Feiten bij de borrel

Inflatie: ja. Maar hyperinflatie? Die is er nog lang niet

Wie nu geld op een spaarrekening heeft staan, ziet dat stilaan minder waard worden. Toch stelt die waardevermindering niets voor vergeleken met de hyperinflatie die ooit Hongarije en Zimbabwe trof.

Serena Frijters
Een bakkerij in Duitsland.  Beeld Getty
Een bakkerij in Duitsland.Beeld Getty

De inflatie in ­Nederland is in november met 5,2 procent op het hoogste niveau sinds 1982. Vooral door de stijgende energieprijzen werd het leven flink duurder. Waar en wanneer was de ­inflatie het hoogst? En wat is het ­grote verschil met begin jaren tachtig?

In Duitsland liepen de prijzen in de jaren twintig razendsnel op. Een kilo brood kostte eind 1923 201 miljard mark. Toch vonden onderzoekers Hanke en Krus van de Johns Hopkins-universiteit in 2012 drie momenten waarop de devaluatie van een munt nog sneller ging.

In 1946 was de inflatie in Hongarije 207 procent per dag. Dat betekent dat de prijzen iedere vijftien uur verdubbelden. In Nederland zijn de huidige prijzen, als de inflatie op 5,2 procent blijft, pas over een jaar of dertien verdubbeld.

- Beeld -
-Beeld -

Zimbabwe zag de prijzen in 2008 iedere dag verdubbelen. In voormalig Joegoslavië was de inflatie in 1992 nog hoger dan de Duitse in het interbellum en hoger dan de hyper­inflatie waarmee Venezuela sinds 2016 kampt.

Zo ernstig is het in Nederland ­zeker niet. Hyperinflatie, volgens de officiële definitie een inflatie van meer dan 50 procent per maand, is hier niet voorgekomen.

Maar iedereen die spaargeld heeft, ziet dit wel snel in waarde verminderen. Dat komt doordat de spaarrente ongekend laag is. Voor sommige vermogende spaarders is de rente zelfs negatief. De inflatie is daardoor zo’n 5 procent hoger dan de spaar­rente, waarmee de reële rente nu op -5 procent uitkomt.

In 1982 was de inflatie even hoog als nu, maar lag de gemiddelde spaarrente ook rond de 5 procent. Wie zijn geld wat langer kon laten vaststaan, kon zelfs nog veel hogere rentes bedingen. Zo adverteerde Van Lanschot in 1980 met 11 procent spaarrente, het geld stond dan wel twee jaar vast.

- Beeld -
-Beeld -

Ook in de jaren zeventig was er een situatie waarbij de inflatie veel hoger was dan de reguliere spaarrente. In 1975 en 1976 waren er prijsstijgingen van 10 procent en lag de rente voor vrij opneembaar spaargeld ruim boven de 5 procent. Iedereen die het geld even kon missen, kon de inflatie nog wel compenseren door spaargeld zes jaar vast te zetten, tegen een rente van 9,5 procent.

Die uitweg is er nu niet. Zelfs spaargeld dat voor langere tijd vaststaat, ­levert maar zo’n 1 procent rente op, en dan moet u het wel in Estland stallen. Zelfs in dat scenario staat de reële rente dus nog steeds ver in het rood.

De rente verhogen helpt niet alleen de spaarders, het kan ook inflatie tegengaan. Als het duurder is om geld te lenen, remt dit de economie af en zullen naar verwachting ook de prijzen minder stijgen. Op dit moment wil de Europese Centrale Bank (ECB) de rentetarieven nog niet verhogen. De ECB verwacht dat de hoge inflatie slechts tijdelijk is. Als de energieprijzen weer zakken en de aanvoerproblemen voorbij zijn, zal de inflatie in 2022 weer rond de 2 procent uitkomen. Als de spaarrentes zo laag blijven, kost sparen nog steeds geld, maar wel een stuk minder dan de afgelopen maanden.

Meer over