'Irak sloeg geen wapens op, maar kon ze snel maken'

De Irakoorlog heeft de strijd tegen terreur geschaad, is de stelling waarmee oud-CIA-topman Clarke deze week voor opschudding zorgde....

Weinig mensen zijn beter op de hoogte van de aard van Saddam Husseins regime en Iraks verboden wapenprogramma's dan de Zweedse topdiplomaat Rolf Ekéus, die van 1991 tot 1997 de VN-wapeninspectiemissie in Irak (Unscom) leidde. Ekéus, die nu in Den Haag een hoge functie vervult voor de OVSE, zei vlak voor de Irakoorlog: 'Ik kan me niet voorstellen dat Saddam de afgelopen vier jaar heeft stilgezeten, zwemmend in het geld, met zijn topteams van wapenspecialisten.'

Een jaar later reageert hij hoofdschuddend op de Amerikaanse wapeninspecteur David Kay, die geen verboden wapens in Irak vond en opstapte met de woorden 'We zaten er bijna allemaal naast.' Voor Ekéus was en is de dreiging reëel en is het fundamentele veiligheidsprobleem van de regio, de (nucleaire) rivaliteit tussen Iran en Irak, nog allerminst opgelost.

Maar eerst de verboden wapens. Die zijn toch niet gevonden? 'Die nadruk op wapenarsenalen heb ik altijd dom gevonden', zegt Ekéus resoluut. Tenslotte hadden 'zijn' inspecteurs de meeste daarvan al vernietigd. 'Irak richtte zich niet op het opslaan van wapens, maar het instandhouden van de teams die zich met die wapens bezighielden.' Die les hadden de Irakezen getrokken uit de oorlog met Iran (1980-'88). 'Ze konden de kwaliteit van de giftige materialen niet stabiliseren, dus kwam de nadruk te liggen op het direct overbrengen van vers spul naar het slagveld.'

Ekéus wijst op het probleem dat de 'gewone ondersteuningsindustrie' voor de landbouw volstaat voor het maken van verboden wapens. De expertise zit bij de wetenschappers zelf. Hij verwacht dat Kays opvolger Charles Duelfer 'minder tijd zal verspillen aan het heen en weer rennen op zoek naar geheime schuilplaatsen', en zich zal richten op het penetreren van de wapenteams. Wat deden die de afgelopen vier jaar? Hij moet niets hebben van 'fantasieën' over wetenschappers die Saddam voor de gek hielden met nepresearch. 'Dat zou een uiterst risicovolle aanpak zijn', zegt hij en hij maakt met zijn wijsvinger een snijbeweging over zijn hals.

Volgens Ekéus heeft David Kay nu wel tegenover iedereen, 'zelfs Bush', bevestigd dat de VN-inspecties effectief waren. Hij velt een hard oordeel over 'de aannames en het giswerk' van de geheime diensten over wat zich na 1998 in Irak afspeelde. 'Zij gingen dat wat mogelijk was, waarschijnlijk noemen. Maar politici zetten de laatste stap - van waarschijnlijkheid naar feit.'

Toch verdedigt Ekéus de pleidooien voor optreden en beticht hij critici van Bush en Blair van de 'trivialisering' van een grote bedreiging van de vrede. 'We moeten terug naar 1991. Toen hebben alle geheime diensten en politici de nucleaire dreiging van Irak onderschat, wat hen op hevige kritiek kwam te staan. Dus de les was: onderschat de dreiging niet. Dan is het unfair om nu die politici te beschuldigen van de intentie te misleiden. Bovendien kun je niet ten strijde trekken en zeggen ''waarschijnlijk is er een dreiging''. Je moet een besluit nemen. Als je gelooft dat de dreiging reëel is, trek je ten strijde, anders niet.'

Ekéus pleitte in 2002 zelf voor meer en 'dwingende' inspecties, maar hij erkent dat 'het probleem- Saddam' op de lange termijn onhoudbaar was. Enerzijds hadden de VS en hun bondgenoten zelf de deur dichtgegooid naar inspecties en sancties. 'In 1997 zei toenmalig minister Madeleine Albright in een rede: ''Zolang Saddam aan de macht is, blijven de sancties''. Waarom zouden we nog meewerken, zeiden de Irakezen toen. Dus gingen ze de zaak saboteren.'

En in 1999 beging de Veiligheidsraad de 'grote blunder' om de Brits-Nederlandse resolutie 1284 aan te nemen. Daarin was niet langer sprake van het 'opheffen' van sancties als Irak meewerkte, maar slechts van het tijdelijk opschorten ervan. 'De resolutie was te hard', meent Ekéus. 'Anders hadden de Irakezen toen al meegewerkt aan een nieuw sanctieregime.'

Tegelijk is Ekéus ervan overtuigd dat Hussein altijd naar die verboden wapens zou blijven streven. 'Irakezen geloven dat Iran de oorlog had gewonnen als Irak geen chemische wapens had ingezet. En ze weten al heel lang dat Iran aan een kernbom werkt. Daarom hebben ze al in 1983 de Bushir-centrale gebombardeerd, net zoals in 1981 Israël de Iraakse Osirak-reactor had bestookt. Tel die twee dingen bij elkaar op - Iran dat werkte aan een kernwapen en het geloof dat chemische wapens voor Irak de oorlog hadden gered - en je weet dat Irak zijn wapenambities niet had opgegeven. Als Saddam had kunnen aanblijven, zou hij zich hebben hersteld.'

De enige structurele oplossing voor dit probleem ziet Ekéus in een permanente veiligheidsordening die toeziet op de de-nuclearisering van zowel Irak als Iran. Hij moet weinig hebben van 'de Freudiaanse methode' van landgenoot Hans Blix, die de oorlog in Irak wijt aan een 'psychologische behoefte' in Washington. 'Zo kan iedereen redeneren die een slok op heeft. Maar het ging om Realpolitik en het bewaken van stabiliteit. Daarin speelde het beschikbaar blijven van olie op de vrije markt een rol evenals de al voor 11 september levende wens van de neoconservatieven om Hussein te verjagen.'

Ekéus noemt het 'schandalig' dat lang alle aandacht uitging naar Irak, maar niet naar Iran. 'Ga maar na. Eerst steunde het Westen de sjah tegen Saddam, daarna werd Iran het probleem en dus steunde men Irak. Toen viel Irak Koeweit binnen en toen konden ze niet Iran tegen Koeweit gebruiken.' Veel zinvoller was de strategie waar de VS midden jaren negentig op uitkwamen: de 'dubbele indamming' van Irak én Iran. Dat sloot aan bij een ouder Egyptisch voorstel voor een regionaal veiligheidsarrangement. Ekéus noemt het 'erg teleurstellend' dat niemand het daar nu over heeft, maar hij is hoopvol over het Amerikaanse 'Greater Middle East Initiative', waar deze ideeën ook in zitten.

Wel betwijfelt de ervaren diplomaat inmiddels of het Westen nog wel over leiders beschikt die zo'n visionair plan kunnen dragen. 'Helaas is hierover alweer veel jaloezie en misbaar en onderlinge kritiek tussen Amerikanen en Europeanen', merkt Ekéus op. 'Het onderstreept nog eens het totale gebrek aan staatsmanschap van deze tijd.'

Meer over