INGMAR BERGMAN Zolang Bergman leeft, zal geen enkele Zweedse regisseur het echt redden

Stockholm mag dit jaar culturele hoofdstad van heel Europa zijn, het lijkt erop dat dit feest maar een doel heeft: de viering van de tachtigste verjaardag van Ingmar Bergman....

'ZICH WIJDEN aan het artistieke scheppingswerk ter wille van zijn eigen bevredediging is niet altijd aangenaam, maar het heeft een groot voordeel: de kunst leeft precies als ieder ander levend wezen dat slechts voor zichzelf bestaat. Het resultaat is een nogal talrijke broederschap van mensen die op egocentrische wijze met elkaar leven op hete, vuile aarde onder een koude en lege hemel'.

Dat zei Ingmar Bergman in 1966, toen hij met in Amsterdam, samen met Charles Chaplin, de Erasmusprijs 1965 kreeg uit handen van prins Bernhard. Hij was toen 48 jaar en het blijft een sleutelzin, deze zelfverklaring van de regisseur die op 14 juli tachtig wordt en sinds vijftig jaar met zoveel kracht het film- en theaterleven van Zweden regeert, dat menigeen daar uitkijkt naar zijn onvermijdelijke dood. Dan kunnen ze eindelijk zelf eens.

Stockholm is dit jaar de Europese culturele hoofdstad, maar het heeft er de schijn van dat dit feest slechts één doel heeft: de tachtigste verjaardag van Bergman vieren.

Hoewel hij in 1995 eindelijk zijn afscheid aankondigde als regisseur van het Koninklijk Theater van Stockholm, ging afgelopen februari het 'laatste' stuk dat hij regisseerde in première, Bildmakama ('De beeldenmakers') van Per Olov Enquist. En ofschoon hij na Fanny en Alexander (1983) 'definitief stopte' met filmen, regisseerde hij daarna nog verschillende televisiedrama's, waarvan de 'laatste', In the Presence of a Clown, in november vorig jaar op de Zweeds televisie werd uitgezonden.

Vrolijk kondigde Bergman begin mei een nieuwe film aan, zij het dat deze geregisseerd zal worden door Liv Ullman, zoals eerder Bille August (Best Intentions) en zijn zoon Daniel (Zondagskinderen) zijn nieuwe films na Fanny en Alexander regisseerden.

Bergman schreef zijn nieuwe scenario naar een ware geschiedenis. Ooit was hij een van de twee mannen in het liefdesleven van een vrouw, die in de film wordt gespeeld door Lena Endre. Trosola is de titel ('Ontrouw') van dit verhaal over een driehoeksverhouding dat naar zich denken laat als onderwerp heeft: 'het eeuwige passiedrama van mensen die elkaar niet begrijpen'.

Hij had graag zichzelf gespeeld, maar Liv Ullmann (een van Bergmans favoriete actrices met wie hij vijf jaar samenwoonde en met wie hij een dochter heeft) zei dat hij een vreselijk slechte acteur is en dus speelt Erland Josephson die rol, ook in eerdere films zijn alter ego. Toch is Bergman te zien, omdat het drama wordt opgediend als een raamvertelling: de vrouw komt naar Bergmans zomerverblijf op Fårö, waar zij hem de herinnering vertelt.

Dus heel Zweden wacht tot 2000, wanneer de film in première gaat, weer in spanning af, in de ban van die man, die dezer dagen geëerd wordt als God zelf, door Bergman allang van de troon gestoten.

Erland Josephson is voorzitter van Stockholm '98 en vanzelfsprekend is de culminatie van dit culturele festijn de vertoning van (nagenoeg) alle Bergmanfilms, in een serie van vier films per week, die op 23 juni is begonnen en tot 5 augustus duurt. Alles gedrapeerd dus rond de 14de juli.

