Ingesloten op twee kilometer Kosovo

Bij de ingang van het dorp Cabra, tegenover de moskee, staan twee tanks, vier jeeps en een pantserwagen. Deense NAVO-soldaten controleren iedereen die binnen wil in dit Albanees-Kosovaarse dorp, dat midden in Servisch-Kosovaars gebied ligt.

Van onze verslaggeefster Leen Vervaeke

Het is rustig. De modderige aardewegen zijn verlaten. Rond de huizen, die na de oorlog van 1999 zijn herbouwd, staan manshoge muren met stalen poorten.

Een paar uur geleden was de spanning nog te snijden. Toen reed een konvooi Servische wagens, met naar schatting drie- tot vijfhonderd man, op de weg die langs Cabra loopt. ‘Heel provocerend’, zegt een jonge Deense soldaat. ‘Maar we hebben ze tegengehouden.’

In Kosovo, dat op 17 februari de onafhankelijkheid uitriep, is meer dan 90 procent van de bevolking Albanees, en ongeveer 5 procent Servisch – onnauwkeurige getallen, want volkstellingen liggen in Kosovo zeer gevoelig.

Bijna alle Albanese Kosovaren leven ten zuiden van de rivier de Ibar, en de meerderheid van de Servische Kosovaren woont in het noorden van Kosovo. Maar op die regel bestaan vele uitzonderingen. In het Servische noorden wonen ook zo’n 4000 Albanezen, op een totaal van 66 duizend inwoners. Ten zuiden van de Ibar wonen meer dan 50 duizend Serviërs, op een totaal van 1,9 miljoen inwoners.

Het is in die enclaves dat de gevolgen van de Kosovaarse onafhankelijkheid het meest worden gevreesd. De Albanezen in het noorden vrezen weggejaagd te worden door Serviërs die de onafhankelijkheid niet accepteren. Serviërs in het zuiden zijn bang gealbaniseerd te worden, of afgestraft voor het geweld van hun Servische broeders in Noord-Kosovo.

Maar de grootste vrees – aan beide zijden – is dat het isolement nog verder zal toenemen.

Makkelijk is het niet om inwoners van de enclaves hierover te laten getuigen. Veel Serviërs willen niets zeggen aan westerse – in hun ogen anti-Servische – journalisten. Veel Albanezen doen alsof er niets aan de hand is, en stellen alles rooskleurig voor.

Zoals Admir Selimi (24) uit Cabra, de Albanese enclave in Noord-Kosovo. Selimi werkt in de bouw – 10 euro per dag, ’s winters geen werk – en is de enige kostwinner van zijn gezin. Zijn dorp, met 800 inwoners, rekent zich tot het onafhankelijke Kosovo, maar wordt omgeven door dorpen die niet naar Pristina luisteren, maar naar Belgrado. Dorpen, waar auto’s met een Kosovaarse nummerplaat zich niet wagen en waar Kosovaarse mobiele telefoons geen bereik hebben.

Maar Selimi zegt: ‘Het leven is hier prima. We kunnen niet in Servisch gebied, maar dat hoeft ook niet. We hebben hier zeven winkels en een café, dat is genoeg. Na een half uur optimistische verhalen stelt hij echter een veelbetekenende vraag: ‘Excuses voor deze vraag, maar kun je mij aan een visum helpen?’ Duitsland, Engeland, Zwitserland, het maakt hem niet uit, als hij maar weg kan uit Kosovo.

In de enclaves in Noord-Mitrovica zijn de Albanese inwoners openhartiger over hun benarde situatie. ‘De Serviërs willen ons hier weg, maar ik ga niet’, zegt Reshat Zatriqi uit de enclave ‘Drie Torens’, genaamd naar drie appartementsblokken met vooral Albanese gezinnen. ‘Als we weggaan wordt ons huis in brand gestoken.’

De Albanezen in Noord-Mitrovica krijgen Servische aanbiedingen om hun huis op te kopen – een tactiek die in het verleden ook is gebruikt om Serviërs uit het zuiden van Kosovo weg te krijgen. Dagelijks worden ze geconfronteerd met Servische protesten tegen de onafhankelijkheid – vreedzaam en gewelddadig. In het multi-etnische wijkje ‘Klein-Bosnië’ ontplofte een dag na de onafhankelijkheid een granaat.

‘Ik heb mijn vrouw en kinderen weggebracht’, zegt Erdogan uit Klein-Bosnië. ‘Ik voel me hier niet veilig, heb al nachten lang geen oog dicht gedaan.’ In de NAVO-soldaten van KFOR heeft hij geen vertrouwen. ‘Ze staan op de brug tussen noord en zuid, maar hier in Klein-Bosnië zijn ze niet te zien.’

In Gracanica, een Servische enclave in Albanees gebied, lijkt de sfeer op het eerste gezicht minder bedreigend. Voor het 13de eeuwse orthodoxe klooster, dat de enclave tot het culturele hart van de Kosovaars-Servische gemeenschap maakt, staat slechts één Deense KFOR-soldaat. In de winkeltjes en kraampjes langs de hoofdstraat heerst een drukke bedrijvigheid. In de wisselkantoren gaan dinars en euro’s vlot over de toonbank.

Maar als je naar de Kosovaarse onafhankelijkheid informeert, is de spanning meteen voelbaar. ‘Praten over politiek is gevaarlijk’, zegt Bibi, die wel honderduit vertelt over zijn handtassenwinkeltje.

Na wat aandringen wil de 23-jarige Aleksandar, die zijn geld ‘hier en daar’ verdient, zijn mening geven. ‘Alles zal hier Albanees worden’, zegt hij. ‘Daarvan ben ik 100 procent, zelfs 110 procent zeker.’ Dat de nieuwe Kosovaarse regering de Servische minderheidsrechten zal beschermen, zoals aangekondigd in de nieuwe grondwet, gelooft hij niet. ‘Wat de regering vertelt over onze rechten, is propaganda. De Albanezen zijn heel goed in de media: ze vertellen van alles, maar doen iets anders. Ze zullen ons Albanees maken.’

Aleksandar, die alleen Servisch spreekt, doet soms zaken met Albanezen, maar kent geen enkele Albanees persoonlijk. ‘Ik leef hier, op deze twee kilometer.’ Hij maakt zich zorgen over de toekomst. ‘Het is één groot vraagteken wat er zal gebeuren. Maar wat kun je doen? Wachten, dat is alles.’

Servië beheerst sinds maandag een 50 kilometer lang stuk spoorlijn in het noorden van Kosovo. Dat heeft een adviseur van premier Kostunica gezegd. Deze openlijke weerstand aan de Kosovaarse regering zal de spanningen tussen Pristina en Belgrado nog verder vergroten.

Eerder hadden Servische spoorweglieden een goederentrein tegengehouden omdat de spoorwegmaatschappij, die de afgelopen negen jaar werd geleid door de VN, onder Kosovaars bestuur zou komen. Vrijdag weigerden zo’n 150 Servische agenten van de multi-etnische KPS onder Kosovaars bestuur te dienen.

Servië erkent de Kosovaarse onafhankelijkheid niet. Belgrado zweert geweld af, maar heeft wel een geheim ‘actieplan’ opgesteld.

Meer over