analyse

In veel landen worden je boetes hoger naarmate je meer verdient – volgt Nederland binnenkort ook?

Bij het opleggen van boetes mogen rechters rekening houden met het inkomen van verdachten. Maar dat gebeurt vaak niet, of erg uit de losse pols. Nieuwe regels moeten daar verandering in brengen.

In artikel 24 van het Wetboek van Strafrecht staat: ‘Bij de vaststelling van de geldboete wordt rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.’ Beeld ANP
In artikel 24 van het Wetboek van Strafrecht staat: ‘Bij de vaststelling van de geldboete wordt rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.’Beeld ANP

Is het eerlijk dat iemand met een bijstandsuitkering voor 20 kilometer te hard rijden een even hoge boete betaalt als een miljonair? Of zou het juist oneerlijk zijn als voor dezelfde overtreding onderscheid wordt gemaakt op basis van iemands portemonnee?

De Tweede Kamer praat donderdag over het ‘draagkrachtbeginsel bij geldboetes’. Zo’n beginsel is sinds 1983 in het Wetboek van Strafrecht opgenomen. In artikel 24 staat: ‘Bij de vaststelling van de geldboete wordt rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte, in de mate waarin dat nodig is met het oog op een passende bestraffing van de verdachte, zonder dat deze in zijn inkomen en vermogen onevenredig wordt getroffen.’

Rechters gaan daar heel verschillend mee om. Een stapeling van boetes brengt mensen soms in onoplosbare problemen. De Raad voor de Rechtspraak adviseerde ‘nader onderzoek te doen naar de invulling en toepassing van het draagkrachtbeginsel’, omdat ook de rechterlijke macht de huidige situatie niet als optimaal beschouwt.

Onthutsend

In december stuurde minister Ferd Grapperhaus (Justitie en Veiligheid, CDA) de uitkomsten van dat externe onderzoek naar de Tweede Kamer. Die waren nogal onthutsend. Rechters houden ofwel geen rekening met de draagkracht van de overtreder (vooral niet bij veroordelingen bij verstek), ofwel maken uit de losse pols een inschatting. Gebruik van formele bronnen, zoals loonstrookjes, komt weinig voor.

‘Rijke verdachten voelen een geldboete minder dan de gemiddelde verdachte’, aldus het onderzoek, waardoor het de vraag is ‘of de strafdoelen vergelding en preventie voldoende worden gerealiseerd’. Met andere woorden: er is geen evenredige leedtoevoeging. ‘Deze willekeur leidt tot een risico op rechtsongelijkheid’, schreef Grapperhaus in maart aan de Kamer.

Hij had inmiddels reacties op het onderzoek ontvangen van het Openbaar Ministerie, de Orde van Advocaten en de Raad voor de Rechtspraak. Die laatste twee organisaties lieten weten dat zij nu overtuigd zijn van ‘het belang van een nadere normering van het draagkrachtbeginsel’. Het kabinet, aldus Grapperhaus, sluit zich daarbij aan: ‘De rechtszekerheid vereist dat een meer consistente benadering en meer uniformiteit geboden is.’

Belastinggegevens

Hoe dat te bereiken? De Raad voor de Rechtspraak gaat bekijken wat het betekent voor rechters als het draagkrachtbeginsel wordt toegespitst. De raad krijgt ‘een voortrekkersrol’. Ook moet worden vastgesteld of zo’n uniforme werkwijze dan ook moet gelden voor strafbeschikkingen bij het OM (door de officier van Justitie) en bij administratieve boetes. Interessante vraag is bijvoorbeeld: moet het Centraal Justitieel Incasso Bureau toegang krijgen tot iemands belastinggegevens om de hoogte van een verkeersboete te bepalen?

Zover is het nog lang niet: de werkgroep van de raad rapporteert pas eind dit jaar. SP-Kamerlid Michiel van Nispen vindt dat de politiek daar niet op hoeft te wachten om een principiële uitspraak te doen. ‘Artikel 24 mag geen slapend artikel zijn. Voor een boete van 170 euro moet een flexwerker zich het brood uit de mond sparen, terwijl een rijke zakenman denkt: schrijf maar af. Zulke tegenstellingen moeten we niet willen, dat kan slimmer en eerlijker.’

Volgens het genoemde onderzoek zijn er twee manieren om ‘draagkracht’ te objectiveren. De eerste is een soort staffel, waarbij de rechter de beoogde boete toetst aan inkomenscategorieën. Verdient iemand minder dan 20 duizend euro, dan zou er een factor 0,5 op een boete moeten worden toegepast. Verdient hij meer dan 2 ton, dan zou bijvoorbeeld een ‘aanpassingsfactor’ 5 denkbaar zijn.

116 duizend euro boete

De tweede variant is gangbaarder. Vijftien Europese landen kennen, met variaties, een ‘dagboetesysteem’. Dat is een boete gebaseerd op het dagelijks besteedbaar inkomen, waarbij in sommige landen ook naar het vermogen wordt gekeken. In de literatuur komt vaak het voorbeeld voor van een Nokia-topman die in Finland voor 25 kilometer te hard rijden 116 duizend euro boete kreeg – hij moest zijn overtreding vele dagen voelen.

Dat vergt een wetswijziging die een eind maakt aan vaste boetes, maar ook aan het principe: gelijke monniken, gelijke kappen. ‘Of juist niet’, zegt Van Nispen. ‘Want als de monniken niet gelijk zijn, waarom zouden de kappen dan wel gelijk moeten zijn?’

Meer over