Interieurarchitectuur is aan binnenhuis ontsnapt

De grenzen van het interieur. Centraal Museum Utrecht tot en met 13 augustus...

Ze noemen zich architectonisch vormgever, niet langer interieurarchitect. Ze ontwerpen ook opvallend weinig interieurs. Ja, stoelen - die dan weer ruimtelijke objecten heten - of straatmeubilair. Het liefst maken ze concepten. Die houding alleen al onderstreept dat het vak van interieurarchitect in de periferie terechtgekomen is van de architectuur en onderhevig is aan erosie. Architecten bemoeien zich met de inhoud van een gebouw, produkt

ontwikkelaars tekenen ook met plezier eens een kantoor of woonkamer. En dan zijn er nog projectinrichters die graag kant-en-klare interieurs leveren.

Te benijden zijn ze niet, de dertien jong afgestudeerden die nu in het Centraal Museum hun opvattingen over het interieur presenteren. Een van hun leraren, Jaap Dijkman van de Rietveld Academie, geeft ze bovendien een weinig bemoedigende boodschap mee. 'Ik ben het ermee eens dat de naam architectonische vormgeving nergens op slaat,' erkent hij in het vakblad Items. Verder constateert hij dat het vak van interieurarchitect van alle kanten door disciplines wordt doorkruist: 'van beeldend kunstenaars en decorbouwers tot industrieel ontwerpers.' Zie dan maar eens fluitend de wijde wereld in te trekken.

Een wazige opleiding, een belaagd vak, een Nederlands Architectuurinstituut waar de discipline bij de museumleiding niet gekend is: de beduimelde omstandigheden zijn aan de expositie in het Centraal Museum af te lezen. Waarschijnlijk kunnen de dertien een prachtig concept bedenken voor een architectonische ruimte, maar kunnen ze ook een plattegrond tekenen, een detail uitwerken, de ruimte invullen? Ik waag het te betwijfelen.

De leraren hebben in ieder geval hun best gedaan. Ontwerper Gerrit Schilder, overigens een begenadigd talent, praat braaf zijn docenten na 'dat het interieur het verlengstuk is van de functionele eisen van de gebruiker'. Ook Matthijs van Cruyssen heeft de functie en de gebruiker in zijn hoofd, terwijl Iris Derks keurig opsomt waarmee ze allemaal rekening wil houden: de gegeven ruimte, de indeling, de gebruiker, het budget en de onderlinge verhoudingen. Nee, met die jongeren is vermoedelijk niks mis. Maar laat ze eens een pand inrichten.

Een enkeling heeft al aan de praktijk mogen ruiken. Ronald van der Meijs mocht de winkel 'Art it is' op Schiphol Plaza inrichten, waarvoor hij op het idee kwam van een vitrine in de vorm van een vogelvleugel. Kast en schetsontwerp zien er professioneel uit en de gedachte erachter is ook niet verkeerd: ervoor zorgen dat de grond vrij (koffers!), en dat de routing overzichtelijk is.

Iris Derks staat op het punt een belangrijke opdracht te mogen uitvoeren. Het Amsterdamse stadsdeel Osdorp vroeg haar het Osdorpplein opnieuw in te richten - de grenzen van het interieur worden inderdaad ruim genomen. Derks heeft voor Osdorp een muur in gedachten, maar dan niet zo'n rauwe als in Berlijn, nee eerder een muur uit een operadecor; met poortjes, balkons, een barbecue-haard, vogelhuisjes en andere uitsteeksels. Helaas heeft Derks voor de tentoonstelling volstaan met associaties van muren, van wijken aan het water zoals bij Osdorp het geval is en met voorstudies. Een behoorlijke foto van de situatie ter plekke en we zouden onmiddellijk geweten hebben of Osdorp gezegend is met dit werkstuk of beter naar iets anders moet uitkijken.

Bij de andere afgestudeerden lijkt het accent meer te liggen op meubelvormgeving. Schilder heeft al eens de Nederlandse meubelprijs in de wacht gesleept met zijn Welcome-chair die inventief is opgebouwd uit een rubberringmat en buisframe. Net zo bijzonder is het wachtruimte-meubilair van Kasper Spormann die stoelen uit een aluminium plaat sneed en die aan een rail bevestigde. Er rolt nog een extra wieltje achter de rugleuning zodat de stoelen soepeler verschoven kunnen worden. Kan een mooi ruimtelijk effect geven in een metro, denkt Spormann en daar kon hij wel eens gelijk in hebben.

Interieurarchitectuur is aan het binnenhuis ontsnapt, dat bewijst de tentoonstelling maar weer eens. Het interieur ligt op straat, het is een suggestie of een visioen, zo wil de aanstormende generatie ons doen geloven. De Beroepsvereniging van Nederlandse Interieurarchitecten (BNI) verzet zich tegen een ruimere opvatting over het vak. Het lijkt een achterhoedegevecht. Besprekingen over een fusie met andere beroepsverenigingen zoals de BNO zijn al gaande. Duidelijk is dat de dertien afgestudeerden niet in de sporen willen treden van de stylisten van de woonbladen of van de design-goeroe Jan des Bouvrie. Dat is een brug te ver.

Als de tentoonstelling in Utrecht iets duidelijk maakt, dan is het dat een herdefiniëring van het beroep interieurarchitect hard nodig is. Misschien moet er gedacht worden aan de terugkeer van de afgedankte binnenhuisarchitect, zo iemand die het behang bij de gordijnen uitzoekt, terwijl de rest ruimtelijke concepten kan ontwikkelen met bijbehorende produkten. Dat levert tenminste een winstpunt op: dat de afgestudeerde minder weifelend en vaagjes de praktijk binnenstapt.

Jaap Huisman

Meer over