analyse

Ineens lijkt ‘luxe-woningnood’ toch échte woningnood te zijn

Na de Tweede Wereldoorlog woonden veel Nederlanders in krotwoningen of op zolder bij hun schoonouders. Er werd wel geklaagd, maar niet geprotesteerd. Pas in de jaren zeventig kwamen woningzoekenden tegen de woningnood in het geweer. De kraakbeweging werd geboren. Die bleek effectief.

Protestleus van de kraakbeweging bij de inhuldiging van koningin Beatrix, hier op een schutting bij de Haarlemmer Houttuinen in Amsterdam, april 1980. Beeld Nationaal Archief
Protestleus van de kraakbeweging bij de inhuldiging van koningin Beatrix, hier op een schutting bij de Haarlemmer Houttuinen in Amsterdam, april 1980.Beeld Nationaal Archief

Woningnood, dat was een begrip dat tot voor kort werd gereserveerd voor de schaarste aan woonruimte in de eerste naoorlogse jaren. Zo’n 90 duizend huizen in Nederland waren verwoest, 50 duizend huizen waren zwaar beschadigd. Nieuwbouw had gedurende de Duitse bezetting vrijwel stilgelegen. Het acute woningtekort werd op 300 duizend becijferd, op een bevolking van ruim 9 miljoen zielen. Dat was woningnood in zijn bitterste vorm.

Ter leniging van die nood werden woningen gesplitst, krotwoningen provisorisch opgeknapt en in opdracht van de overheid noodwoningen opgetrokken – volgens Philip Bloemendal van het Polygoonjournaal ‘van het nodige comfort voor de huisvrouw voorzien’. Jonggehuwden trokken, met of zonder kinderen, in bij hun (schoon)ouders. ‘Een onterende toestand’, zei een ervaringsdeskundige in een aflevering van het geschiedenisprogramma Andere Tijden dat aan de naoorlogse woningnood was gewijd. Overdag moest zij zich voegen naar de wensen van een onverbiddelijke schoonmoeder, ’s avonds moesten zij en haar echtgenoot in hun zolderkamertje rekening houden met slapende huisgenoten aan gene zijde van een wandje van hardboard.

Miljoenen Nederlanders woonden op plekken die voor bewoning ongeschikt waren. Miljoenen Nederlanders stonden op wachtlijsten van gemeentelijke woningdiensten. Vaak jaren achtereen. Een van de meest gestelde vragen in die tijd was: ‘Heb jij al wat?’ Maar protesteren tegen deze situatie? Nee, dat deden ze niet. Wellicht niet omdat de geest van de (wederopbouw)tijd zich daartegen verzette.

De meeste Nederlanders zullen de overheid de woningnood ook niet hebben willen aanrekenen. Hij was onmiskenbaar het gevolg van de oorlog, en de overheid deed wat ze kon om ‘volksvijand nummer 1’ te verslaan. Bij de oplevering van elk wooncomplex en elke galerijflat rukten fanfarekorpsen en hoogwaardigheidsbekleders uit. Cabaretier Wim Kan wijdde in 1962 een (niet al te fantasievol) lied aan de voltooiing van de miljoenste naoorlogse woning, aan de Hogenkampseweg in Zwolle.

Natuurverschijnsel

Het probleem was alleen dat de bevolking tussen 1950 en 1960 groeide van 10 miljoen naar ruim 11 miljoen (ook onder invloed van de ‘repatriëring’ van Nederlanders en Indische Nederlanders uit Indonesië). Daar viel niet tegenop te bouwen. Tezelfdertijd nam de overheid de sloop van krotwoningen voortvarend ter hand. Daardoor deed ze de aanwas van de woningvoorraad weer ten dele teniet.

Bij de aanvang van de wederopbouw meende de Nederlandse regering ervan te mogen uitgaan dat de woningnood in 1955 zou zijn opgelost. Toen deze prognose niet haalbaar bleek, werd 1965 als het verlossende jaar genoemd. Uiteindelijk waagde de regering zich niet meer aan beloftes, wellicht uit vrees daar ooit op afgerekend te zullen worden.

