In New England is het niet pluisNathaniel Hawthorne over materieel verval en morele ontreddering

Anders dan de Russische, is de Amerikaanse literatuur van de negentiende eeuw een vrijwel onontsloten terrein. Er bestaan vertalingen van Edgar Allan Poe, van Moby Dick, van Huckleberry Finn, van De negerhut van oom Tom, van een enkel boek van Henry James, maar het lijken vooral incidenten....

De situatie is enigszins te vergelijken met die waarin de Amerikaanse schilderkunst zich bevindt. Van Winslow Homer of van Thomas Eakins heeft een enkeling misschien wel eens gehoord, maar Europese bezoekers raken op de Amerikaanse afdelingen van de belangrijke musea in de Verenigde Staten in meerderheid de kluts kwijt. Namen als die van Jasper Francis Cropsey of Frederic Edwin Church zijn even exotisch als poire à la belle Hélène in een drive-in restaurant.

De moeilijkheid is dat daardoor nauwelijks greep is te krijgen op de verbeeldingswereld waarvan al die Amerikaanse schilders en schrijvers de representanten zijn geweest. De ingewikkelde achtergronden van Quakers en Puriteinen, van Methodisten en Unitariërs zijn zonder een uitvoerige theologische bijscholing al nauwelijks te volgen, en nog gecompliceerder wordt het wanneer men observeert hoe al deze verschillen ook nog eens begeleid werden door de merkwaardige politieke en utopische leerstukken die grotendeels voortkwamen uit een in hoofdzaak romantische opvatting van de Amerikaanse werkelijkheid - en uiteraard door de frustraties die daarvan weer het gevolg waren.

De schrijver Nathaniel Hawthorne (1804-1864) is een voorbeeld van iemand die een tijdlang bijzondere betekenis hechtte aan de collectieve organisatie van boeren, handwerkslieden en kunstenaars, en aan de gedachte dat de intensieve samenwerking tussen deze beroepsgroepen - in combinatie met een eenvoudig dieet en niet al te opzichtig uiterlijk vertoon - een wezenlijke bijdrage kon leveren aan het geluk van de menselijke soort. Hij was betrokken bij het zogenoemde Brook Farm-project in Massachusetts, een socialistisch experiment dat grote nadruk legde op het wederzijdse verband tussen geest en materie en op de geprononceerde moraal die daaruit zou kunnen worden afgeleid. Het is niet zonder ironie dat Hawthorne na verloop van tijd zijn geloof in dit collectivistische gezever verloor, en zich vervolgens - gedreven door louter economische motieven - moest laten omscholen tot ambtenaar bij de douane.

In elk geval heeft die preoccupatie met goed en kwaad haar sporen nagelaten in Hawthornes literaire werk, in de roman The Scarlet Letter, uit 1850, en in het iets minder bekende The House of the Seven Gables van een jaar later. Van het eerste boek bestaat sinds jaar en dag een Nederlandse versie. Het tweede is nu voor het eerst, door Anton Haakman, vertaald.

Het is een moraal die even grimmig is als duister, even dwingend als verlammend. Het 'