Inzet: goed Imago: onvoldoende

De uitval is minder dan vroeger en het verzuim is lager. Toch kampt het vmbo nog altijd met zijn imago, blijkt ook uit het overzichtswerk Vmbo in perspectief....

Het komt geregeld voor, ouders die zeggen: mijn zoon moet en zal naar vmbo-t. Daarin zijn de ouders van de kinderen die naar het Kandinsky College in Nijmegen gaan, niet anders dan andere ouders van kinderen met een vmbo-advies.

Als Maria Urselmann, teamleider vmbo-t en havo onderbouw van de Nijmeegse scholengemeenschap, zulke mensen treft, zegt ze: vertel eens wat meer over uw zoon? ‘Blijkt hij nog geen tien minuten stil te kunnen zitten en heel erg van timmeren te houden.’

Waarom dan toch per se vmbo-t, denkt ze dan. Maar dat zegt ze niet. ‘Ik neem ouders gewoon mee naar onze vmbo-kader-afdeling.’ Hebben zij eenmaal gezien hoe aangenaam de huisvesting is en hoe pico bello de faciliteiten, denken ze er vaak heel anders over.

‘Alsof het vmbo-t meer waard is’, zegt Urselmann. ‘Het verschil zit hem in de manier van leren. Veel ouders beseffen het niet, maar op het mbo zitten deze kinderen vaak gewoon weer bij elkaar in de klas en kunnen ze hetzelfde niveau aan.’

Tien jaar bestaat het vmbo nu, sinds 1 augustus 1999. Het vbo (voorbereidend beroepsonderwijs, denk aan lts en huishoudschool) werd met de mavo samengevoegd tot vmbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs). De oude mavo heette voortaan vmbo-t, van theoretisch. Het betere imago van de mavo zou afstralen op het nieuwe schooltype. Maar het tegenovergestelde gebeurde: het slechte imago van het vbo straalde af op de voormalige mavo.

Toch zijn ouders van vmbo-kinderen in de praktijk heel tevreden; ze geven het schooltype een 7,9, blijkt uit onderzoek van TNS/NIPO.

Van buitenstaanders, mensen die nauwelijks of geen ervaring hebben met het vmbo, krijgt het vmbo echter niet meer dan een 5,9. Daarmee is het de enige schoolsoort die onder de 6 scoort.

Voor wie het direct aangaat, is het vmbo dus een zegen. Ieder ander is zacht gezegd kritisch. Tien jaar na de introductie is het nog altijd een onderwerp van discussie. Zo heette de landelijke conferentie die maandag in Ede werd gehouden: 10 jaar vmbo: sprookjesbos of snelweg?

In Nederland bezoekt intussen bijna 60 procent van alle leerlingen – ruim 420 duizend kinderen – het vmbo. De helft van alle kinderen volgt een praktische route (basisberoeps en kader), de rest een theoretische of gemengde leerweg (zie kader).

Wat er allemaal is veranderd en wat de verschillen tussen de ‘trajecten’ zijn – onderzoekers Renée van Schoonhoven (van bureau Actis Advies) en Frank Studulski (van Sardes) hebben het op een rij gezet in hun overzichtswerk Vmbo in perspectief, dat tijdens de conferentie werd gepresenteerd. Maar één ding is wel duidelijk: het vmbo kampt nog altijd met een imagoprobleem.

Een vergaarbak, alleen maar allochtonen, er wordt gevochten, probleemkinderen, afvoerputje: op het Kandinsky in Nijmegen kennen ze de vooroordelen ook. ‘Dit zijn wel de kinderen die straks je haar knippen bij de kapper, voor je zieke moeder zorgen of op je kinderen passen in het kinderdagverblijf’, zegt Marjo Verberk, afdelingsleider zorg en welzijn.

Maar het is er met al die namen en leerwegen voor de buitenwereld ook niet duidelijker op geworden, erkent collega Mariet van de Ven, directeur van de vmbo-locatie voor economie en verzorging. Hoewel: ‘De naamgeving zou irrelevant moeten zijn. Het gaat toch om de inhoud en het resultaat?’