De Nederlandse bevolking leek de woningnood lijdzaam als een natuurverschijnsel te ondergaan. Bij de gemeentelijke loketten beklaagden woningzoekenden zich over hun erbarmelijke huisvesting, over de spanningen tussen mensen die tot elkaars nabijheid waren veroordeeld en over wachtlijsten waar maar geen beweging in leek te komen. Er deden geruchten de ronde over ambtenaren die met geld of in natura waren omgekocht. Maar grootschalige protesten bleven uit. Een ‘ludieke’ betoging van Amsterdamse studenten tegen het kamertekort, in 1965, had voor het Polygoonjournaal vooral vermakelijkheidswaarde.

De eerste krakers, Generaal Vetterstraat in Amsterdam, 6 januari 1965.  Beeld Hollandse Hoogte /  ANP
De eerste krakers, Generaal Vetterstraat in Amsterdam, 6 januari 1965.Beeld Hollandse Hoogte / ANP

De verbittering groeide naarmate de woningnood meer met hedendaags beleid in verband werd gebracht dan met de voorbije oorlog. In 1975 protesteerden Amsterdammers massaal tegen de sloop van woningen ten behoeve van de aanleg van de eerste metrolijnen. De daarop volgende jaren ageerden krakers, in Amsterdam en andere grote steden, tegen de leegstand van bewoonbare panden die door beleggers waren opgekocht.

Aanvankelijk oogstten zij daarmee veel politieke en maatschappelijke bijval. In die mate zelfs, dat de autoriteiten gekraakte panden niet, of met de inzet van een minimum aan machtsmiddelen, wilden ontruimen, om toch vooral de sympathisanten van de krakers niet tegen zich in het harnas te jagen. Zo aarzelde de Amsterdamse burgemeester Wim Polak (PvdA) in 1980 lange tijd met de ontruiming van een kraakpand aan de Vondelstraat omdat hij daarmee weleens een nieuw Palingoproer over zichzelf zou kunnen afroepen – een verwijzing naar ongeregeldheden in 1886 waarbij 26 doden vielen.

Geen woning, geen kroning

Bij het grote publiek verspeelde de kraakbeweging een deel van haar sympathie toen zij de inhuldiging van koningin Beatrix in 1980 aangreep voor protesten tegen de woningnood. In de strijdkreet ‘Geen woning, geen kroning’ bracht ze twee thema’s samen die naar de gangbare opvatting geen verband hadden. De kraakbeweging werd alom verantwoordelijk gehouden voor het gewelddadige verloop van de betogingen.

Toch is de kraakbeweging politiek zeer effectief geweest, zei emeritus hoogleraar volkshuisvesting Jan van der Schaar onlangs in De Groene Amsterdammer. ‘Huisvesting was een belangrijk politiek thema en werd toen ook gezien als een openbare-ordeprobleem. Er werd tijdens de kabinetten-Lubbers op alles bezuinigd, het was het begin ook van de liberalisering, maar daarvan werd woningbouw uitgezonderd. Integendeel, er werd massief geïnvesteerd in huisvesting.’ In de jaren negentig was de woningmarkt dermate ontspannen dat de rijksoverheid niet langer een sturende rol ambieerde.

De gevolgen daarvan waren nog niet in hun volle omvang zichtbaar toen Andere Tijden in 2011 nog eens terugkeek op de woningnood in de naoorlogse jaren. Dat was échte woningnood geweest, zei presentator Hans Goedkoop tot besluit. En dat was andere koek dan de ‘luxe woningnood waar je nu nog weleens over hoort’. Nu zou hij zijn woorden wellicht anders hebben gekozen. Maar ja, het waren andere tijden.

Woonprotest in het Westerpark in Amsterdam, 12 september 2021. Beeld ANP
Woonprotest in het Westerpark in Amsterdam, 12 september 2021.Beeld ANP
Meer over