Individuele tragedies, een algemeen drama

In veel recent verschenen herinneringsliteratuur over de jodenvervolgingen is de waarheid onvermijdelijk vertekend. Vijftig jaar na dato kunnen de klassiekers dan ook nauwelijks meer worden overtroffen....

FRIEDRICH NIETZSCHE zag in zijn verhandeling over nut en nadeel van de geschiedenis het zich vastklampen aan de herinnering als een bedreiging voor de vitaliteit van een samenleving. Deze waarschuwing dringt zich onwillekeurig op aan de lezer van de stroom boeken die deze maanden over de Tweede Wereldoorlog verschijnt, ook waar het de herinneringsliteratuur over de jodenvervolging betreft.

Dat veel herinneringsliteratuur weinig of niets toevoegt aan onze kennis van de jodenvervolging, is tot daaraan toe, maar niet zelden ontstaat de indruk dat de werkelijkheid in deze herinneringen wordt vertekend. Zo meent bijvoorbeeld Flora Schrijver in de uit haar mond opgetekende herinneringen, verschenen onder de titel Het meisje met de accordeon, zeker te weten dat twee joodse onderduikers in Amsterdam 'ter plekke' werden doodgeschoten, iets dat alleen gebeurde als joden probeerden te ontvluchten en dat kwam maar zelden voor.

Op een fototentoonstelling die deze weken wordt gehouden in het stadsdeelkantoor van de Amsterdamse buurt de Pijp, wordt een foto getoond van de Albert Cuyp-markt tijdens de bezetting met het bordje: 'Tijdens marktdagen voor joden verboden'; in de herinnering van Schrijver stond er: 'Joden en honden verboden.' Alsof de werkelijkheid al niet erg genoeg was.

Flora Schrijver kan dat moeilijk worden aangerekend: zij koestert geen wetenschappelijke of literaire pretenties, evenmin als Erica van Beek in haar onderzoek naar de lotgevallen van haar joodse moeder, dat verscheen onder de titel Twee vrouwen en een jas. Al bescheidener van toon zijn bijvoorbeeld de herinneringen die Sippora Stibbe ophaalt aan de armoede en het joodse milieu in Zwolle in Hoe zorgeloos is de kindertijd. En veel beter geschreven zijn de herinneringen van Fred Schwarz en Maarten Mourik.

Schwarz geeft in Treinen op dood spoor een goed beeld van wat het betekende om als joodse illegale vluchteling uit Wenen in het vooroorlogse Nederland terecht te komen. Met zijn gedetailleerde observaties over het leven in Westerbork, Theresienstadt, Auschwitz en een werkkamp van Buchenwald heeft hij een nuttige bijdrage geleverd aan de kampliteratuur. Mourik schreef met Brandenburgs requiem een van de aardigste boekjes over de ervaringen van Nederlandse dwangarbeiders in Berlijn, waar hij terechtkwam nadat hij als student had geweigerd de loyaliteitsverklaring te tekenen.

Vijftig jaar na dato kan de authenticiteit van veel 'waar gebeurde' herinneringen in twijfel worden getrokken en blijken de klassiekers onovertroffen. Bijvoorbeeld het al in 1948 gepubliceerde boek van Wolfgang Koeppen: Jakob Littners aantekeningen uit een aardhol. Daarin wordt de lijdensweg van een joodse postzegelhandelaar uit München op zo'n ingetogen wijze geschilderd dat men de indruk heeft dat over de jodenvervolging in honderdvijftig pagina's alles is gezegd.

Er blijkt nu echter al eerder een Poolse schrijfster geweest te zijn die daarvoor nauwelijks vijftig pagina's nodig had. Zofia Nalkowska stelde als medewerkster van de Commissie van Onderzoek inzake de Duitse Oorlogsmisdaden vlak na de oorlog een soort testamentaire boodschap voor de levenden op: Medaillons. Elk van de zeven medaillons waaruit deze bundel bestaat, onthult een individuele tragedie en een algemeen drama.

