Reportage

In Servië zijn de schurken uit de oorlog weer helden

Woonflats in Novi Beograd, de wijk in Belgrado waar oud-president Radovan Karadzic zich jarenlang schuilhield, vermomd als alternatieve geneesheer. Beeld Martino Lombezzi
Woonflats in Novi Beograd, de wijk in Belgrado waar oud-president Radovan Karadzic zich jarenlang schuilhield, vermomd als alternatieve geneesheer.Beeld Martino Lombezzi

Dinsdag hoort Ratko Mladic of hij in hoger beroep tot levenslang wordt veroordeeld. Veel andere oorlogsmisdadigers uit Servië zijn alweer vrij. Bij thuiskomst wacht hun een heldenonthaal. Van berouw is meestal geen spoor.

Aan een tafeltje in een restaurant in Belgrado zit een man in een blauwrode ruitjesblouse. Zijn grijze ringbaard is netjes getrimd, op zijn borst hangt een leesbril aan een koordje. Buiten regent het dat het giet. Het lelijke weer doet hem denken aan het land waar hij tien jaar van zijn leven doorbracht: daar regende het ook altijd. Niet dat hij daar veel last van had – naar de grauwe, grijze luchten van Nederland kon hij alleen maar turen door het raam.

Zes jaar geleden kwam hij voor het eerst terug in de Servische hoofdstad. Sommige delen herkende hij nauwelijks nog. In het decennium dat hij weg was, waren nieuwe flatgebouwen uit de grond gestampt en enorme winkelcentra verschenen. Op grote billboards bewoog reclame, de felle kleuren deden hem bijna pijn aan de ogen. Ineens liep iedereen rond met een smartphone, terwijl hij nog gewend was aan zijn oude Nokia.

Van tevoren fantaseerde hij over hoe het zou zijn om terug te keren naar het land dat zijn vaderland was voordat er oorlog uitbrak en het binnen een paar jaar uit elkaar viel. Hij droomde dat hij op de vloer van z’n appartement zou gaan liggen, intens gelukkig om weer thuis te zijn. Hij droomde dat hij les zou kunnen geven op de universiteit: hij was immers gepromoveerd als socioloog, en met al zijn ervaring zou hij de studenten heel wat bij kunnen brengen.

Vinko Pandurevic zat tien jaar gevangen in Scheveningen. Beeld Martino Lombezzi
Vinko Pandurevic zat tien jaar gevangen in Scheveningen.Beeld Martino Lombezzi

Gevangen

Tien jaar zat Vinko Pandurevic (61) in de gevangenis van het Joegoslavië-tribunaal in Scheveningen. In 2001 werd hij aangeklaagd wegens genocide in Srebrenica, waar in 1995 achtduizend moslimmannen op brute wijze werden vermoord. Als commandant was hij een directe ondergeschikte van Ratko Mladic, de Bosnisch-Servische generaal die dinsdag terechtstaat bij het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag.

‘Ik zat in de auto toen ik op de radio hoorde dat ik was aangeklaagd’, vertelt Pandurevic. ‘Ik kon het bijna niet geloven.’ Wel begreep hij meteen dat zijn proces weleens lang zou kunnen duren: genocide is de zwaarste misdaad die een mens kan begaan. Hij besloot onder te duiken: hij had twee zoons van 3 jaar oud, een tweeling. ‘Ik kon ze niet zomaar achterlaten.’

Ruim drie jaar was hij op de vlucht, totdat hij zich in 2005 overgaf. ‘Er stond een prijs op mijn hoofd, nergens was ik meer veilig. Mijn vrouw en kinderen werden gevolgd. Als ik ze zou opzoeken, bracht ik ze in gevaar. Ondertussen vereenzaamde ik. Ik kon niet meer.’ Op de eerste dag in de Scheveningse gevangenis liep hij op de binnenplaats wat onwennig naar een groepje mannen. Toen hij beter keek, zag hij de voormalige president Slobodan Milosevic ertussen staan, die hem direct vroeg wat er nou precies was gebeurd in Srebrenica. ‘Meneer de president, dat weet ik ook niet’, antwoordde Pandurevic, waarop Milosevic begon te vloeken. ‘Jullie zijn allemaal leugenaars!’