Ten tijde van de invoering van het vmbo in 1999 waren Van de Ven en Verberk ook al werkzaam op het Kandinsky. In Nijmegen hebben ze de kans op onderwijsvernieuwing met beide handen aangegrepen. Zo moesten de kinderen op hun school indertijd op hun 12de al weten of ze bakker, timmerman of kapper wilden worden. ‘Maar welk kind van 12 weet dat nou?’, zegt Verberk.

Tegenwoordig kiezen de leerlingen van het Kandinsky voor een sector in plaats van een beroep, en dat gebeurt pas op hun 14de.

Verberk: ‘We laten ze aan allerlei vakken proeven. Het meisje dat kapper wil worden, ontdekt zo misschien dat ze met bejaarden werken veel leuker vindt.’ Ook simuleert de school niet langer werkomstandigheden, de kinderen gaan echt aan het werk: in de ontmoetingsruimte van een bejaardenflat, het restaurant van de school, of in een winkel of een kinderdagverblijf.

De resultaten van tien jaar vmbo stemmen de schoolleiding dan ook tevreden. De uitval is minder dan vroeger, het verzuim is lager en de aansluiting op het mbo is verbeterd. Het is precies wat allerhande onderzoeken uitwijzen en vmbo-directeuren al jaren roepen: grosso modo gaat het best goed met het vmbo. Van de Ven: ‘We hebben leerlingen echt zien opbloeien.’

Op de afdeling zorg en welzijn zitten vier meisjes op een rij te werken achter hun computers. Sena (16) is met wiskunde bezig, Mina (16) en Montana (15) werken aan een stageverslag. Ook Jamie (16) maakt een verslag. Ze is nieuw op school, ze komt van de havo. ‘Eerst moest ik naar vmbo-t, maar dat ging ook niet goed. Hier bij kader is het veel leuker. Je hebt geen huiswerk en je mag dingen doén – dat is veel fijner.’

Trots: ‘Op de andere school spijbelde ik de hele tijd, omdat ik school stom vond, nu nooit meer.’

De gevolgen van het negatieve imago van de laagste vmbo-niveaus zijn al merkbaar. In vijf jaar tijd is het leerlingaantal met eenderde gedaald op de Nijmeegse school. Niet omdat kinderen plotseling en masse beter kunnen leren. Maar vanwege de angst van ouders voor die laagste niveaus, zeggen Verberk en Van de Ven.

Ouders zijn statusgevoelig en zien hun kind liefst advocaat of dokter worden. ‘Op basisscholen proberen ze er koste wat kost een vmbo-t-advies uit te slepen voor hun kind’, aldus Van de Ven. De overheid had daar volgens haar best een stokje voor kunnen steken. ‘Ze hadden moet zeggen: vmbo-t moet op dezelfde locatie als kader en basis zitten. Nu is dat heel vaak niet zo. Het zijn twee werelden.’

Wat ze ook steeds vaker ziet: dat scholen de oude naam mavo weer gaan gebruiken. Volgens Van de Ven ‘uit pr-overwegingen’. ‘Het is nooit bij wet verboden. Als een school dat wil, mag dat. Die scholen zenden een verkeerd signaal uit. Mavo zal wel beter zijn dan vmbo, denken ouders dan.’

En wat collega Verberk dwarszit: dat alle leerlingen niveau 2 mbo moeten halen, als zogenaamde startkwalificatie om te mogen werken. ‘Dat haalt niet iedereen. Waarom zou je die kinderen verplicht laten doorleren, terwijl ze al prima met hun handen kunnen werken. Dat zorgt alleen maar voor frustraties.’

Het heeft allemaal te maken met de overwaardering van handwerk versus hoofdwerk, zegt Verberk. ‘Een vak is mooi, maar niet voor mijn kind.’

Meer over