Interview: Ronelda S. Kamfer

De Zuid-Afrikaanse Ronelda S. Kamfer (30) gaf de opleiding verpleegkunde eraan toen ze als dichteres werd ontdekt. Haar tweede bundel heet Santenkraam. 'Poëzie bood mij bescherming.'

Relaxed zijn ze, die Amsterdammers, allemaal kalme en nette mensen, vindt Ronelda Sonnet Kamfer (Kaapstad, 1981), de jongste donkere dichteres in het Afrikaans, die sinds drie weken als writer in residence over het Spui in de hoofdstad uitkijkt. Op een paar uitspattingen na, voegt ze daaraan toe: 'Maar ook dáárbij gedragen de mensen hier zich anders dan die bij ons thuis in Kaapstad. Laatst gaven onze Amsterdamse buren een feest. Mijn man en ik bereidden ons erop voor dat dit een paar dagen zou doorgaan, iets waar we een beetje tegen opzagen omdat we ons dochtertje van tien maanden bij ons hebben. Maar om acht uur 's ochtends al eindigde het plotseling, de muziek verstomde, de gasten gingen geruisloos uiteen. Een plezierige verrassing.


'Koninginnedag, ook zoiets. Omwille van de veiligheid hebben we dat fenomeen vanachter het raam staan bekijken. Wonderbaarlijk, dat al die nette mensen hebben besloten gedurende één dag volslagen maf te doen, om de volgende ochtend weer als modelburgers het eigen stoepje te vegen. Of de avond dat Ajax landskampioen werd: idem dito. Zelfs uitbundigheid is hier aan een limiet gebonden. Feesten die volgens strikte regels verlopen, dat kende ik nog niet.'


Natuurlijk ziet Kamfer veel méér, ze bezocht het Van Gogh-museum en wil nog naar het Haagse Mauritshuis voor Vermeer, en de schrijfster Christine Otten heeft beloofd haar binnenkort het niet-toeristische Hollandse landschap te laten zien.


Een andere wereld dan thuis, waarmee Kamfer bedoelt: de wijk Lansdowne, een suburb op zo'n twintig minuten van het centrum van Kaapstad. 'Een stad van gigantische contrasten. Ik kom van Blackheath en Grabauw op het platteland, ik woonde er tussen mijn derde en mijn tiende bij mijn grootouders die op een boerderij werkten. Daar heb ik ook de lagere school gedaan, op een klein idyllisch boerenschooltje. Door het bos naar school, met hoge bergen op de achtergrond.


'Vanaf mijn tiende heb ik weer bij mijn ouders in de townships en het getto rond Kaapstad gewoond, waar overal geweld was. En nu woon ik in de suburbs van Lansdowne. Ik kan wel zeggen dat ik vele kanten van onze samenleving heb leren kennen.'


Over die township-kant dichtte Ronelda Sonnet (de tweede naam verwijst naar haar grootmoeder) Kamfer veel in haar debuut Nu de slapende honden (uit 2008, vertaald in 2010), zoals in het gedicht waarin een meisje vertelt hoe 'een gewone blauwe maandagochtend' er uitziet: ergens moet een moeder het lijk van haar kind identificeren, op een straathoek staat een meisje grapjes te maken 'met haar toekomstige moordenaars', pistoolschoten weerklinken een straat verderop en 'tijdens de voorlichtingsles begon mijn hoogzwangere beste vriendin te bloeden'. De taal van Kamfer kan zingen, maar haar soepele Afrikaans verdoezelt niets. De Hollandse lezer die het ene moment nog glimlacht om haar ritmische en vindingrijke taal kan even later zonder pardon uit de droom worden geholpen.


Op haar veertiende aanbad ze haar klasgenoot Monnay, als we het gedicht 'To all the boys I loved before' als autobiografisch mogen lezen: die eerste liefde was een jongen met een gouden oorbel 'en 'n bad attitude', die haar voor een ander zou dumpen: 'ek was die creepy geek wat Shakespeare/ in die wiskundeklas gelees het'.