‘Klein Joegoslavië’ werd de penitentiaire inrichting na verloop van tijd wel genoemd. De mannen die in de oorlog tegenover elkaar hadden gestaan, konden het in de bak over het algemeen prima met elkaar vinden. Ze kookten voor elkaar, speelden voetbal en keken televisie in de gezamenlijke woonkamer. Met twee Kroaten zat Pandurevic in een yogaklasje, etniciteit maakte niet meer uit. ‘Een beetje net als vroeger, in het Joegoslavische leger’, glimlacht de voormalige commandant. ‘Het enige wat ontbrak was een portret van Tito aan de muur.’

Toch moeten we het beeld van de gevangenis ook weer niet romantiseren, benadrukt hij. Volgens hem was deze gemoedelijke sfeer alleen mogelijk door de omstandigheden: de voormalige vijanden zaten in hetzelfde schuitje en probeerden er het beste van te maken. Bovendien was de directeur een buitenlander. Als het iemand uit de Balkan was geweest, zou het heel anders zijn geweest.

Vrijlating

In 2015 werd Pandurevic veroordeeld voor medeplichtigheid aan misdaden tegen de menselijkheid in Srebrenica – genocide werd in zijn geval niet bewezen. Dertien jaar gevangenisstraf: dat was het vonnis van de rechters in Den Haag. Tot grote frustratie van de nabestaanden van de Srebrenica-slachtoffers was hij een paar maanden na de uitspraak alweer op vrije voeten. Tweederde van zijn straf had hij erop zitten, en daarom kwam hij in aanmerking voor vervroegde vrijlating. In de gevangenis had hij zich altijd netjes gedragen en de voorzitter van het tribunaal vertrouwde erop dat hij prima zou kunnen rehabiliteren in zijn eigen samenleving. Hij is niet de enige: van de 90 Serviërs, Kroaten en Bosniërs die veroordeeld werden, is het merendeel alweer vrij – 59, om precies te zijn.

Wie dacht dat deze mannen hun leven zouden vervolgen in de marge van de samenleving, kwam bedrogen uit. Op de luchthavens van Servië, Kroatië en Bosnië en Hercegovina wachtte de meesten van hen een heldenontvangst: mensen juichten, er was muziek, sommige veroordeelden kusten de grond zodra ze uit het vliegtuig stapten. Regeringsvertegenwoordigers gaven een speech: eindelijk zijn ze weer thuis, onze mannen, nadat hun groot onrecht is aangedaan in Den Haag. Enkelen kregen direct een officiële functie aangeboden, anderen een appartement bekostigd door de staat.

‘Mijn terugkeer was één groot feest’, vertelt Veselin Sljivancanin (67), de voormalige officier van het Joegoslavische leger, die net als Pandurevic jarenlang op de vlucht was voordat hij in 2003 werd opgepakt door de Servische autoriteiten. Vanaf het moment dat hij onderdook, droeg hij een bomgordel die hij wilde laten ontploffen zodra ze hem te pakken kregen, zo beschrijft de Britse journalist Julian Borger in The Butcher’s Trail, over ’s werelds ‘meest succesvolle klopjacht’. Uiteindelijk kon Sljivancanin gearresteerd worden omdat hij op zijn verjaardag besloot zijn dochter op te zoeken – een kardinale fout. Terwijl de ­arrestatieploeg op de muur van haar woning inbeukte omdat het niet lukte door de gepantserde deur heen te komen, wist zijn dochter hem te overreden om zich over te geven. In zijn korte broek en op slippers werd hij naar Den Haag overgebracht.

Sljivancanin is een van de eerste veroordeelde oorlogsmisdadigers die terugkeerde naar Belgrado, precies tien jaar geleden. In 2010 werd hij veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf wegens oorlogsmisdaden in Kroatië, maar omdat hij toen al tweederde van zijn straf had uitgezeten, mocht hij niet veel later zijn koffers pakken. ‘Familie, vrienden, iedereen was naar mijn huis gekomen, ik paste er zelf nauwelijks nog in’, grinnikt Sljivancanin in het kantoor van zijn voormalige advocaat. ‘Tot twee uur ’s nachts hebben we gedronken. De nationale tv-zender wilde me interviewen en ik werd uitgenodigd bij de minister.’

