Indisch verleden als bron van wijsheid

Nooit een leien dakje gezien, maar wel opgegroeid met Hollandse uitdrukkingen als 'dat gaat van een leien dakje'. Het wereldbeeld van de oudere generatie Indonesiërs is mede gekleurd door de Nederlandse geschiedenisboekjes die ze erin moesten stampen....

Meneer Hartono heeft eigenlijk alleen goede herinneringen aan de dagen dat Indonesië nog Nederlands-Indië heette. 'Voor mij was het wel een prettige tijd', zegt hij, 'want mijn vader was priyayi.' Een priyayi was een lid van de Javaanse adel die een hoge functie bekleedde bij het Binnenlands Bestuur. Meneer Hartono wil graag Nederlands spreken, maar verontschuldigt zich omdat hij af en toe moet terugvallen op het Engels. 'Ik zeg altijd: Nederland is mijn moederland. Ik heb Nederlands onderwijs genoten. Ik weet alles van Willem van Oranje en de oorlog tegen de Spanjaarden. Wij hadden immers de zelfde schoolboekjes als in Nederland.'

Ook Henky Steinhardt vist verlekkerd nog wat mooie Nederlandse uitdrukkingen op uit zijn geheugen. 'Dat gaat van een leien dakje', zegt hij als het hem meezit. Met een grijns voegt hij eraan toe: 'Ik heb nog nooit een leien dakje gezien, hoor - dat kennen we in Indonesië niet.' En dan rolt er nog een oude Nederlandse wijsheid over zijn lippen: 'Met de hoed in de hand komt men door het ganse land. Dat betekent dat je altijd beleefd moet zijn.'

Meneer Hartono en Henky Steinhardt behoren tot de generatie van inmiddels pensioengerechtigde Indonesiërs die nog in Nederlands-Indië zijn opgegroeid. Hun wereldbeeld wordt mede gekleurd door de Nederlandse geschiedenisboekjes die ze erin hebben moeten stampen. Tegenwoordig wordt de toon echter bepaald door mensen van in de veertig en in de vijftig. Hun blik is minder mild, ook al zijn ze vaak opmerkelijk vergevingsgezind.

'Ik koester geen wrok jegens de Nederlanders', zegt de schrijver Goenawan Mohamad, de vroegere hoofdredacteur van het vorig jaar verboden weekblad Tempo. 'Mijn vader was tegen de Nederlanders, maar hij heeft ons nooit geleerd hen te haten - nooit. Ja, mijn vader was actief in de strijd tegen de Nederlanders. In 1926 werd hij naar Digoel verbannen.

'In 1946 is hij geëxecuteerd. Ik herinner me dat mijn moeder en ik 's ochtends vroeg wakker werden omdat we voetstappen hoorden rond het huis. Ik zag hoe zich tegen de tuinmuur de gestalten van Nederlandse soldaten met machinegeweren aftekenden. Ons huis werd omsingeld en ze namen mijn vader mee. Een paar dagen later kwam iemand ons vertellen dat hij in een rijstveld was doodgeschoten. Nee, ik heb nooit geweten waarom en door wie.

'Mijn moeder en wij allemaal zijn toen de binnenlanden in getrokken om ons aan te sluiten bij de guerrilla in de bergen. Ik was toen een jaar of vijf, zes. Mijn zuster studeerde in Yogyakarta toen dat door de Nederlanders werd gebombardeerd. Wij werden ook gebombardeerd, dus we trokken van de ene plaats naar de andere. Mijn zwager zat bij de guerrilla en mijn oudere broer zat bij de studentengroepen. Maar we hebben nooit haat gekend - ik weet ook niet waarom.'

Ook de historicus Taufik Abdullah zat nog op de lagere school toen de jonge Indonesische republiek vocht voor zijn soevereiniteit. 'Ik herinner me dat mijn vader tegen me zei: ''De wreedheid van de Nederlanders mag je nooit vergeten. Denk eraan dat je dit ook aan je kinderen vertelt.'' Maar toen kwam dat ontroerende moment in de geschiedenis van Indonesië dat ik me nog zo goed herinner. Ik moest bijna huilen toen ik in een krant die mijn vader me gestuurd had, een foto zag van Sukarno bij het Merdeka-paleis.