De bioscoop die ervoor is opgeschilderd (Fågel Blå, Blauwe Vogel) is niet uitgekozen omdat dat de mooiste van Stockholm is, maar omdat hij het dichtst gesitueerd is bij het appartement waar Bergman in de winter verblijft. Het retrospectief wordt omlijst door talrijke seminars en de uitgave van de cd-rom De complete Bergman, met alles over alles, zij het zonder beelden uit zijn films, omdat Bergman meent dat scènes nooit buiten hun context vertoond kunnen worden.

In het buitenland circuleert intussen The Voice of Bergman, een vijftig minuten durend tv-interview door Gunnar Bergdahl, de directeur van het filmfestival van Göteborg. Niet echt interessant, omdat Bergman weinig van zichzelf vertelt, maar zijn visie op vooral de Zweedse film geeft. Maar in Zweden sloeg het in als een bom. De regisseur van de populaire film Jägarna, Kjell Sundvall, kan het voorlopig wel schudden na Bergmans felle kritiek, terwijl een aankomende regisseur als Richard Hobert een mooie tijd tegemoet gaat omdat God diens Glädjekällan uitriep tot 'een van de beste Zweedse films die ik in jaren gezien heb'.

Vijf jaar geleden werd Bergmans 75ste verjaardag gevierd in New York, waar 350 grote en kleine evenementen een volledig retrospectief van zijn films omlijstten. Op het grote openingsgala was iedereen die iets in Zweden voorstelde aanwezig, onder aanvoering van koning Carl XVI Gustaf en koningin Silvia. Bergman zelf niet, die houdt niet van reizen en slikt nog steeds kalmeringsmiddelen als hij van Stockholm naar Fårö gaat.

Zo was hij vorig jaar ook niet in Cannes, waar hij de Palm der Palmen kreeg toegekend bij het vijftigjarig bestaan van dit festival, dat hij overigens wel in 1973 bezocht, bij première van Cries and Whispers. Hij hield daar een persconferentie voor vijftienhonderd journalisten en sprak zich zonder zijn beruchte norsheid uit over film, theater, vrouwen ('Soms begrijpen vrouwen eerder de leugens en het bedrog in de wereld'), de dood ('Toen ik jonger was, had ik altijd een geweldige angst voor de dood. Nu weet ik dat doodgaan gewoon de knop omdraaien is. Erg banaal, maar zo voel ik het').

Zijn laatste woorden op die gedenkwaardige middag wekten grote ontroering. Altijd fel op critici, met wie hij op de vuist ging en die hij hel en verdoemenis wenste, klapte hij de volle zaal toe met de woorden: 'Lieve vrienden, ik ben erg dankbaar. Ik was echt bang van tevoren, want ik ben een verlegen man, ik dank jullie zeer.'

Een verlegen man. Dat is de indruk die iedereen heeft die Bergman wel eens van dichtbij heeft gezien. Niet gespeeld, maar ook slechts één kant van deze man, wiens leven in dienst stond van de verbeelding die hij in meer dan veertig films een gezicht gaf. 'Er is geen kunstvorm die zo boven ons alledaags bewustzijn uitstijgt en diep in de schemering van onze ziel binnendringt', schreef hij Laterna Magica, zijn autobiografie, waarin hij zichzelf binnenste buiten keert en toch twijfels oproept over de oprechtheid van zijn openhartigheid.

Hoe kan het anders met een man die zichzelf in alle openheid neerzet als een fantast en een leugenaar, die zich troost met de gedachte dat 'wie in de leugen geleefd heeft de waarheid liefheeft'. Een superieure vorm van zelfspot of een volledige bevestiging van de arrogante ijdelheid die velen hem toedichten?

De man die zich herinnert hoe reeds bij de geboorte van zijn vier jaar jongere zusje 'de demon van jaloezie' greep op hem kreeg. Wiens hart verteerd werd door een hondse liefde voor zijn moeder, die zich zijn hele leven gekweld voelde door de wrede lijfstraffen van zijn vader, de strenge dominee uit Uppsala. Die zichzelf van kindsbeen af vernederde, alsook de vrouwen die hij in zijn leven aan zich bond en weer afstootte.