‘Er is geen plan’

‘ICTY celebrities’ worden ze genoemd door Barbora Hola en Joris van Wijk, die voor de Vrije Universiteit onderzoek doen naar de rehabilitatie van oorlogsmisdadigers: mannen die in hun eigen landen beroemd zijn, juist omdát ze in Den Haag terecht hebben gestaan bij het ICTY, zoals de Engelse afkorting luidt van het Joegoslavië-tribunaal. ‘Voor de fase na de veroordeling is in het internationaal strafrecht nooit veel aandacht geweest’, zegt Van Wijk. ‘Miljoenen euro’s hebben die rechtszaken gekost, maar toen die mannen eindelijk waren veroordeeld, hield het denken op. Er is geen plan.’

‘In gevangenissen weten ze niet goed wat ze met deze mannen aan moeten’, vult Hola aan. ‘Aan de ene kant zijn het ‘vijanden van de mensheid’ die de vreselijkste misdaden op hun geweten hebben, uniek in hun soort. Aan de andere kant zijn het meestal heel beschaafde heren die zich, zeker als ze voorheen in het leger zaten, voorbeeldig gedragen. Ze accepteren de hiërarchie in de gevangenis, houden hun cel goed schoon en volgen alle regels netjes op.’

Hun keurige gedrag blijkt een van de belangrijkste criteria om gevangenen vervroegd vrij te laten, blijkt uit de oordelen van de rechters van het Joegoslavië-tribunaal. ‘Voor moslimextremisten zijn er deradicaliseringsprogramma’s, voor mannen die zijn veroordeeld voor seksueel geweld bestaan praatgroepen’, zegt Van Wijk. ‘Maar voor oorlogsmisdadigers? Die worden aan hun lot overgelaten en kunnen in de bak hun eigen gang gaan. Nu velen van hen alweer vrij zijn, zien we dat ze hun misdaden ontkennen en hun ideologieën blijven verspreiden. Verontrustend, zeker als je bedenkt dat het tribunaal niet alleen is opgericht om recht te spreken, maar ook om verzoening tussen de bevolkingsgroepen te stimuleren.’

Tweeënhalf jaar geleden trad een nieuwe voorzitter aan bij het tribunaal, die het beleid rondom vervroegde vrijlating radicaal wijzigde: bij de beoordeling weegt het nu zwaar mee of een veroordeelde berouw toont. Ineens komt bijna niemand meer in aanmerking – nagenoeg alle aanvragen zijn sindsdien afgewezen. ‘Te laat, en bovendien heel oneerlijk’, stelt Hola. ‘Je kunt niet tijdens het spel opeens de regels veranderen. Daarnaast kun je moeilijk van veroordeelden verwachten dat ze berouw tonen als daar in de gevangenis nooit actief aandacht aan is besteed.’

Gevangenisliteratuur

Dat oorlogsmisdadigers hun tijd in Scheveningen juist hebben gebruikt om hun naam te zuiveren en hun ideologieën verder aan te scherpen, blijkt uit de grote hoeveelheid literatuur die zij hebben voortgebracht. Maar liefst 119 werken zagen in de gevangenis het licht: van poëzie en romans tot militaire analyses en persoonlijke memoires. ‘Maar de meeste gaan over de oorlog en over de ‘oneerlijke’ processen in Den Haag’, zegt Vladimir Petrovic, die onderzoek deed naar deze ‘zwarte bibliotheek’. Bosniërs, Kroaten en Serviërs: ze deden niet voor elkaar onder.

Als historicus was Petrovic verbaasd over de enorme productiviteit van de gevangenen en nieuwsgierig naar de inhoud van hun werk. Door het lezen van hun boeken hoopte hij dieper door te dringen in hun ziel – met in zijn achterhoofd de gevangenisliteratuur van mannen als Miguel de Cervantes, Hugo de Groot, Vladimir Lenin en Adolf Hitler. Al snel werd hij teleurgesteld. ‘Het meeste is regelrechte rotzooi’, zegt hij. ‘Deze mannen kunnen natuurlijk niet schrijven, een enkele uitzondering daargelaten. Maar wat me vooral opviel: nergens dringt er iets door van reflectie op hun daden. Hartgrondig zijn deze mannen ervan overtuigd dat zij niets verkeerds hebben gedaan.’

Deze boeken zijn voor de historicus een blijk van het falen van het internationaal rechtssysteem. ‘Zodra deze mannen achter slot en grendel zaten, verloor de internationale gemeenschap haar interesse in hen. Maar heeft een straf nog wel betekenis als iemand niet gestimuleerd wordt om nog eens over zijn verantwoordelijkheid na te denken?’

