Inners, belastingen en billijkheid

BELASTINGEN zijn niet leuk. Maar wel makkelijk voor de inner, want wat kan je allemaal niet doen met de centen van anderen?...

Huub Wijfjes

Want dat is volgens oud-staatssecretaris van Financiën Ferdinand Grapperhaus (bewindsman tussen 1967 en 1971 in het kabinet-De Jong) de beste omschrijving voor een belasting. Dus als belastingheffer moet je het doel aantrekkelijk maken, bijvoorbeeld beloven dat je het fileprobleem of de criminaliteit gaat oplossen. Daar heeft bijna iedereen wat aan. Maar de belastingheffer moet er ook voor zorgen dat de rijken meer bijdragen dan de armen, althans zo denken we sinds meer dan een eeuw.

Vóór die tijd lag het anders. De belastingheffing is ontstaan uit een mengeling van edelmoedigheid en roofzucht. Grapperhaus reconstrueert in een met talloze terzijdes chaotisch gemaakt, maar informatief boekje de wortels van de belasting tot in het oude Mesopotamië. Boeren en herders gingen toen goederen aan gewapende mannen afdragen in ruil voor bescherming. Het was geluk hebben als die mannen werden aangevoerd door een vorst die rechtvaardigheid en vrede nastreefde, maar het was heel lang zo dat je pech kon hebben. Belastingheffing werd dan roof, uitzuiging of afpersing. Dat kon extreme vormen aannemen. Djengis Khan bijvoorbeeld, de leider der Mongolen, besloot in de 12de eeuw een Chinees gewest met tien miljoen mensen niet uit te moorden omdat een adviseur hem influisterde dat tien miljoen slaven veel goederen konden produceren. De calculerende burger Khan koos voor de rijkdom van het leven.

Onze koning Willem I was ook zo'n calculerende man. Na zijn roemrijke terugtocht in 1815 zat hij met een gigantische staatsschuld van meer dan 1,5 miljard gulden. Alleen al aan rentebetaling was Nederland meer kwijt dan wat alle belastingen opleverden. Op voorstel van gouverneur-generaal Johannes van den Bosch besloot de koning de Indische gewesten te 'belasten'. De gedwongen levering van tropische producten tegen een vastgestelde prijs leverde vervolgens gedurende veertig jaar eenderde tot een kwart van de Nederlandse staatsinkomsten op. De wingewesten (het woord zegt al genoeg) redden Nederland feitelijk van het bankroet.

Uit het proefschrift van historica Christianne Smit blijkt dat het cultuurstelsel - werd ooit een fraaier eufemisme voor roof gevonden? - een vertragende werking had op de invoering van een belasting op inkomens in Nederland. Smit reconstrueerde het levendige politieke debat dat tussen 1840 en 1894 over deze kwestie werd gevoerd. Het eindigde in de aanname in 1893 van de inkomstenbelastingvoorstellen van de liberale minister N.G. Pierson. Nederland had toen, naar Europese begrippen erg laat, eindelijk een belastingheffing naar billijkheid, zoals dat heette.

Om het principe dat de sterkste schouders ook de zwaarste lasten moesten dragen is dus meer dan een halve eeuw gestreden. Rond 1840 was het nog helemaal niet vanzelfsprekend dat de accijnzen op levensmiddelen en gebruiksgoederen onrechtvaardig waren. Die belasting moest door iedereen in dezelfde mate worden opgebracht, of je nu pauper was of een riant landgoed aan de Vecht bewoonde. Het merkwaardige was dat de puissant rijke mannen die hun geld aan de staat leenden om de staatsschuld af te lossen, daarvoor zelfs onbelaste rentes ontvingen. Dat leek op beroving van de staat, want in 1840 vloeide 59 procent van de staatsuitgaven in de portefeuilles van de houders der staatsschuldpapieren. Maar geen haan die ernaar kraaide, want diezelfde mannen beheersten in belangrijke mate de politiek. Zij vonden altijd wel een argument om de voorstellen die de vermogens of de inkomsten daaruit zouden gaan belasten, 'ontijdig' of tegen de natuurlijke gang der dingen te verklaren. Het waren de sociaal-liberalen en later de socialisten die aandrongen op een billijke belastingdruk naar draagkracht, zeker nadat de koloniale baten na 1870 waren opgedroogd. Zij eisten een actiever optreden van de staat om het onderwijs te verbeteren en maatschappelijke misstanden uit de weg te ruimen. De partijpolitieke formaties die in deze tijd ontstonden drongen het belang van de individuele burger naar de achtergrond.

Uit het nogal droog opgeschreven onderzoek van Smit blijkt dat niet alleen argumenten of politieke machtsvorming zo'n kwestie kunnen beslissen. Zij schetst zeker vijf gevallen waarin de persoonlijkheid van de minister een rol speelde bij het verwerpen van belastingvoorstellen. De een was te arrogant, de ander een doodordinaire hebberd, en weer een ander was een grijze ambtenaar die geen kaas had gegeten van politieke overtuiging. De vermogende econoom Pierson werd door vriend en vijand geroemd om zijn visionaire integriteit en zijn innemende persoonlijkheid. Met zijn voorstellen zou hij zelf financieel slachtoffer worden, dat maakte zijn opstelling oprecht en diende hij daarmee het hogere belang van de staat.

Hij kreeg de inkomstenbelasting er dus door. Nog belangrijker was de erkenning die hij kreeg voor zijn gedachte dat de staatsuitgaven naar billijkheid door alle burgers moesten worden opgebracht. Voor de totale staatsinkomsten betekende het allemaal niet veel, maar voor de burgers des temeer. Vooral de vermogende en de veelverdienende burgers gingen veel meer betalen, waardoor de accijnzen op levensmiddelen konden worden verlaagd. Ook de in 1894 opgerichte Vereeniging tot het Weigeren van Belastingbetaling kon niets meer doen aan de hecht verankerde overtuiging dat de staat niet op rooftocht was, maar een individueel offer naar draagkracht vroeg voor heilzame collectieve doelen.

Het gemor is natuurlijk nooit verstomd. Nu de burger weer waar voor zijn geld eist en collectieve doelen onbereikbaar of nutteloos lijken, zijn de verhalen over zakkenvullers die 'onze centen' aan het verfuiven zijn niet van de lucht. En dat bevestigt dubbel en dwars Smits bewering dat een verandering van politieke cultuur een herwaardering van de begrippen belasting en billijkheid teweeg kan brengen.

Meer over