Indonesië teruggebracht tot één eiland: het veilige Bali

DE GEUR is onmiskenbaar kretek (kruidnagelsigaret) en een probaat hulpmiddel om op de kermis in Londen die World Travel Market (WTM) heet, de op een na grootste vakantiebeurs ter wereld, het Indonesische paviljoen te vinden; althans de ruimte waarin een afvaardiging van het ministerie van Toerisme is gehuisvest....

CEES GLOUDEMANS

Vakantiebeurzen houden per definitie conflicten, crises en oorlogen buiten de deur. Ook de WTM onderschrijft die regel. Het voormalige Joegoslavië is vertegenwoordigd door Slovenië, Servië, Kroatië (zeer nadrukkelijk en groots opgezet), Montenegro en zelfs Bosnië, weliswaar met een piepkleine stand maar er kunnen zaken worden gedaan. Toerisme kan een belangrijke bron van inkomsten worden.

Dat laatste gaat beslist op voor de landen in Zuidoost-Azië, die fervente pogingen doen de recente economische crisis te boven te komen. De toeristenpijler onder de economie mag in geen geval wankelen. Dus investeert Thailand op de WTM in een gedegen presentatie, zoekt Singapore zijn heil in het nieuwste snufje - een ingenieuze bedstoel - op het terrein van comfortabel vliegen in de duurste klasse, en pakt Maleisië uit met een sfeervol, uit de kluiten gewassen paviljoen, met aparte stands voor de op Borneo gelegen deelstaten Sabah en Sarawak. De met een vervaarlijke mandau, koppensnellerszwaard, getooide Sarawakse Dayak staat er overigens knap chagrijnig bij.

Voor het zo centralistisch (Java met het waterhoofd Jakarta) ingestelde Indonesië ligt een aanpak à la Maleisië voor de hand. Maar het heeft er alle schijn van dat het ministerie van Toerisme de aandacht wil afleiden van de economische, politieke en sociale crisis waarmee Indonesië kampt. Bali is het speerpunt van de promotie-activiteiten. Het onrustige Java en Sumatra, bepaald geen beroerde toeristentrekkers, komen nauwelijks in beeld.

Bali is veilig. Daar kun je rustig je vakantie doorbrengen. Die boodschap willen de touroperators met Bali in het pakket met verve uitdragen; zo enthousiast dat de (standaard)antwoorden op een neutraal geformuleerde vraag - heeft het toerisme onder de huidige strubbelingen te lijden? - niet geloofwaardig overkomen.

'We merken er niets van', verklaart de vertegenwoordiger van Bali I. 'Er is helemaal niets aan de hand. Nou ja, onder het vorige regime (Soeharto, red.) was er sprake van een dipje in het aantal bezoekers. Maar nu bevinden we ons in de eerste fase van de democratisering.'

De vertegenwoordiger van Bali II, tevens Londens agent voor de Indonesische luchtvaartmaatschappij Garuda: 'Al onze vluchten op Bali zitten de komende vier maanden vol. We vliegen rechtstreeks op Bali. Jakarta laten we liggen. Jakarta is maar 3procent van onze markt.'

'Bali loopt goed', luidt de repliek van de officiële representant van het ministerie van Toerisme. 'Bali wilde een eigen paviljoen.' Het zijn er twee geworden.

Zonder het met zoveel woorden te zeggen maakt het departement van Toerisme duidelijk dat Indonesië drie vakantieparadijzen - Bali/Lombok, Batam/Bintan en Menado in het uiterste noorden van Sulawesi - tot speerpunten van zijn promotiebeleid heeft gemaakt.

Alledrie hebben ze een ding gemeen: het is er (nog) rustig.

Met twee paviljoens voor Bali en een aparte stand voor Batam/Bintan probeert Indonesië in de markt te blijven. Bintan wordt samen met Singapore ontwikkeld tot een toeristische hotspot.

'Toerisme wordt onze belangrijkste bron van inkomsten', benadrukt de vertegenwoordigster van het ministerie. We hadden gehoopt dit jaar zes miljoen toeristen te halen, maar we hebben het cijfer moeten bijstellen naar vier-, vierenhalf miljoen.'

Een week later verklaart de marketing-directeur van het ministerie van Toerisme in Jakarta dat Indonesië dit jaar nog geen twee miljoen toeristen haalt. De inkomsten zijn met 60 procent gekelderd tot vijf miljard gulden.

Cees Gloudemans

Meer over