De gevolgen zijn enorm. Via hun boeken hebben de veroordeelde oorlogsmisdadigers een grote invloed op de samenleving – zeker nu ze weer op vrije voeten zijn en hun gedachtengoed verder kunnen verspreiden via de media. Zonder twijfel de productiefste auteur is Vojislav Seselj (66), vicepremier van Servië tijdens de oorlog met Kosovo in 1999 en bondgenoot van voormalig president Slobodan Milosevic. Hij publiceerde ruim zestig boeken, waaronder een twaalfdelige reeks met transcripten van zijn proces bij het Joegoslavië-tribunaal – van elk ruim duizend pagina’s. Alleen al met titels als Nederlandse klootzak Alphons Orie (2006) en Een banaan voor Kofi Annan (2006) wist Seselj de rechtbank flink te provoceren.

Op handen gedragen

‘Het tribunaal heb ik met de grond gelijk gemaakt’, zegt hij in het kantoor van zijn Servische Radicale Partij. Zeggen is in dit geval een understatement: de politicus buldert zodra hij zijn mond opendoet. Zijn stemvolume is zo hoog dat tolken van het tribunaal last van hun oren kregen als ze de volumeknop niet naar beneden draaiden zodra hij aan het woord kwam. Er loopt nog altijd een zaak tegen hem vanwege minachting van het hof, omdat hij de namen van drie beschermde getuigen in een van zijn boeken openbaar heeft gemaakt. Maar Seselj is niet van plan ooit nog naar Den Haag terug te keren. Hij omringt zich met breedgeschouderde, kaalgeschoren aanhangers die hem op handen dragen – figuurlijk dan, want hun leider weegt inmiddels bijna 200 kilo.

Vojislav Seselj in het kantoor van zijn Servische Radicale Partij.  Beeld Martino Lombezzi
Vojislav Seselj in het kantoor van zijn Servische Radicale Partij.Beeld Martino Lombezzi

‘Met mijn boeken heb ik aangetoond dat het tribunaal illegaal en anti-Servisch is’, vervolgt Seselj triomfantelijk van achter zijn mahoniehouten bureau. De wanden van zijn kantoor zijn van vloer tot plafond bedekt met boekenkasten, alleen gevuld met eigen werk. Zijn laatste pennevrucht is een driedelige reeks over Srebrenica, waarin hij beargumenteert waarom van genocide geen sprake zou zijn geweest. Afgelopen jaar gaf hij veertigduizend exemplaren weg aan het Servische volk, zodat zo veel mogelijk mensen kennis zouden nemen van zijn analyse. ‘Er zijn hooguit duizend mannen omgekomen’, zegt hij. ‘Alleen krijgsgevangen.’ Volgens hem moet je de gebeurtenissen in Srebrenica zien als een legitieme militaire operatie. En dat Ratko Mladic dinsdag terechtstaat voor genocide, vindt hij volkomen belachelijk. ‘Hij was toen niet eens in Bosnië.’

Vojislav Seselj is een populaire gast op televisie, veel Serviërs smullen van zijn optredens. Omdat hij alles en iedereen onderuithaalt en nergens bang voor is, is de entertainmentwaarde groot. Vaak is alles wat hij zegt en doet zo over de top dat hij eerder een komiek lijkt dan een politicus – maar daarin schuilt volgens sommigen juist het gevaar.

In zijn laatste boek beargumenteert Vojislav Seselj waarom in Srebrenica geen sprake zou zijn geweest van genocide.  Beeld Martino Lombezzi
In zijn laatste boek beargumenteert Vojislav Seselj waarom in Srebrenica geen sprake zou zijn geweest van genocide.Beeld Martino Lombezzi

Beroemdheid

Ook Veselin Sljivancanin is een graag geziene gast in de landelijke media. Met vier boeken heeft de oorlogsmisdadiger weliswaar een lagere productie dan Seselj, maar hij toert er wel mee door het hele land. ‘Er zijn zo veel leugens over mij verspreid dat ik vond dat ik een boek moest schrijven’, zegt hij over zijn eerste werk, Ik verdedigde de waarheid: 2.450 dagen in Den Haag (2012). ‘Geen fictie of fantasy, gewoon een criminologisch overzicht, enkel gebaseerd op feiten.’ Hij vindt het belangrijk om vooral de Servische jeugd te informeren over het verleden. ‘De mannen die hebben gevochten voor onze vrijheid mogen niet vergeten worden.’

