InterviewAccordeonist Richard Galliano‘Perfectie is niet interessant’

De accordeon, het instrument van de platte walsjes en de musette, produceert in de handen van Richard Galliano een klank van grote allure....

Koen Schouten

Richard Galliano schaamde zich voor zijn instrument. Het stond voor alles waar hij niets mee te maken wilde hebben: ranzige populaire liedjes, ouwelullenmuziek. ‘Als kind verzweeg ik dat ik accordeon speelde. Ik speelde ook piano en trombone, dus vertelde ik dat maar.’ Nog schaamt hij zich wel eens. ‘Als ik een kitscherige foto zie van een accordeonist met zo’n hoofd met een smile en een knipoog boven zijn blaasbalg. Dat beeld heeft veel kwaad gedaan. Terwijl het zo’n magnifiek instrument is. Dus ik ga meestal liever op de foto zonder accordeon.’

De 54-jarige Fransman met Italiaans bloed is de belangrijkste ambassadeur van de mook, het jammerorgel, de tietepletter, trekbuul, penspiano, astmakast, Heimatluft Kompressor ofwel piano des pauvres. Niet omdat hij er mensen op een drammerige manier mee lastig valt, maar simpelweg omdat hij fantastisch speelt. Zoals vanavond, in het fotogeniek afgebladderde Théâtre des Bouffes du Nord, vlak achter Gare du Nord in Parijs. Hij speelt er met zijn septet van strijkers en piano de moderne tango van zijn grote mentor, Astor Piazzolla. Als een van de weinige accordeonisten altijd staand, met zijn vijftig jaar oude en dertien kilo zware Victoria voor de borst.

Galliano lijkt in zichzelf te verdwijnen als hij speelt, de ogen dicht, draaiend met zijn bovenlijf, af en toe door de knieën zakkend. Wanneer hij een stuk in zijn eentje speelt – traditiegetrouw Libertango, in een popversie beroemd gemaakt door Grace Jones, blijkt pas echt hoe rijk een accordeon kan klinken. Hij bespeelt zijn instrument zoals een dirigent een symfonieorkest. Deelt zweepslagen uit, maar laat ook plotseling een fragiele hoge noot in het oneindige verdwijnen.

Hij spreekt en verstaat vrijwel geen woord Engels, maar dat stond een internationale carrière niet in de weg. ‘Ik deins niet terug voor welke muzieksoort dan ook’, vertelt Galliano die middag in de kelder van het theater. ‘Veel mensen denken dat ik de laatste tijd alleen maar met Piazzolla bezig ben geweest. Het septet heeft me veel bekendheid gegeven. Maar ik doe alles naast elkaar. Ik heb een hekel aan muzikaal racisme.’ Onlangs verscheen Galliano’s cd Ruby, My Dear, een echte jazzplaat met de Amerikaanse bassist Larry Grenadier en drummer Clarence Penn. De accordeontraditie is in zijn spel volledig geïntegreerd met die van oude en moderne jazz, wat Ruby, My Dear tegelijk tot een bijzonder frisse en authentieke plaat maakt. Met het New York Trio van die cd zal hij spelen op het North Sea Festival, naast een gastoptreden bij fadozangeres Cristina Branco.

Galliano heeft de accordeon geherintroduceerd in de jazz, waar hij een halve eeuw lang vrijwel uit verdwenen is geweest. ‘Jazz is mijn grote liefde.’ Zijn instrument een curiosum in de jazz? Galliano noemt zo een hele rits jazzaccordeonisten op: ‘Johnny Matthews, Art van Damme, Ernie Felice, Cornell Smelser die bij Duke Ellington speelde . . . En natuurlijk de beste accordeonist die ik ken, Johnny Meyer uit Nederland.’ Hij geeft toe, het instrument was niet courant. Maar hij is ermee opgegroeid.

Zijn vader Lucien was accordeonist en draaide de hele dag accordeonplaten. ‘Ik speel het instrument al zolang ik me kan herinneren. Ik zal een jaar of twee, drie zijn geweest toen ik begon.’ Maar echt verslingerd aan jazz raakte Galliano door de platen van trompettist Clifford Brown met drummer Max Roach. Ondertussen studeerde hij jarenlang, volgde harmonie- en contrapuntlessen aan de muziekacademie in Nice en won eerste prijzen op klassieke concoursen.