Voor de joden gingen de wijzers van de klok sneller dan voor anderen die onder de nazi-bezetting leefden. Dat gold in het bijzonder voor de joden in Polen. Niet voor niets is de Poolse literatuur sinds de Tweede Wereldoorlog doortrokken van de shoah. Czeslaw Milosz schreef bijvoorbeeld meteen na de oorlog prachtige gedichten over de opstand in het getto van Warschau.

Ook in proza bestaat zo langzamerhand een rijke Poolse traditie. Op Tadeusz Borowski's beroemde This Way for the Gas, Ladies and Gentlemen (1959) zijn vele novellen en verhalenbundels gevolgd, zoals van de Poolse schrijvers Ida Fink (Een klein ogenblik), Bernard Gotfryd (Anton de duivenliefhebber) en Hanna Krall (Hypnose). De Amerikaanse schrijfster Cynthia Ozick heeft met De sjaal bovendien laten zien dat je er niet bij geweest hoeft te zijn om er overtuigend over te kunnen schrijven.

Al deze kleine meesterwerken, waarbij adjectieven als 'indringend', 'beklemmend' of 'tragisch' verbleken, verschaffen inzicht in een wereld waarin het naakte overleven al een daad van verzet was. Ook het werk van niet-joodse schrijvers als Jaroslaw Rymkiewicz, Jerzy Andrzejewski, Jaroslaw Iwaskiewicz, Maria Nurowska en Andrzej Szczypiorski maken het wezen van de verschrikkingen in Polen vaak beter duidelijk dan veel historische studies. Het is dan ook een gelukkig initiatief dat dank zij de steun van de provincie Noord-Brabant speciaal voor het voortgezet onderwijs onlangs de Nederlandse vertaling van Nalkowska's Medaillons kon verschijnen, voorzien van een uitstekende toelichting van de onderwijsspecialist prof. Ido Abram. Om jongeren de mogelijkheid te bieden zich te verplaatsen in de joodse tieners tijdens de shoah verdient het trouwens in het algemeen aanbeveling gebruik te maken van de dagboeken van de jeugdige slachtoffers uit die tijd zelf.

Wat dit betreft kan Jacob Boas' eerder vorig jaar verschenen Eva, Dawid, Moshe, Yitshak en Anne - Oorlogsdagboeken van joodse kinderen niet genoeg worden geprezen. 'Ik ben afgesneden van alles waarvan ik houd en wat waarde voor mij heeft', schrijft de veertienjarige Yitshak Rudashevski als hij in het getto van het Litouwse Vilnius belandt. In april 1943 schrijft hij voor het laatst in zijn dagboek: 'Misschien zal het slecht met ons aflopen.'

Het getto werd vernietigd in september 1943. Het jaar daarvoor had Yitshak zich aangesloten bij de eerste organisatie van joden die tot verzet overgingen om, zoals hij schrijft, niet als honden afgeslacht te worden. Deze partizanenorganisatie was opgericht nadat op 1 januari 1942 een jonge dichter, Abba Kovner, in een gaarkeuken in Vilnius een manifest had voorgelezen dat begon met de zin: 'Laten we ons niet als schapen naar de slachtbank laten voeren.'

Kovner en zijn verzetsorganisatie van communisten en zionisten komen ook voor in het overzichtswerk over het joodse verzet van Arno Lustiger: Zum Kampf auf Leben und Tod! Aan de hand van vele korte biografieën van gettostrijders, partizanen, saboteurs en anderen brengt hij de vele vormen van verzet van Europese joden in kaart.

Iemand die een belangrijke rol speelde in de strijd van joodse partizanen in Polen, was Hershel Zimmerman, die in 1989 als Harold Werner in de Verenigde Staten overleed. Zijn aandeel in de opbouw van een joods partizanenleger wordt uitgebreid door Lustiger beschreven; zijn eigen herinneringen zijn in een Nederlandse vertaling verschenen onder de titel Wij vochten terug - Herinneringen van een joodse verzetsstrijder. Het is een van de weinige getuigenverslagen over het joodse gewapende verzet op het Poolse platteland.