Veselin Sljivancanin in zijn kantoor. Hij komt vaak in de media en toert met zijn boeken door het land.  Beeld Martino Lombezzi
Veselin Sljivancanin in zijn kantoor. Hij komt vaak in de media en toert met zijn boeken door het land.Beeld Martino Lombezzi

Bijna iedere dag wordt Sljivancanin herkend op straat, vertelt hij niet zonder trots. ‘Sommige mensen houden me staande en vragen of ik het echt ben. Allemaal willen ze met me op de foto.’ Er verschijnt een glimlach op zijn gezicht. ‘Vooral jonge vrouwen.’ Wat hem betreft is er maar één conclusie mogelijk: ‘Ik ben een eerlijke, oprechte man. Als ik een slechte officier was geweest, zou ik nu nooit zo populair zijn.’

Toch was er een paar jaar geleden een protest bij een van zijn boekpresentaties, maar dat incident wuift hij graag weg. ‘Ach, dat waren drie of vier Kroaten’, zegt hij. ‘Dat moet je niet serieus nemen. Die zijn gestuurd.’

De huisgemaakte brandewijn die Veselin Sljivancanin zijn gasten cadeau doet, met zijn naam op het ­label.  Beeld Martino Lombezzi
De huisgemaakte brandewijn die Veselin Sljivancanin zijn gasten cadeau doet, met zijn naam op het ­label.Beeld Martino Lombezzi

‘Een vuist maken’

Ivan Djuric, Marko Milosavljevic en de zeven andere leden van hun spontane actiegroep hebben daar heel andere herinneringen aan. Niet alleen zijn ze allen Serviër en raakten sommige van hen lichtgewond bij het incident, ook kostte het hun een paar kapotte autospiegels en een boete van 50 duizend dinar, zo’n 420 euro, per persoon. ‘We konden die boektour van Sljivancanin niet meer aanzien’, zegt de Servische Djuric (32), programmacoördinator van Youth Initiative of Human Rights, een mensenrechtenorganisatie in Belgrado. ‘Een veroordeelde oorlogsmisdadiger die publiekelijk zijn misdaden bagatelliseert en feiten over de oorlog ontkent, is erg. Maar dat hij wordt uitgenodigd door de zittende regeringspartij is nog veel erger.’

Toen ze de aankondiging zagen van de lezing in Beska, een dorp in het noorden van Servië, voerden ze onderling hevige discussies: gaan of niet gaan? ‘Ik twijfelde of het geen nutteloze exercitie zou zijn’, zegt Djuric. ‘Bovendien was het koud, zeker 15 graden onder nul. Er lag ijs op de weg. Het zou een gevaarlijke tocht worden.’

‘Toch moesten we gaan’, zegt Marko Milosavljevic (29). ‘Als jongeren wilden we een vuist maken.’ Een paar jaar daarvoor waren ze zo opgelucht toen Mladic als laatste voortvluchtige was opgepakt en overgeleverd aan Den Haag. ‘Nu kunnen we eindelijk verder, dachten we. De schuldigen zitten achter de tralies, nu kunnen we deze episode achter ons laten.’ Hun blijdschap was van korte duur. Vol ongeloof keken ze naar de beelden van de eerste oorlogsmisdadigers die alweer terugkeerden uit Den Haag en op een officiële, feestelijke ontvangst konden rekenen. ‘Toen begreep ik dat we het gevecht hadden verloren’, zegt Djuric. ‘Wij hadden altijd benadrukt dat er een verschil is tussen de Serviërs die oorlogsmisdaden hebben gepleegd en de Servische samenleving als geheel. Nu was de officiële regeringsboodschap: we zijn allemaal Serviërs, we zijn allemaal één. En de rest van de wereld is tegen ons.’

Met z’n negenen reden de jonge Serviërs in twee auto’s langs de Donau naar het noorden, in de ijzige kou. Opgepropt op de achterbank maakten ze een plan. ‘Ik had een lange jas aangetrokken, zodat er een spandoek onder paste’, vertelt Sofija Todorovic (29). ‘Zodra Sljivancanin het podium zou bestijgen, zouden wij op onze fluitjes blazen en het spandoek uitvouwen.’ Het zaaltje was bomvol, gespannen wachtten ze op het moment dat de oorlogsmisdadiger het woord nam. Zodra hij de aanwezigen welkom heette, begon de groep keihard te fluiten.