Kamfer: 'Jazeker, die creepy geek was ik. In die tijd ontdekte ik de poëzie, in de handboeken op school. Als de meester even niet oplette, stopte ik er een in mijn tas, om thuis steeds weer opnieuw die gedichten te lezen. Het bood mij ook bescherming. Overal was lawaai om me heen van bendes, maar omdat ik in een hoekje gedoken zat te lezen, werd ik met rust gelaten. Ik was 'het meisje met de boeken'.


'Die voorliefde moet van mijn grootvader komen. Ook een lezer, maar vooral een groot verhalenverteller. Op een zondagmiddag stormde ik de veranda op, en dan zei mijn grootmoeder dat ik stil moest zijn, want 'opa lees'. Zo leerde ik wat respect voor lezen is.


'Schrijven deed ik ook al vroeg erg graag. Voor mijn moeder moest ik verjaardagskaartjes schrijven, omdat ze wist dat ik daar plezier in had: vreselijke explosies van sentimentaliteit waren het vaak, maar iedereen was er blij mee.


'Ja, ik schreef meteen al in het Afrikaans. Ook in het Engels, maar dat was vooral omdat ik dan complimenten kreeg: 'wat is jouw Engels al goed, voor een kind!'. Het staat slimmer als je Engels spreekt, en vooral als je dat zonder accent kan. Afrikaans wordt vaak gezien als de taal van arme mensen. Het heeft niet veel status. Maar ik ontdekte bij het schrijven dat Afrikaans mij toch beter past, ik ben daarin oprechter. En het is de taal die ik met mijn grootouders sprak, en die ik thuis spreek. Iets van rebellie zal er ook bij komen: vooral kleurlingen verwachten dat ik Engels schrijf, alle jongere kleurlingen doen dat, en daar wil ik dan niet aan voldoen. Maar het belangrijkste is dat ik eerlijker ben wanneer ik Afrikaans schrijf - ondanks het stigma dat het óók een besmette taal is ; die van het apartheidsregime.'


Ze viel op, in 2008, de 27-jarige debutante Ronelda Kamfer, die toen verpleegkundige was (half studie, half praktijk) maar ook gedichten schreef. Zonder dat ze er zelf van wist, had een vriend haar gedichten gestuurd naar Antjie Krog, dichteres en hoogleraar aan de Universiteit van Wes-Kaapland, en dichter Alfred Schaffer. Die namen meteen contact met haar op. Kamfer: 'Ik kwam in een klasje met beginnende dichters te zitten, en ik denk dat ik de slechtst onderlegde was: werkelijk niets wist ik van andere Afrikaanse dichters, had niet eens gehoord van Breyten Breytenbach, en kende verder alleen een paar grote namen. Wie is je favoriete dichter, werd me gevraagd. Dylan Thomas, zei ik maar.


'Antjie Krog vond dat geen probleem. Je moet doorgaan, moedigde ze me aan. Dat vond ook de redacteur van uitgeverij Kwela, die heel geduldig met me is geweest, want mijn eerste teksten barstten ook nog van de spelfouten. Dóór blijven gaan, was het devies. Ook met het lezen van anderen.'


Dat is goed mogelijk, bevestigt ze, dat de regels 'Vissie Visser/ wou net nêrens/ sonder sy fiets' in de nieuwe bundel Santenkraam, doen denken aan 'Marc groet 's morgens de dingen' ('dag ventje met de fiets (...) dag visserke-vis') van de Vlaamse modernist Paul van Ostaijen. Kamfer: 'Ja, Van Ostaijen! Die heb ik inderdaad dankzij Antjie Krog leren kennen.'


