Ingemetseld in een familietraditie

SOMS ZOU JE, lezend in de Opera der doden van de Braziliaanse schrijver Autran Dourado, wel om genade willen schreeuwen....

Alle wegen leiden naar Rome, zelfs elektronische snelwegen. De auteur van een hypertekstuele roman is hooguit te vergelijken met een rechter die de veroordeelde laat kiezen uit verschillende gevangenissen en hem vervolgens in de gevangenis van zijn voorkeur de gelegenheid biedt eigenmachtig van cel naar cel te verhuizen. Dat lijkt een stuk milder dan de gebruikelijke gang van zaken, maar het is misschien nog wel hardvochtiger. Even is er de suggestie van vrijheid, maar de enthousiaste bewegingen die daardoor ontstaan laten de veroordeelde vroeger of later slechts harder tegen dezelfde onneembare muren botsen. Vogels losgelaten in grote kooien vliegen zich stuk.

Dona Rosalina en José Feliciano, alias Juca de Mus, de hoofdrolspelers in de Opera der doden, zitten gevangen in hun eigen hoofd, hun geschiedenis en hun omgeving, ingemetseld in een familietraditie en de sociale structuur van een landstreek en een kleine stad. Zij is de dochter van een monumentale vader en een nog markantere grootvader, die beiden een aspect van de veranderingen personifiëren die zich in hun tijd en hun land hebben voorgedaan - voorvaderen die, anders gezegd, suggereren wel degelijk keus te hebben gehad, want die veranderende omstandigheden schenen hen tot andere mensen te maken, vrij in hun keuze.

Hij is een zoon van het land die tracht zijn noodlot te ontlopen door zijn maagschap, have en goed in de steek te laten en elders, vele honderden kilometers verderop, een nieuw of althans een ander leven te beginnen. Hij is de pionier, die zijn lot in eigen hand tracht te nemen.

Hem is het verhaal verteld van een man die vernam ooit met zijn dochter te zullen slapen. Die vader nam de wijk zonder een adreswijziging achter te laten, maar die dochter deed dat twintig jaar later ook - en liep ten slotte in haar vaders armen en tuimelde in zijn bed, onwetend van haar gehoorzaamheid aan de voorspelling. Het is een van de talloze varianten op de Oidipous-mythe, voor deze gelegenheid getransformeerd tot een volkswijsheid uit Minas Gerais, een van de grootste deelstaten van Brazilië. Juca de Mus kent het verhaal en vertelt het graag na, maar die wetenschap helpt hem geen zier.

Wat hij achterliet en dacht te ontlopen - een ongenaakbare vrouw, een heersende, haast buitenaardse moederfiguur, een jonggestorven kind - krijgt hij mettertijd weer terug. Net als Dona Rosalina: zij dacht zich te bevrijden uit de kluisters van haar voorgeslacht, aan de beperkingen die voortvloeien uit haar status in de stadsgemeenschap waar zij deel van uit maakt, maar ze dobbert met open ogen de fuik in die ze zo hartstochtelijk had willen vermijden.

En je ziet het als lezer allemaal gebeuren - terloops, maar geniepig en uiteindelijk venijnig. Wanneer dat venijn smartelijke trekjes krijgt, en vooral: wanneer je dat op zo'n ogenschijnlijk achteloze, willekeurige manier ziet gebeuren als door Dourado's even defaitistische vertellerstechniek als virtuoze stijl wordt bewerkstelligd, welt er onwillekeurig protesterend gekreun op uit je ingewanden. Dat neemt de gedaante aan van een zinloze, want machteloze smeekbede om genade - genade voor die stakkers, maar vooral ook genade voor de lezer.

'Time will say nothing but I told you so', is een van de stokregels in een bekende villanella van W.H. Auden, 'If I could tell you I would let you know.' Het is alsof Dourado's roman een boosaardig spel speelt met die gedachte. De tijd zwijgt maar lijkt alles te weten. Wij weten niets. Dona Rosalina heeft geprobeerd aan de tijd te ontsnappen door hem monddood te maken. Haar vader is daar al mee begonnen: bij de dood van diens vader, Rosalina's grootvader, zette hij grootvaders klok stil en bepaalde dat dat voor eeuwig zo moest blijven. Rosalina neemt die nare gewoonte over zodra haar eigen vader de geest geeft. Het huis dreigt zich te gaan vullen met klokken die veelbetekenend staan te zwijgen, al weet niemand wat die vele betekenissen precies zijn; dat is nog een graadje beklemmender dan een galerij voorvaderportretten die de volgende generaties vanaf de wanden in de gaten blijven houden.