Veel tijd om haar spandoek uit te vouwen had Todorovic niet – in no time werden ze de zaal uit geslagen. Buiten werden hun auto’s vernield, ze konden net op tijd wegvluchten. Tot vroeg in de ochtend zaten Todorovic en Milosavljevic in het ziekenhuis om hun verwondingen aan hoofd, handen en benen te laten controleren. Ze waren nog niet thuis of de regeringsgezinde tabloids kopten al over hun actie. ‘Fascisten’ stond er, en ‘buitenlandse verraders’. ‘Ruim een jaar later veroordeelde de lokale rechtbank ons tot het betalen van een geldboete’, zegt Todorovic. ‘We wilden in hoger beroep gaan, maar dat werd geweigerd.’

De geschiedenis herschrijven

Toch laten de twintigers zich niet uit het veld slaan. ‘Ik ben in 1992 geboren in Belgrado’, zegt Todorovic. ‘Tijdens de belegering van Sarajevo. Pas op mijn 19de hoorde ik daar voor het eerst over, kun je het je voorstellen? Ik wist gewoon niet dat dat was gebeurd.’ Volgens haar is de Servische overheid bezig om systematisch de geschiedenis te herschrijven. ‘Op school en via de media leerde ik niets anders over de oorlog dan dat er Serviërs verdreven waren uit Kroatië, dat Kosovo van Servië was afgepakt en dat Serviërs overal de schuld van kregen terwijl hun slachtoffers niet werden erkend. En dat terwijl ik dacht dat ik een goed geïnformeerde student was.’ Met hun organisatie proberen ze jongeren in verschillende Balkanlanden te bereiken. ‘Alleen als we de waarheid onder ogen zien, kunnen we in vrede met elkaar samenleven.’

‘Begin 2000 waren we optimistisch, zeker toen we Milosevic uit het zadel hadden geworpen’, zegt socioloog Natasa Kandic (74). ‘We hoopten op een toekomst zonder haat. Maar politici uit de Balkan zien elkaar niet als buren, ze zien elkaar als vijanden.’ Met haar Humanitarian Law Center hoopte ze de waarheid over de oorlog boven tafel te krijgen, zodat er ruimte ontstaat om over collectieve verantwoordelijkheid te spreken. ‘Dertig jaar na de oorlog kan ik niet anders dan concluderen dat we de strijd om gerechtigheid hebben verloren. Ieder land promoot zijn eigen versie van de geschiedenis en feiten worden gemanipuleerd.’

Wat Kandic misschien wel het ergst vindt, is dat er al jaren geen politicus meer is opgestaan die bereid is het tij te keren – niet in Servië, niet in Kroatië, niet in Bosnië en Hercegovina. ‘De intellectuelen die nog energie hadden na de val van Milosevic zijn allemaal moe. Moe van het nepotisme, de corruptie, de maffia. Velen zijn ook afhankelijk van de regering: hun positie op de universiteit kan in gevaar komen als ze kritisch zijn.’ Enige tijd had ze nog hoop op druk vanuit de Europese Unie. ‘Maar van Europa hoeven we het ook niet meer te hebben. De Unie is verdeeld tot op het bot en heeft wel wat anders aan haar hoofd dan verzoening op de Balkan. Daarnaast groeit het populisme in landen als Hongarije. Zo iemand als Viktor Orbán: wat moeten we daar nou van verwachten?’

Met lede ogen ziet ze aan hoe veroordeelde oorlogsmisdadigers als ‘experts’ worden uitgenodigd bij praatprogramma’s, terwijl haar de mond wordt gesnoerd. ‘Ik begrijp dat we ze niet kunnen blijven straffen, ze hebben hun tijd in de gevangenis uitgezeten. Maar ze moeten onze samenleving niet vergiftigen met hun haatzaaiende taal, en zeker niet onze jongeren, die nog een hele toekomst voor zich hebben.’

Zwart of wit

In het restaurant in Belgrado roert Vinko Pandurevic een zakje suiker door zijn Nescafé. Zijn leven is getekend, niet alleen door de oorlog, maar ook door het proces dat erop volgde. Dag na dag kwamen getuigen naar de rechtszaal om hun verhaal te vertellen, jarenlang. ‘Ondanks dat het meestal niet over mij persoonlijk ging, was het zwaar om naar deze slachtoffers te luisteren’, zegt hij. ‘Elke keer moest ik de oorlog herbeleven.’