Vissen en ook zeemeerminnen komen veel voor in de nieuwe gedichten. Santenkraam is het resultaat van een onderzoek: Kamfer heeft veel gesprekken gevoerd met vaak oude familieleden die in kustplaatsjes hebben gewoond zoals Skipskop, dat ze in de jaren zeventig werden gedwongen te verlaten omdat er een militair oefenterrein moest komen. Velen vertelden haar hun herinneringen door (waarvoor het Afrikaans het werkwoord 'oorvertel' heeft) die als een hoop kleren in een kast waren opgeborgen, tot de uitpuilende kast niet meer dicht ging: 'om die kas toe te kry soos die klere wil uit/ jy maak toe toe toe maar hulle wil uit uit uit' ('je sluit sluit sluit maar zij willen eruit uit uit', in de vertaling van Alfred Schaffer).


Kamfer: 'In zekere zin is Santenkraam een vorm van geschiedschrijving. De verhalen van de familie van mijn grootouders zijn nooit op schrift gesteld. Ze vertellen die elkaar dóór, en die gaan verloren wanneer ze sterven. Op mijn eigen kleine manier wilde ik voorkomen dat die verhalen zouden verdwijnen. Wilde weten waar ik vandaan kom, wat mijn achtergrond is. Anders doet niemand het.'


Het leverde gedichten op waarin de band tussen mens en natuur (zee, wind, vissen, stranden) zeer hecht is, een magische wereld die Kamfer op momenten laat contrasteren met het geweld en het apartheidssysteem dat tot gedwongen verhuizingen, tot armoede en rechteloosheid leidde. 'Het gaat over hun dromen, maar ook over de teleurstelling dat het meestal dromen moesten blijven. Mijn opa heeft zijn hele leven op de boerderij gewerkt. Toen het fysiek niet meer ging, heeft zijn baas hem weggestuurd. Mijn opa verhuisde toen naar Kaapstad, om noodgedwongen in een kamertje bij een van zijn kinderen in te trekken. Ik was een tiener, en altijd als ik mijn opa zag, kon ik zijn teleurstelling in het leven voelen. Die heb ik willen overbrengen. Al kan hij het niet meer lezen: mijn opa is overleden, er is alleen nog één oudoom in leven. Die is ziek, hij kan niet lezen, maar hij weet van Santenkraam. Goed dat het er is, zei hij mij, 'veel mensen gaan zich jou herinneren'.


'Een paar maanden geleden is ook mijn moeder gestorven. Zij heeft vorig jaar de titel van mijn bundel als het ware gekeurd. Santenkraam, een verzameling van stemmen en invloeden, van mijn opa tot Van Ostaijen. Santenkraam, ja hoor, dat woord ken ik wel, zei mijn moeder meteen, dat is kitchen-Dutch, de taal die vroeger de slaven onderling spraken. En ik wist dat de titel goed was.


'Toen ik met dichten begon, stopte ik mijn verpleegopleiding meteen. Dit is wat ik wilde. En al is het niet zo dat ik ervan kan leven - mijn debuut is herdrukt, en vertaald, maar dat betekent nog geen rijkdom - het is wel mijn bestemming. Gelukkig heeft mijn man een goede baan bij een krant. Zo hebben wij het thuis verdeeld: hij zorgt voor het geld, ik schrijf de gedichten.'


Ronelda S. Kamfer: Santenkraam.

Tweetalig; uit het Afrikaans vertaald door Alfred Schaffer.


Podium; 115 pagina's; € 17,50.


ISBN 978 90 5759 517 2.


Ronelda Kamfer treedt op 6 juni met Adriaan van Dis en Christine Otten op in de Balie, Amsterdam.


RONELDA S. KAMFER

1981 op 16 juni geboren in Kaapstad


1999 eindexamen Eersteriver Secondary School


2005 opgenomen in bloemlezing Nuwe stemmen


2008 publiceert eerste bundel, Noudat slapende honde (bekroond met Eugène Marais Prijs, vertaald in 2010)


2010 optreden op Winternachten, Den Haag


2011 optreden op Festival voor het Afrikaans, Tropentheater Amsterdam


2011 Grond/ Santenkraam (vertaald in 2012)


2012 Writer in residence in Amsterdam, op uitnodiging van het Nederlands Letterenfonds.


Meer over