uithuisplaatsing bijna zes jaar geleden. Al is Karel er sindsdien nooit meer geweest. ‘Als hij met een uur voor de deur staat, hoef ik alleen zijn bed op te maken’, zegt ze.

Karels step is al die vijf jaren in de gang blijven staan. Beeld Harry Cock / de Volkskrant
Karels step is al die vijf jaren in de gang blijven staan.Beeld Harry Cock / de Volkskrant

Een paar weken nadat ze Karel op school hadden afgevoerd zette de kinderrechter de voorlopige ondertoezichtstelling om in een gewone ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar. Volgens de rechter was meer onderzoek nodig naar de opvoedkwaliteiten van de moeder en de redenen van de ontwikkelingsachterstand van haar zoon. Karel bleef dus bij een pleeggezin wonen. Elk jaar verlengde de rechter de maatregel.

Yvonne zag haar zoon eens in de paar weken op een kantoor van jeugdzorg of op een terrein van Natuurmonumenten. Ze konden daar een uur met elkaar praten en spelen. En zo verstreek de tijd, wat in zulke kwesties altijd in het nadeel van de ouders is. Want hoe langer een kind in een pleeggezin woont, hoe sterker het argument wordt dat een kind inmiddels zo gehecht is aan zijn nieuwe situatie dat terugplaatsing bij de biologische ouders niet in zijn belang is. Ook Karel worstelt inmiddels met een loyaliteitsconflict tussen zijn echte moeder en zijn pleegmoeder, constateren onderzoekers.

Ondertussen werd Yvonne alleen maar bozer. De instanties deden door de jaren heen wel een paar onderzoeken, maar nooit leken die gericht op de vraag onder welke voorwaarden Karel weer bij haar zou kunnen wonen. Ook daarin gaf de Klachtencommissie Jeugd Midden-Nederland haar afgelopen zomer gelijk. De commissie hekelde ‘het achterwege blijven van serieus onderzoek naar de terugplaatsingsmogelijkheden van Karel’.

Het roept de vraag op wat er gebeurd zou zijn als Karel die dag niet uit huis was geplaatst. Misschien was het dan - zelfs met de juiste hulp - ook niet altijd van een leien dakje gegaan, maar het had veel leed kunnen voorkomen. En zakken met geld kunnen besparen. Probleem is echter dat ondersteuning voor en kinderen vaak niet beschikbaar is. De gemeenten, die sinds 2015 verantwoordelijk zijn voor jeugdzorg, kampen geregeld met financiële tekorten.

Dat is het verhaal dat Yvonne wilde vertellen. Niet omdat ze graag in de spotlights staat. Niet omdat ze graag praat over de middag die het leven van haar en haar zoon op z’n kop zette. En niet omdat ze het fijn vindt om persoonlijkheidsonderzoeken en rapporten over haar zoon met twee journalisten te delen.

Ze doet het in de hoop dat ze er nog een steen mee kan verleggen in de aanloop naar het hoger beroep op 27 januari. Dan zal het gerechtshof beoordelen of haar terecht het ouderlijk gezag is ontnomen.

‘Dit is het enige wat ik nog kan doen’, zegt ze.

Raad voor de Kinderbescherming en jeugdbeschermingsorganisaties reageren

Bij een spoeduithuisplaatsing vindt de Raad voor de Kinderbescherming of de jeugdbeschermingsorganisatie direct ingrijpen noodzakelijk, zonder uitgebreid onderzoek, omdat het kind acuut in zijn veiligheid wordt bedreigd. Die vraagt hiervoor om een spoedmaatregel diezelfde dag van de kinderrechter. De rechter kan dan een zogeheten voorlopige ondertoezichtstelling uitspreken, van maximaal drie maanden. In die periode kan verder onderzoek worden gedaan. De kinderrechter bepaalt later in een rechtszitting of hij de voorlopige ondertoezichtstelling al dan niet verlengt met een jaar.

Vanwege privacyregels kunnen jeugdbeschermingsorganisaties niet ingaan op specifieke zaken. In algemene zin zegt de brancheorganisatie Jeugdzorg Nederland dat de jeugdbeschermingsorganisaties zeker niet lichtvoetig omgaan met het middel van de spoeduithuisplaatsing. ‘Het gebeurt zo min mogelijk, alleen bij uiterste nood’, zegt de woordvoerder. ‘En er is een toets van de rechter. Daarna volgt zo snel mogelijk een zitting.’

Bij de spoeduithuisplaatsing van Karel was Save jeugdbescherming betrokken. Inmiddels is de zaak in handen van de jeugdbeschermingstak van het Leger des Heils. ‘In onze werkwijze zijn we zeer terughoudend met een (spoed)uithuisplaatsing. Het is helaas niet altijd te voorkomen’, zegt een woordvoerder van Save jeugdbescherming, die dit artikel vooraf ter inzage heeft gekregen. Meer wil hij niet zeggen. ‘De privacywetgeving en het belang van de betreffende jongen weerhouden ons ervan om inhoudelijk te reageren op het artikel.’

De Raad voor de Kinderbescherming, die het artikel eveneens vooraf ter inzage heeft gekregen, houdt het eveneens bij een algemene reactie vanwege de privacyregels. ‘Spoeduithuisplaatsingen zijn zeer ingrijpend, voor ouders en kinderen. Het middel wordt ingezet om de veiligheid van het kind te waarborgen. Voordat we een spoeduithuisplaatsing aanvragen bij de rechter, bekijken we eerst of er mogelijk alternatieven zijn. In de helft van de gevallen dat we een spoeduithuisplaatsing overwegen na een spoedmelding, vinden we ook een alternatief lichter middel waarmee we deze ingreep voorkomen.

‘Het recht van het kind om bij de ouders op te groeien speelt altijd een rol in de onderzoeken en beslissingen van de Raad voor de Kinderbescherming, het recht op bescherming van de veiligheid van het kind ook. Een spoeduithuisplaatsing is nooit het beste middel, maar wel het uiterste middel. Het wordt ingezet als ouders niet willen meewerken als hulp noodzakelijk is voor de veiligheid van het kind en er niet langer gewacht kan worden. En als de ontwikkeling van het kind ernstig wordt bedreigd als er niet direct wordt ingegrepen. Wij maken dus een afweging tussen het recht van het kind om bij de ouders te blijven en het recht op veiligheid van het kind. Bij voorkeur is die uithuisplaatsing van korte duur.’

Meer over