Op zijn 22ste vertrok Galliano naar Parijs waar hij drie jaar lang dirigeerde, componeerde en arrangeerde voor de jazzy chanteur Claude Nougaro. ‘Dat was mijn universiteit.’ Maar het belangrijkste was zonder twijfel zijn ontmoeting met Astor Piazzolla, midden jaren zeventig. Ze werden vrienden en tot de Argentijnse tangovernieuwer in 1992 overleed, waren de twee onafscheidelijk wanneer Piazzolla Parijs bezocht. ‘Alle problemen waar ik tegenaan liep, had Astor ook gekend, maar hij had er al dertig jaar ervaring mee. Ook hij was een outcast met zijn instrument. Met een bandoneonkoffer in Buenos Aires over straat lopen, dat was synoniem aan vulgariteit. Astor heeft me iets geleerd wat mijn leven heeft veranderd. Hij zei: je bent veel te Amerikaans georiënteerd. Je bent een Fransman, je moet je bezighouden met de geschiedenis van je instrument in je eigen land.’ Dat betekende: musettes. De ordinaire stokbrood-met-kruidenkaas-muziek waar Galliano juist zo’n afkeer van had. ‘De weerzin bleek uiteindelijk ook veel met het imago te maken te hebben. Het was een heel mooi parcours om te doorlopen, die oude walsjes te bestuderen.’

Nu geldt Galliano als de uitvinder van de Musette Nouveau, zoals Piazzolla de man is van de Tango Nuevo. In het begin stond zijn muziek nog ver af van de traditie. Galliano’s eerste cd Spleen uit 1993 klinkt fusion-achtig, typisch jaren negentig. ‘Ik gebruikte een synthesizer op mijn accordeon en combineerde valse musette en jazz met een moderne variant op Braziliaanse volksmuziek – waar ook veel accordeon in voorkomt. Achteraf was het misschien wat geforceerd. Ik ben daarna steeds authentieker gaan spelen. De muziek moest mijn leefwereld verklanken. En dat was Parijs: poëzie, het Franse chanson, leegte, passie, al die dingen.’

Het maakt Galliano tot een van de meest emotioneel klinkende musici, zeker voor jazzbegrippen. ‘Mensen willen tegenwoordig wel romantiek, maar ze zijn bang voor la tristesse. Ik zoek die juist op. Innerlijke spanning. Krachtige virtuositeit tegenover kwetsbaarheid. Dat voel je resoneren in het publiek. Accordeon is een bijzonder expressief instrument. Veel meer dan piano. Daarop druk je een toets in en je hoort ping, je kunt niets aan het geluid veranderen. Op een accordeon kun je noten laten aanzwellen, verbuigen en je kunt veel meer met harmonie doen. Het is het enige instrument waarbij vier noten onder één knop zitten.’

De tijd is volgens Galliano rijp om dieper de jazz in te duiken. ‘Een cd zoals met mijn New York Trio had vijftien jaar geleden niet gemaakt kunnen worden. In de jaren zestig is de goede populaire accordeonmuziek verdrukt door de rock ’n’ roll en bleef de muffe over. Maar nu zijn we twee generaties verder, de vooroordelen zijn verdwenen. Het publiek luistert beter en accepteert meer. En ikzelf ben er ook klaar voor. Ik ben nu goed vertrouwd met de jazzwereld.

‘Het is tijd jazz uit de marginaliteit te trekken. Het is niet goed marginaal te willen zijn. Uiteindelijk is jazz een populaire muziekstroming.’ Die breng je volgens Galliano niet aan de man door het als een perfect taartje op een zilveren dienblaadje te presenteren. Net als de meeste van zijn cd’s is Ruby, My Dear een live opname. Inclusief foutjes. ‘Vroeger heb ik wel eens fouten verbeterd in de studio. Daar had ik achteraf altijd spijt van. Perfectie is niet interessant. Je moet je fouten cultiveren. Ze maken je anders dan anderen.’

Meer over