Intieme en imponerende aria van het gezicht

Het portret. Tekeningen, prenten en foto's. Tot en met 29 oktober in het Rijksmuseum Amsterdam...

PAUL DEPONDT

De dichter Petrarca noemt het 'de aria van het gezicht', die wonderbaarlijke mime van het gelaat. Portretten tonen dat gezang, het gerimpelde gezicht, de onrustige ogen, de scherpe mondhoeken en de bolle wangen. Het Rijksmuseum exposeert een keuze uit vijfhonderd jaar portretten en zelfportretten, naast etsen van Rembrandt en Vincent van Gogh ook foto's van Nadar en Man Ray.

Soms zijn het grimassen, bedoeld of onbedoeld, beklagenswaardige gezichten die hun neus optrekken, de ogen wegdraaien, de lippen samenpersen en de wenkbrauwen fronsen. Maar meestal zijn het gestileerde gezichten, gepolijst en opgedirkt, gekoesterd en verfraaid.

Het menselijk gelaat van geliefden, opdrachtgevers, kinderen of van de kunstenaar zelf blijkt altijd inspiratie te bieden die leidt tot de meest intieme en zelfs imponerende resultaten. In facie legitur homo, het gezicht toont de mens. De expressieve portretten van Edward Munch (portret van Henry van de Velde), de schitterende ets die Paul Gauguin maakte van de dichter Stéphane Mallarmé of het zelfportret van Paul Cézanne tonen 'op papier' de ziel van de geportretteerde.

In het Rijksprentenkabinet van het Rijksmuseum zijn in vitrines fabelachtig geëtste portretten te zien van Albrecht Dürer (de bekende prent van Erasmus), een ranke figuur van Amadeo Modigliani (het portret van Jean Cocteau), foto's van de elegante Peggy Guggenheim en van George Sand, en zelfportretten van Rembrandt van Rijn, Sir Antony van Dyck en Dick Ket.

Al eeuwenlang zijn portretprenten en portrettekeningen een geliefd verzamelobject. Vele van die portretten maakten deel uit van historische atlassen of van een topografische verzameling. Omstreeks het midden van de negentiende eeuw zijn enkele collectionneurs systematisch portretten gaan beschrijven. Eén van de eersten die een catalogus samenstelden was de Leidse verzamelaar en uitgever J. T. Bodel Nijenhuis (1795-1872), die een lijst van zijn collectie portretten van drukkers en boekhandelaren uitgaf.

In 1853 publiceerde de Amsterdamse verzamelaar Frederik Muller een catalogus van zevenduizend in prent gebrachte beeltenissen van beroemde en minder bekende landgenoten en buitenlanders als Alva of Descartes. Toen hij stierf nam zijn zoon Daniel Franken Dzn de collectie (vooral Oranjeportretten) van zijn vader over en vulde die verder aan. Toen hij in 1871 naar Parijs verhuisde, schonk hij de collectie portretprenten van Nederlanders en die van leden van het huis van Oranje aan het Rijksprentenkabinet dat toen nog gevestigd was aan de Kloveniersburgwal, een archief van het gezicht.

Het kabinet verwierf later een uitgebreide portrettencollectie die afkomstig was van de Duitse kunsthandelaar W. E. Drugulin en de collectie Gerritsen, vooral kunstenaarsportretten. In 1994 kwam er door overdracht van de fotografieverzamelingen van B. Hartkamp en W. Diepraam een belangrijk segment portretten bij. In één klap werd het aantal portretten met vele duizenden foto's uitgebreid, onder meer cartes-de-visite en kabinetfoto's, waarvan er enkele worden geëxposeerd.

Als het gezicht de spiegel van de ziel is, dan kan je door je gezicht te vertrekken die ziel vormgeven. Misschien is dat de reden waarom mensen zich laten portretteren. Iedereen probeert zijn ziel van de ondergang te redden en zich voor de buitenwereld van een fraai gezicht te voorzien. Op die manier is het portret, of het nu een grimas toont, een getormenteerd gezicht of een goedlachs type, altijd ook een verhaal: het relaas van een individu.

Paul Depondt

Meer over