'Sukarno was uit Yogyakarta teruggekeerd naar Jakarta! En later zag ik ook een film van Hatta die door de koningin werd ontvangen; de rood-wit-blauwe vlag werd neergehaald en de rood-witte werd gehesen. Op dat moment werden er heel wat dingen uitgewist. Toen die vlaggen eenmaal waren verwisseld, vergat ook mijn vader wat hij tegen me had gezegd.'

Als Goenawan Muhamad en Taufik Abdullah moeite hebben met Nederlanders, dan is dat om wat ze nú doen - dingen waaruit volgens de Indonesiërs blijkt dat de Nederlanders niets geleerd hebben van het verleden. Taufik Abdullah noemt het voorbeeld van minister Pronk, wiens kritiek op het bloedbad in Oost-Timor van november 1991 voor Jakarta aanleiding was om de ontwikkelingssamenwerking met Nederland op te zeggen.

'VEEL Indonesische intellectuelen waren het daarmee eens - we hadden er schoon genoeg van. Als Pronk nou een Amerikaan was geweest, dan hadden we ons misschien niet zo druk gemaakt. Maar hij was een Nederlander. Hij riep iets in ons wakker dat we liever wilden vergeten. Wie zijn jullie dan wel om iets van ons te zeggen? Wij hebben jullie eruit geschopt! Overal in Indonesië kun je erebegraafplaatsen vinden. En na zo veel bloed en tranen zullen jullie ons wel even vertellen wat we moeten doen? Vijftig jaar is wel lang, maar zo lang nou ook weer niet.'

Het is geen kwestie van haat of liefde, de zaak ligt gecompliceerder. 'Je kunt toch echt niet zeggen dat Indonesiërs vergevingsgezinde mensen zijn', zegt Goenawan Mohamad vol zelfkritiek. 'Kijk maar eens wat we na de mislukte coup van 1965 met de communisten hebben gedaan - die zijn bij honderdduizenden vermoord, misschien wel een miljoen.'

'Wij Indonesiërs hebben een tamelijk fatalistische kijk op de geschiedenis', oppert Taufik Abdullah als mogelijke verklaring voor het gebrek aan wrok jegens de Nederlanders. 'Ik bedoel dat alles wat er is gebeurd ons noodlot was, het was voorbeschikt. Dat betekent dat je er geen ruzie over hoeft te maken - het verleden is voor ons eerder een bron van wijsheid, waaruit we kunnen putten voor de toekomst.'

De Indonesische intellectuelen van deze generatie verwachten dan ook niet van de Nederlandse koningin dat ze formeel excuses komt aanbieden - al trekken ze er hun wenkbrauwen over op dat het besluit haar bezoek uit te stellen tot ná de Indonesische onafhankelijkheidsviering, op 17 augustus, blijkbaar is genomen onder druk van een kleine groep verbitterde Indië-veteranen. Een gemiste kans vinden ze dat. 'Misschien hebben sommigen van die veteranen mijn vader wel vermoord', zegt Goenawan Muhamad en zijn blik vult zich - niet met haat, maar met een enorme woede. 'Zijn dat dan helden? Waarom luisteren jullie naar hen? Wíj koesteren geen vijandschap - zelfs ik niet, die toch als kind. . . waarom zij dan wèl?'

Wat ze wèl hopen is dat Nederland bij monde van koningin Beatrix de fouten die het in het verleden heeft gemaakt, zal erkennen. 'Dat is niet alleen nodig om de mensen die daaronder hebben geleden genoegdoening te schenken, maar vooral om de jongere generaties voor dezelfde fouten te behoeden', vindt de in Nederland gepromoveerde jurist Adnan Buyung Nasution.

'De Duitsers hebben dat al gedaan, maar hoe eerlijk en moedig ze ook zijn geweest, er zijn nog steeds jonge Duitsers met neo-fascistische ideeën. Kun je nagaan wat er kan gebeuren in een land dat géén les trekt uit zijn verleden. Het is helemaal niet vernederend als Nederland zijn fouten toegeeft, dat is juist een blijk van grootheid. We moeten uit het verleden leren om meer menselijk te zijn. Tenslotte willen we in deze wereld toch een menselijke samenleving opbouwen.'