Om aan een zekere ondergang in het getto te ontkomen verborg Werner zich met een groepje voortvluchtige joden in 1942 in de bossen van oost-Polen. Hij laat zien hoe voor de joden in de dorpen het gewapend verzet zich min of meer opdrong als enige mogelijkheid om te overleven. Om zich te beschermen tegen de wolven, om aan eten te komen en om de klopjachten van de Duitsers - en van Polen en Oekraïeners - te kunnen overleven waren wapens nodig.

Het groepje groeide uit tot een klein partizanenleger, dat weliswaar te zwak was om het vernietigingskamp Sobibor te bevrijden, maar er wel in slaagde bijna honderd joden uit het nabijgelegen werkkamp Adampol te laten ontsnappen. Zo wisten op een gegeven moment zo'n vierhonderd joodse vluchtelingen zich in de bossen en moerassen beschermd door een leger van vierhonderd joodse partizanen. Aan het eind van de oorlog hadden ze delen van het Poolse platteland bevrijd en leverden ze zelfs kleine veldslagen met de Duitsers.

Werner moest na de bevrijding horen hoe zijn twee jongere broers door de Poolse dorpsbewoners waren doodgeknuppeld. Maar joden werden ook slachtoffer van hun 'kameraden' van de antisemitische Poolse verzetsgroepen. Werner was niet de enige jood die vanwege het aanhoudende antisemitisme na de oorlog zijn land verliet.

'Ze doen slechts een bescheiden beroep op onze herinnering', schrijft Nalkowska over de doden op een Pools kerkhof waar een paar grafmedaillons spreken uit naam van de miljoenen vermoorden. Ze deden dat toen er nog geen musea en gedenktekens waren opgericht en nog geen rechters en historici het woord hadden genomen. Een 'bescheiden beroep' als dat van Medaillons laat een diepere indruk achter dan de vele 'opdat men niet vergete'-boekjes die sindsdien zijn geschreven. Het redt de stem van de mens, zoals een Poolse criticus opmerkte, 'uit de apocalyps van de vermoorde stilte'.

Dick van Galen Last

Mirjam Verheijen: Het meisje met de accordeon - De overleving van Flora Schrijver in Auschwitz-Birkenau en Bergen-Belsen.

Scheffers; ¿ 19,90.

ISBN 90 5546 011 7.

Erica van Beek: Twee vrouwen en een jas - Verloren jeugd - verloren toekomst.

Kwadraat; ¿ 24,90.

ISBN 90 6481 221 7.

Sippora Stibbe: Hoe zorgeloos is de kindertijd - Jeugdherinneringen van een halfjoods meisje in oorlogstijd.

Xeno, Groningen; ¿ 27,50.

ISBN 90 6208 122 3.

Fred Schwarz: Treinen op dood spoor.

De Bataafsche Leeuw; ¿ 39,50.

ISBN 90 6707 353 9.

Maarten Mourik: Brandenburgs requiem.

Conserve; ¿ 24,90.

ISBN 90 5429 035 2.

Zofia Nalkowska: Medaillons.

Aldus uitgevers, 's-Hertogenbosch; ¿ 9,95.

ISBN 90 70545 27 6.

Jacob Boas: Eva, Dawid, Moshe, Yitshak en Anne - Oorlogsdagboeken van joodse kinderen.

Nijgh & Van Ditmar; ¿ 34,90.

ISBN 90 388 0279 X.

Arno Lustiger: Zum Kampf auf Leben und Tod! - Vom Widerstand der Juden 1933-1945.

Kiepenheuer und Witsch, import Nilsson & Lamm; ¿ 102,20.

ISBN 3 462 02292 X.

Harold Werner: Wij vochten terug - Herinneringen van een joodse verzetsstrijder.

Meulenhoff; ¿ 39,90.

ISBN 90 290 4730 5.

Meer over