Zo open als hij zich uit in Laterna Magica of zijn interviewboek Bergman on Bergman, of zijn roman Vertrouwelijke gesprekken, zo gesloten blijft hij tegelijk. Iedereen weet met wie hij zijn leven kort of lang deelde, maar nooit heeft hij iets onthuld over zijn kinderen. Die komen in Laterna Magica niet voor, op één pijnlijke ontmoeting met een zoon na. Nooit lijkt Bergman een vader geworden, altijd is hij een kind gebleven dat terugkeek naar zijn eigen vader.

Angst en schuldgevoelens bepaalden zijn leven en in zijn films worden ze verbeeld. Films die een onuitwisbare indruk achterlieten en hem tot een van de belangrijkste regisseurs uit de filmgeschiedenis maakten, met als hoogtepunten Het zevende zegel, Wilde aardbeien (voor menigeen en hemzelf ook misschien wel zijn beste), De maagdenbron, Als in een donkere spiegel, De grote stilte, Het uur van de wolf, Riten, Cries and Whispers, Scènes uit een huwelijk - allemaal leidend tot het afrondende Fanny en Alexander, zijn verbeelde memoires.

In de jaren vijftig waren er critici die de films van Bergman alleen maar theater vonden: een statische camera, met pratende mensen op een bankje. In de jaren zestig groeide met name in Zweden de drang om de monopoliepositie van Bergman, en zijn navolgers, aan te vallen. 'Er zijn wel andere thema's te bedenken dan het eeuwige getob over het bestaan van God', schreef Bo Widerberg in zijn boek Visies op de Zweedse film (1962), waaraan nog steeds gerefereerd wordt en waarin deze jonge regisseur Bergman 'Zwedens belangrijkste souvenir voor toeristen' noemde.

Bergman is nooit mals geweest voor zijn aanvallers. In 1968 - toen de onverklaarbare Bergman door iedereen verklaard werd en de gelijktijdige verering en verguizing leidden tot teach-ins, verboden en prijzen - verscheen in het blad Chaplin een ongemeen scherp stuk tegen hem van de Franse criticus Ernest Riffe. Deze noemde hem 'een charlatan die de films als een truc gebruikt om alles dat hij van anderen gestolen heeft te verbergen'.

Bergman liet zich door deze Ernest Riffe interviewen. Tijdens de ruzie die al snel ontstond, eiste Riffe dat Bergman eindelijk iets onthulde over zichzelf en zijn films. Bergmans antwoord: 'Waarom schreeuwt een vogel uit angst? Wanneer u er zin in hebt, kunt u het hele rijtje opschrijven: angst, schaamtegevoel, hoogmoed, toorn, afkeer, zelfverachting.' Allemaal rake trefwoorden, zowel in eerlijkheid als in koketterie. Toen de grote schok van dit interview enigszins was geluwd, onthulde Bergman dat hij zelf die Ernest Riffe was. Zelfspot, arrogantie, ijdelheid?

Bergman keek neer op zijn critici, maar was tegelijkertijd altijd oprecht gekrenkt, zoals hij ook gekrenkt was toen hij in conflict kwam met de belasting en zich in Duitsland vestigde. Daar werd hij niet gelukkiger van en acht jaar later gaf de terugkeer, met rehabilitatie, een zucht van verlichting, bij hem en het Zweedse volk.

Bo Widerberg, die net als de meeste van zijn collega's tot zijn dood een jaar geleden vergeefs probeerde het Bergman-juk van zich af te schudden, heeft het na zijn energieke periode in de jaren zestig nooit echt gered, en zolang Bergman leeft, zal geen enkele Zweed het echt redden.

Jaloezie en erkenning gaan samen. Misschien omdat het Bergman toch gelukt is de 'Zweedse ziel' als geen ander te raken, misschien omdat hij gewoon de grootste was en is.

Meer over