Infecteer jonge geesten met lekker lange boekenlijsten

Het is Boekenweek, tot en met volgende week zaterdag. Heel even staat de literatuur centraal. Maar zelfs nu is de schrijver op tv een schietschijf. Nooit gaat het over het werk of het belang van lezen.

Nausicaa Marbe

Literatuur is een zeldzame vrucht die van overheidswege slechts een paar dagen lang geplukt hoeft te worden: medio maart, als het Boekenweek is en de publieke omroep zelfs op prime time romanschrijvers in beeld brengt. Op voorwaarde dat die schrijftypes gezellig meedoen.

Zo trok maandag De avond van het boek voorbij, een programma dat, anders dan de hoopgevende titel suggereert, een quiz met concurrerende schrijversteams is. Komt er eens een schrijver op televisie, dan mag hij niet serieus over zijn vak uitweiden, maar moet hij de lolbroek uithangen.

Kennelijk acht Hilversum dit de enige manier om literatuur op de buis te brengen zonder dramatisch kijkcijferverlies: reduceer de schrijver tot infantiele figurant, vervang het ‘saaie’ praten door het spannende wedstrijdelement en associeer boeken vooral niet met hun inhoud, maar met de afgang van de auteurs tijdens tenenkrommende opdrachten.

Zo moest de schrijver P.F. Thomése op commando anekdotes ophalen over de ontslagen TROS-coryfee Martin Ros. Ook de schrijver Herman Koch was er zichtbaar niet op z’n plaats: hij oogde alsof hij op een speldenkussen zat – als de aambeilijder die hij ooit verbeeldde in Jiskefet. Zo’n quiz, verklaarde hij voor de camera, was eens en nooit meer.

Toch kijken literatuurminnaars naar zo’n programma met schrijvers als schietschijf: bij gebrek aan beter. Omdat boeken op televisie doorgaans taboe zijn.

Waarom eigenlijk?

Waarom worden zij niet gehoord die de literatuur alom aanwezig wensen? Lezers die hopen dat elk boek ze zodanig zal overrompelen, dat ze er dagen, weken, maandenlang over kunnen discussiëren en dat hun omgeving, inclusief de media, daaraan meedoet: omdat boeken er toe doen. In de huiskamer even sterk als op de agora, in het intellectuele debat even effectief als in het politieke, onder literatoren even vanzelfsprekend als op het vmbo.

Zo zou het moeten.

Ook om de taal, die door de pandemische onbelezenheid en opzwellende politieke demagogie ernstig verschraalt, maar juist in de literatuur naar lucht en durf kan happen.

Een tafel, twee stoelen

Afkeer van boeken hoeft niemand voor lief te nemen. Dat boeken de nachtmerries van omroepbazen bevolken, is hun probleem, niet het onze. Het realiseren van een echt boekenprogramma op de televisie is zo gedaan. Wat is er vanzelfsprekender dan die ene tafel met twee stoelen waaraan twee ingewijden hartstochtelijk praten over de boekenstapel die hen scheidt of verbindt?

Dat beeld is van de literatuurcriticus Arjan Peters, die aldus treffend verwoordde hoe eenvoudig (en goedkoop) boekenminnaars te paaien zijn. Dat zo’n aanpak kansloos heet, is onzin.

Hoe groot het dedain is voor intellectuelen, hun leeslust en hun boeken(kasten), toonde het weekblad HP/de Tijd onlangs via een vilein portret van Michaël Zeeman. Deze ‘reus van de vaderlandse letteren’ wordt bespot omdat hij zich presenteert als een ‘homo universalis, een renaissanceman’. Let wel: alleen al het streven naar deze idealen acht het opinieblad verdacht. Alsof je je zou moeten schamen voor welbespraaktheid en een Bildung als onuitputtelijke bron voor de verbeelding.

Exuberante stijl

Zeeman schrijft veel en dat is al niet pluis, oordeelt HP/de Tijd. Nog erger is dat zijn columns en recensies gegoten zijn in een gulzige, exuberante stijl. ‘Zwelbast’, concludeert het blad, onder verwijzing naar een opgeblazen draakje uit de Bommelstripverhalen.

Zo neemt HP/de Tijd aanstoot aan, ik citeer, Zeemans ‘gepaarde formuleringen’ (‘scholen van eerder en elders’), nadrukkelijke omschrijvingen (‘dwingende meesterschrijver’, ) en ‘pathetiek’ (‘de spelonken van de ontreddering’). De afmaker: ‘Hij denkt dat grote woorden hetzelfde zijn als grote gevoelens en diepe emoties.’

Het is pikant daarop in te gaan, omdat de nauwe, onvruchtbare opvattingen over literair taalgebruik die in deze loze verwijten doorklinken, exemplarisch zijn voor de huidige, publieke reductie van literatuur. De opvatting less is more die Zeeman hier wordt aangeraden, zegt nauwelijks iets over stilistiek. De een excelleert bij less – zie schrijvers als Martin Bril of Agota Kristof, om twee uitersten te noemen. De ander heeft more in de vingers: György Konrád en Marja Brouwers bijvoorbeeld. Helaas getuigt de populaire roep om less niet zozeer van appreciatie van sober proza, maar van weinig oog voor en geduld met more. Woorden die zinnelijk aan elkaar verkleven, adjectieven die onverwacht opduiken, brutale taalkunstjes die een verwelkte uitdrukking opkalefateren, opsommingen in de race om een totaalbeeld: een vaardige pen, als die van Zeeman, weet daar weg mee.

Dat leidt dan niet tot woordbagger, maar tot speelse verdieping, verfraaiing en verduidelijking.

