inge lievaart 1917-2012

Inge Lievaart was een belangrijke dichteres, maar kreeg vanwege haar geloof weinig erkenning.

PETER DE WAARD

Behalve van Gerrit Komrij, die haar gedicht De Stem van het Water uit 1980 opnam in zijn standaardwerk over de Nederlandstalige poëzie van de 19de en 20ste eeuw, kreeg Inge Lievaart opvallend weinig waardering van het vaderlandse dichtersestablishment.

Lievaart vermoedde dat het kwam doordat ze haar dichtkunst behalve aan de beukende golven van de ruisende, stromende en kolkende zee ook aan het christelijk geloof wijdde. Zelfs de christelijke achterban had moeite haar werk als kunst te zien.

Toen ze op haar 90ste verjaardag werd geïnterviewd door het dagblad Trouw liet ze zich boos uit over het feit dat eerdere interviews met haar op de pagina's religie of 'mensen met bijzondere hobby's' terecht waren gekomen in plaats van op de kunstpagina's. 'Ik ervoer het toch als een voortzetting van de onderwaardering die al jaren getoond was door het negeren van mijn bundels, en het werk van meerdere christenauteurs.'

Voor Lievaart was dichten geen hobby, maar een kunstvorm en zelfs een totale levensvervulling. Ze was zozeer getrouwd met de poëzie dat ze geen andere partner in haar leven toeliet. Toen de uitgever een keer vroeg of ze ook haar levensverhaal wilde opschrijven, zei ze: 'Maar dat staat allemaal in mijn gedichten!'

'Inge Lievaart, dichteres', stond dan ook op de rouwkaart na haar overlijden op 15 oktober in het huis in Scheveningen waar ze op gehoorsafstand van die ruisende zee tachtig jaar had gewoond. In 1917 was ze als oudste van een gezin van vijf geboren in het dorp Oosterend op Texel, waar haar vader schoolmeester was. Toen ze 14 was, vestigde het gezin zich in een huis in de duinen van Scheveningen, waar ze nooit meer weg zou gaan.

Ze debuteerde in het oorlogsjaar 1944 onder het pseudoniem Anna Terweel met de bundel Biecht van een christen aan zijn volk, die werd uitgegeven door de letterkundige Klaas Hanzen Heeroma met het doel de opbrengst te gebruiken voor de hulp aan onderduikers.

Na de oorlog ging ze onder haar eigen naam publiceren. Ze voelde zich in de vorm sterk aangetrokken door de nieuwe literaire beweging van de vijftigers, waartoe dichters als Lucebert en Gerrit Kouwenaar werden gerekend. Maar de Limburgse dichter Pierre Kemp, die in 1958 de PC Hooftprijs kreeg, was haar belangrijkste inspirator.

Veelvuldig gebruikte ze de dichtvorm van de haiku (drie regels van 5, 7 en 5 lettergrepen) en ook de tanka (vijf regels met 5, 7, 5, 7 en 7 lettergrepen). De haiku beschouwde ze als een godsgeschenk, omdat ze hier in zeventien lettergrepen haar natuurobservaties kwijt kon:

Dieper het bos in

steeds aandachtiger worden

de stilte horen

Het gebrek aan erkenning drukte ze ook in haar gedichten uit, waarin ze zichzelf vaak op een eiland plaatste dat veiligheid bood tegen de woeste zee. Het was een verwijzing naar de herinneringen op Texel, maar toch vooral naar haar eigen leven.

Begin deze eeuw werden haar verzamelde gedichten door uitgeverij Kok in twee bundels gepubliceerd: een met haar literaire poëzie en een met haar pastorale poëzie. Drie van haar liederen zijn opgenomen in het Liedboek voor de kerken. Ze bleef echter ook daarna publiceren. In 2006 verscheen haar dichtbundel Tot al het harde zacht is en in 2007 de haikubundel De binnenkant van het zien. Uitgeverij Kok zal in het voorjaar van 2013 een nieuwe editie uitbrengen van haar Verzamelde Gedichten.

undefined

Meer over