Innerlijke monoloog

Ziezo, zeg ik hardop in de lege kamer, ziezo, het stukje is af. Dat been is afgekloven, die wis is getrokken, die ouwel is gebakken, die penzen zijn gekookt, die snapvis is gevangen....

Ongemerkt is het donker geworden hier in huis. Ik ben vandaag alleen en omdat ik de lampen niet op tijd heb aangedaan, ziet het huis er nu uit alsof er niemand woont, desolaat, donker en koud. Natuurlijk weet ik wel dat in de verte de lichten van de grote stad wenken, maar ik heb vandaag al zolang op deze stoel gezeten, diep in gedachten, dat ik hopeloos in mezelf verzonken ben en niet meer op kan stijgen. Buiten ritselen intussen de dingen. Vanmorgen nog heeft de gemeente ons gesmeekt de tuin niet op te ruimen voor de winter, opdat er vlinders kunnen blijven slapen in een holle boom. 'Er zijn ook overwinteringskastjes voor vlinders in de handel. Deze moeten op een hoge, beschutte plaats worden opgehangen. Of de vlinders ook echt gebruik maken van deze kastjes is niet bekend.'

Zo, zeg ik nu bij gebrek aan beter tegen mezelf, dus je stukje is af. (Zegt de werkster die Mozarts buste per ongeluk heeft laten vallen: 'Meneer, er is een stukje van Mozart af.' Zegt die meneer tegen de werkster, 'ja, natuurlijk, alle stukjes van Mozart zijn af.') Buiten is inmiddels de nacht gevallen over de lege vlinderkastjes en voor mijn eigen bestwil zou ik nu maar eens moeten opstaan, de gordijnen sluiten, de verwarming opstoken en het licht aandoen. Maar ik blijf zitten.

'Wist u dat God een luisterend oor heeft?', vraagt een mailbericht van Bijbel Centraal op mijn computerscherm. Ja, ik mag wel blij zijn dat God een luisterend oor heeft, zegt Bijbel Centraal, want hoeveel vrienden heb ik nou helemaal die naar me luisteren? De antwoorden op deze pijnlijke vraag krijg ik meteen maar in handige meerkeuzevorm bijgeleverd: 'Ik heb niemand / Ik heb één vriend(in) / Ik heb een paar vrienden / Ik heb genoeg vrienden / Ik heb heel veel vrienden / Niemand wil naar me luisteren / Ik wil niets vertellen / Ik heb niets te vertellen.'

Mocht God nu inderdaad naar me luisteren, peins ik, dan zal hij vast niet erg enthousiast zijn over mijn stream of consciousness van vandaag. Als literaire techniek is zo'n innerlijke monoloog immers allang uit de mode geraakt. En bovendien zijn er goede maatschappelijke redenen om je vooral met andermans zaken te bemoeien en liever niet met je eigen gedachten. Laat ik God daarom maar gauw tegemoet komen door het formulier in te vullen dat al een tijdje op mijn werktafel ligt: Application Form for a Kingdom of Heaven Pass port. Bereidwillig schrijf ik mijn naam op, ik negeer de vraag of ik onderdaan ben van het Hemelse Koninkrijk '(a) by grace, or (b) by birth', en blijf dan alweer onherroepelijk steken bij vraag 4: 'Why are you here?'

Het is al laat. Als ik nu niet opsta en iets nuttigs ga doen, kom ik gevaarlijk dicht in de buurt van een bekentenis die ik nog nooit in mijn leven aan wie dan ook heb gedaan. Het geval wil namelijk dat ik al jarenlang een paar keer per dag een liedje zing over de dagen waarop je niemand bent, 'des jours où l'on n'est plus personne.' Het begint een wat beschamende gewoonte te worden, iedere dag opnieuw zingen over de dagen waarop je hopeloos in jezelf verzonken blijft: 'Les gens vous voient et leur regard s'étonne. Il y a des jours où l'on n'est plus personne.'

Nee, vanavond kan ik het maar beter niet zingen. Het liefst zou ik nog even een krantenartikel doorlezen dat ik morgen nodig heb - 'Minister wil toch korte schoolweek' - maar ik zit onbeweeglijk achter mijn computer en ik denk, ach ja, de minister heeft gelijk. Laten we gewoon iedere week een kortere schoolweek plannen. Het is zoals Lewis Carroll schrijft in Alice in Wonderland: we gaan naar school om onderwijs te genieten en daar genieten we iedere dag minder van.

En kijk. Opeens herinner ik me weer wat ik vanmorgen in Alice in Spiegelland heb willen opzoeken. Ik kreeg een aankondiging van het boek Wenn Tiere verreisen van Bernd Pfarr en Hans Zippert. Natuurlijk, stond in een van de fragmenten te lezen, niemand heeft op reis graag giraffen in zijn gezelschap. Kijk daarom voor je op reis gaat altijd kritisch naar de namen op de deelnemerslijst: 'Typische Giraffennamen sind Egbert, Sören, Bärbel, Trixie oder Kevin.'

En bij deze mededeling over discriminerende giraffennamen moest ik opeens denken aan Alice en aan 'het bos waar niets een naam heeft'. Want in dat bos, herinnerde ik me, kwam Alice een reekalfje tegen. 'Hoe heet je?' vroeg het reekalfje. 'Ik wou dat ik het wist!' dacht Alice. Ze antwoordde een beetje bedroefd: 'Op het ogenblik heb ik eigenlijk geen naam.' En zo, omdat Alice niet wist wie het reekalfje was en omdat het reekalfje niet wist wie Alice was, wandelden ze samen door het bos, 'Alice met haar arm vriendschappelijk om de zachte hals van het reekalfje geslagen.' Pas toen ze het bos achter zich hadden gelaten, herinnerden ze zich elkaars naam, en toen ze zich elkaars naam herinnerden, snelde het reekalfje weg.

Ik zit in de diepe duisternis van mijn huis, alleen de lamp van mijn computer brandt, en ik zing zachtjes over die dagen dat je niemand bent. Hoe heet je? vragen de reisgezelschappen. Why are you here? vraagt het aanmeldingsformulier voor het Hemelse Koninkrijk. Wie zijn je vrienden? vraagt Bijbel Centraal. Waar was ik eigenlijk gebleven? vraag ik mezelf. Ik weet het niet. Ik zit in de diepe nachtelijke duisternis van mijn huis en ik wil een moment lang niet weten wie ik ben. Maar dan, op het laatste moment, net voor de deadline, weet ik het opeens allemaal weer. O ja, dat is ook zo, zeg ik tegen mezelf, mijn stukje is af. Ziezo, zeg ik zachtjes tegen de verlaten kamer, ziezo.

Meer over