Er wordt trouwens in meer opzichten nadrukkelijk gezwegen in de Opera der doden. Dona Rosalina wordt na de dood van haar moeder opgevoed door een huishoudster die stom is, en die, nadat ook Rosalina's vader gestorven is, als gezelschapsdame blijft. Liefdevol, misschien, maar zwijgend, als een voor eeuwig versteende moeder, als een alziend oog dat nooit enigerlei teken van instemming of afkeuring geeft. De klokken en de huishoudster, ze staan daar maar stom te staren - net als de stad, die Rosalina's vader ooit een streek geleverd heeft juist toen hij de grote sprong voorwaarts wilde maken, toen hij wilde breken met zijn geschiedenis.

Die geschiedenis was er een van plantagehouders die als potentaten huishielden in hun eigen rijk. Rosalina's vader stond voor vooruitgang en fatsoen, zonder te willen spuwen in de bron waaruit hij gedronken had. Hij breidde het familiehuis uit door er een verdieping boven op te laten zetten, die moest harmoniëren met de bestaande gebouwen, en tegelijkertijd probeerde hij in de politiek terecht te komen. Hij respecteerde, met andere woorden, het verleden, maar zocht tegelijkertijd een weg naar een andere, betere toekomst.

Hij heeft zijn trekken thuis gekregen. Die verbouwing gunden ze hem, zijn stadgenoten, die politieke positie niet, ofschoon hij een eclatante verkiezingsoverwinning boekte. Zijn dochter erft zijn huis - en zijn maatschappelijke failliet. Zij erft bovendien het zinnelijke temperament van haar grootvader. En met geen van die nalatenschappen weet ze raad. Zo rijk en zo mooi als ze is, zit ze gevangen in de tentakels van haar voorgeslacht, van tradities en reputaties, gevangen in een stad, een huis, een hoofd.

Zelfs Juca de Mus, de ondernemende optimist, kan, als hij haar pad kruist, haar daar niet uit bevrijden. Hij meldt zich bij haar deur, vraagt om water en werk en praat honderduit. Hij lijkt de stilte en de stilstand te kunnen verbreken, met zijn lawaai en zijn bewegelijkheid - maar het lot haalt hem in. De amourette die hij met zijn nieuwe patroon begint, mondt uit in een zwijgzaam paringsritueel, waaraan ieder glimpje liefde vreemd is. De stilgezette klokken en de stomme huishoudster slaan het gade en ofschoon we niet eens kunnen weten wat ze ervan denken is de afkeuring voelbaar. De tijd is stilgezet en het is niet de bedoeling dat er een toekomst geschapen wordt. Als die zich na al dat paren toch aandient, slaat de zwijgende huishoudster toe - en mag Juca de Mus andermaal een kind gaan begraven.

Niemand ontkomt: het hangt in Dourado's vertelling, door de wonderlijke mengeling van volksverhalen en mythologische schema's waarvan hij zich bedient, maar vooral ook door zijn stijl. Op een op het eerste gezicht losse toon maakt hij ons deelgenoot van de niet-aflatende gedachtenstroom in de breinen van zijn helden. Ze zingen telkens hun eigen aria's, net als in de opera ogenschijnlijk even willekeurig bespiegelend als een dagelijkse gedachtenstroom verloopt, maar ondertussen dwingend in een bepaalde richting voortgestuwd door de melodie, de grondtoon van hun levens. Soms worden ze onderbroken door een niet al te gespecificeerd 'wij', waarin zich het koor van de stadgenoten ophoudt - even zwijgzaam in hun omgang met dona Rosalina als de huishoudster, net zulke stille en onverzettelijke getuigen als die reeks stilstaande klokken.

Er is geen ontkomen aan, voor Dourado's personages evenmin als voor zijn lezers. 'Time only knows the price we have to pay.'

Michaël Zeeman

Autran Dourado: Opera der doden.

Vertaald uit het Portugees door Harrie Lemmens.

Coppens & Frenks; 249 pagina's; ¿ 56,90.

ISBN 90 71127 56 7.

Meer over