Het is deze generatie Indonesiërs die de geschiedenisboekjes heeft geschreven waaruit de studenten en scholieren van nu leren over de Nederlandse tijd. De colleges zijn gebaseerd op de feiten en proberen zowel de goede als de slechte kanten van bepaalde ontwikkelingen te laten zien, zegt Nana Nurliana Soeyono, hoofd van de afdeling geschiedenis aan de letterenfaculteit van de Universiteit van Indonesië, met enige nadruk.

'We geven eerst een algemeen overzicht van de Indonesische geschiedenis, vanaf de komst van de Portugezen en de Nederlanders tot het heden. Daarnaast hebben we afzonderlijke cursussen over bepaalde onderwerpen, zoals de geschiedenis van de Verenigde Oostindische Compagnie, de geschiedenis van de nationalistische beweging en ook over de Indonesische revolutie van 1945-'49, met de Eerste Agressie en de Tweede Agressie, zoals wij de Nederlandse Politionele Acties tegenwoordig noemen.

'Wat de nationalistische beweging betreft, vertellen we de studenten over de opkomst van de jonge intellectuelen, die als gevolg van de Ethische Politiek van de Nederlanders goed onderwijs hadden genoten. Dat positieve aspect erkennen wij dus. Over nationalistische leiders als Sukarno en Hatta vertellen we, gebaseerd op de feiten, dat ze vrij waren om hun nationalistische beweging te organiseren - tot het moment waarop de Nederlandse regering het gevoel kreeg dat ze haar gezag bedreigden. Toen werden Sukarno, Hatta, Sjahrir en andere nationalisten verbannen naar afgelegen eilanden.

'Voor de oudere studenten organiseren we bovendien werkgroepen, waar over bepaalde kwesties wordt gediscussieerd. Het onderwerp van zo'n werkgroep hangt een beetje af van degene die het organiseert. Eén ging er bijvoorbeeld over de vraag of onze onafhankelijkheid een geschenk was van de Japanners, die immers de Commissie ter Voorbereiding van de Indonesische Onafhankelijkheid in het leven riepen, of dat die het gevolg was van de Indonesische bevrijdingsstrijd.

'Een andere werkgroep ging over de Verenigde Staten van Indonesië: over de voors en tegens van de federale staatsvorm. En er was er ook een over de Ronde-Tafelconferentie, waar we zowel het Indonesische als het Nederlandse standpunt bespraken en discussieerden over de vraag of onze onafhankelijkheid ons door de Nederlanders is verleend of dat ze die alleen maar hebben erkend.'

De 23-jarige Darmansyah is al bijna afgestudeerd en zal over enkele maanden afscheid nemen van de uitgestrekte campus met zijn moderne faculteitsgebouwen, zijn schaduwrijke bomen en zijn glooiende gazons. Hij maakt zich ernstig zorgen of hij als historicus ooit wel een baan zal vinden - maar met een beetje geluk is hij straks een van de mensen die de opgroeiende Indonesiërs vertelt over die 350 jaren onder Nederlands bestuur.

'De laatste werkgroep waar ik bij was, ging over de strijd in Surabaya tijdens de revolutie van 1945-'49', vertelt Darmansyah. 'Ik heb toen betoogd dat het een dramatisch keerpunt was in de revolutie, omdat Indonesië tot op dat moment nog maar weinig overwinningen had geboekt. Maar bij Surabaya begingen de Nederlandse kolonialen een fout. Als ze het niet met geweld hadden geprobeerd maar met diplomatiek overleg, hadden ze misschien hun zin gekregen en was Indonesië een federatie geworden. Volgens mij hebben ze toen een kuil gegraven waar ze zelf in zijn gevallen.'

En wat leren de studenten aan de Universiteit van Indonesië nu bijvoorbeeld over Raymond Westerling? 'Ik weet niet zo veel van hem', bekent Darmansyah. 'In Zuid-Celebes heeft hij veertigduizend mensen vermoord, wist u dat wel? Mag ik trouwens vragen wat u in Nederland van Westerling vindt? Is hij voor u een held, of is hij een oorlogsmisdadiger? En hoe denkt u in Nederland over Poncke Princen?'

Marianne Boissevain

Meer over