Voor hem is het lastig opnieuw zijn draai te vinden in Servië. Zijn hoop om op de universiteit les te geven is vervlogen: in tegenstelling tot sommige veroordeelden lukte het hem de afgelopen jaren niet om weer aan de bak te komen. Misschien komt het doordat zijn rol in Srebrenica complexer was dan die van andere hooggeplaatste militairen. Volgens het tribunaal was hij niet alleen medeplichtig aan de dood van duizenden Bosnische moslims. Hij speelde ook een cruciale rol in het redden van duizenden anderen.

Maar sinds de oorlog bestaat op de Balkan alleen zwart of wit, voor grijs is weinig ruimte. Als Pandurevic wordt uitgenodigd bij een praatprogramma op tv, zijn de reacties veelal kritisch, zegt hij. Weliswaar ontkent hij net als de andere veroordeelden zijn eigen betrokkenheid bij de massaslachting in Srebrenica en betwist hij het aantal doden dat het tribunaal heeft vastgesteld, maar tegelijkertijd benadrukt hij hoe gruwelijk de gebeurtenissen in Srebrenica waren. ‘Er zijn daar vreselijke dingen gebeurd, daar mogen we als Serviërs echt niet trots op zijn’, zegt hij. Hij haalt de Duitse filosoof Karl Jaspers aan, die onderscheid maakt tussen verschillende vormen van verantwoordelijkheid. ‘Juridisch gezien voel ik me niet verantwoordelijk, maar moreel gezien wel: ik was in dat gebied, ik had moeten weten wat daar gebeurde.’

Deze houding komt hem op veel onbegrip te staan. ‘Servische nationalisten vinden dat ik niet patriottisch genoeg ben, en linkse activisten vinden mij een genocide-ontkenner en een fascist. In Servië bestaan twee kampen, en beide weten zich niet goed raad met mij. Op z’n zachtst gezegd zijn ze niet echt gecharmeerd van mijn uitspraken.’

Met dank aan Marina Lalovic en Jelena Dobricic. Deze productie kwam tot stand met steun van het Journalismfund.eu

Uitspraak in hoger beroep Mladic

Ratko Mladic, de ‘slager van Srebrenica’, hoort dinsdag in hoger beroep of hij inderdaad levenslang de gevangenis in gaat voor genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven, onder andere in Srebrenica en Sarajevo. Eind 2017 legde de Nederlandse rechter Fons Orie hem al levenslang op. Vloekend en tierend werd Mladic toen uit de rechtszaal verwijderd, nog voordat het vonnis was uitgesproken. Zowel de aanklagers als de verdedigers gingen in hoger beroep.

Dat de inmiddels 79-jarige Mladic pas 26 jaar na de genocide definitief wordt veroordeeld, komt mede doordat hij zich jarenlang heeft schuilgehouden voor de internationale opsporingsdiensten. Precies tien jaar geleden werd hij ontmaskerd en gearresteerd in Lazarevo, een dorp in het noorden van Servië. Ziek en sterk vermagerd werd de ooit zo zelfverzekerde Bosnisch-Servische generaal op het vliegtuig gezet naar Nederland en overgebracht naar de gevangenis in Scheveningen. Vanaf dat moment claimen zijn advocaten dat hij te zwak is om berecht te worden, maar daar denken de rechters anders over.

59 van de 90 veroordeelden weer vrij

Van de 90 Serviërs, Kroaten en Bosniërs die door het Joegoslavië-tribunaal zijn veroordeeld, zijn er 59 weer op vrije voeten – 9 zijn er overleden en 22 zitten er nog vast.

De beroemdste gevangene is Radovan Karadzic, de voormalige president van de Bosnische Serviërs, die anderhalve week geleden is overgebracht van Scheveningen naar een gevangenis in Groot-Brittannië. Daar zal hij een levenslange straf uitzitten voor onder andere de genocide in Srebrenica. In 2008 werd hij opgepakt in Belgrado, waar hij zich in een woonwijk bleek te hebben verschanst onder de schuilnaam Dragan Dabic. Vermomd als alternatieve geneesheer, met een imposante baard en een grijs knotje, wist hij dertien jaar lang uit de handen van de opsporingsdiensten te blijven.

De Serviërs Javica Stanisic en Franko Simatovic zijn de laatsten die nog in Den Haag terechtstaan. Deze kopstukken van de geheime dienst werden in 2013 vrijgesproken van vermeende oorlogsmisdaden in Kroatië en Bosnië en Hercegovina, maar in hoger beroep besloten de rechters dat het proces opnieuw moest worden uitgevoerd.