Wie zo schrijft, gaat het niet zozeer om Grote Gedachten, maar juist om de kleine nuances en verborgen betekenissen, om het intuïtieve aftasten en slim uitbuiten van de taal. Een delicate aangelegenheid, waarbij woorden pas overbodig lijken voor wie hun subtiele hint of doorslaggevende, soms muzikale functie niet begrijpt. Ritmische taalvondsten, wufte archaïsmen, opzwepende alliteraties: het levert heerlijk proza op met een stevige afdronk. Niet geschikt voor wie zich tevreden stelt met wat de pot van de bestsellerauteur schaft.

Echte schrijvers en echte lezers kennen het verschil. En ‘echt’ staat voor het vermogen om taal te savoureren, om niet slechts van bestseller naar megaseller te hoppen. En om niet terug te schrikken voor boeken die minder makkelijk hun weg naar een groot publiek vinden of niet van het type zijn dat promotie behoeft via stilettohakken, enge ziektes of het thrilleretiket.

Pal tegenover deze connaisseurs staan consumenten die een boek pas lezen als het simpel en spannend is, als de inhoud waargebeurd en de auteur rijk geworden is. Lezen staat dan synoniem met doorstoten naar de ontknoping, ongehinderd door literaire franje. Een boek dat vlot bekt en de kassa laat rinkelen: welke uitgever is daar vies van?

Vandaar ook het misverstand dat superieure romans slechts mogelijk zijn dankzij de commerciële successen van gelukkige huisvrouwen, onkieskeurige weduwnaars en de uitvinders van de polderthriller. Of zoals Saskia Noort het onlangs stelde: ‘Ik trek nu ook de kar voor de mindere verkoopkanonnen van mijn uitgeverij.’ Hoogmoed, dat is het. Eveneens te zien bij Kluun die almaar vertelt dat hij naast A.F.Th. van der Heijden woont: alsof het fenomenale talent van de buurman via een lekkage ook Kluuns universum binnendringt.

Nee, Saskia. Die minder verkopende talenten publiceren, wat de kille cijfers ook zeggen, op eigen kracht. Omdat ze een unieke gave bezitten die hun uitgever gelukkig inzag. Wijs me de uitgever die opvallend talent afwijst omdat hij toevallig de financiële armslag van een kaskraker mist.

Nu zouden zulke populaire literaire dwergen niet hinderlijk zijn, als ze de literatuur en de verwachtingen van het publiek niet nivelleerden. Want de jonge generatie uitgevers en redacteuren die vooral het obscene succes van de non-literatuur ambieert, geeft talent misschien uit als het zich van buiten aandient, maar niet als het met pijn, moeite en vertwijfeling in eigen huis moet worden gekweekt. Het ideaal van een oeuvre waarin boeken elkaar in ambitie, vernieuwing of verdieping van stijl en thematiek overtreffen en ook aan de vaderlandse literatuur iets nieuws toevoegen, doet bij deze Dagobert Duckjes niet langer opgeld. Geld, verkoop, omzet, marketing, exposure, slechts dat tekent hun wereld.

Ze zullen heus wel blijven, de gedoogde goede schrijvers. Maar ze krijgen geen kans meer de literatuur haar maatschappelijke positie en glans terug te bezorgen. Commerciële boeken vormen lezers om tot ongeduldige consumenten, niet tot intellectuelen. Inderdaad, een teloorgang. Als mensen niet meer willen nadenken aan de hand van boeken, als ze het overbodig achten zichzelf geestelijk te verrijken en hun taal op te poetsen, als ze het plezier in het streven naar meer en beter en wellicht ook de illusie van vervolmaking afwijzen, dan is de toekomst aan de levende doden.

Bevattelijke leeftijd


Te vaak wordt de televisie als enige doorslaggevende remedie tegen deze ontwikkeling gezien. Als Adriaan van Dis maar weer terug komt ... dat soort smeekbedes. Dat is het geloof in de macht van de verleiding – door een gulle gastheer, als moderne verlosser.

Maar wat is er tegen dwang? Niemand kraait over verplicht wiskunde op school. Wetenschap is tenslotte nuttig om de werkelijkheid te analyseren. Het Verstehen van mens en wereld leer je echter uit literatuur. Maar om op bevattelijke leeftijd een forse inspanning te vragen ten behoeve van de schone letteren, lijkt even hachelijk als iemand met een collectebus voor Israël in Slotervaart laten rondgaan.

En toch moet het: dankzij gedwongen onderricht kan ik nog steeds een paar wondermooie gedichten opzeggen. Het besef dat er een te ontginnen heelal bestond, gevuld met filosofie en wereldliteratuur, werd ons vanaf twaalfjarige leeftijd ingestampt. Dat stond echt geen ‘natuurlijke ontwikkeling van het kind’ in de weg. Levenslust en leeszucht sloten elkaar niet uit.

Zonder literatuur was en is het leven een kalere bedoening. Het zou de minister van Onderwijs sieren als hij acuut ingreep. Boekenkasten terug in het klaslokaal. Ellenlange boekenlijsten verplicht, in tenminste drie moderne westerse talen. Ontsla de literatuurvijandige leraar en infecteer jonge geesten met de levenslange afwijking die lezen heet.

Het besef dat je een volstrekt vreemde kunt begrijpen, komt eerder tot stand door een tegendraads boek dan door een politieke lesbrief. Ziehier het verschil tussen gedwongen kennisopname en indoctrinatie: het eerste verrijkt, het tweede knecht.
Lezen vrijwaart je van gekooide gedachten.

null Beeld
Meer over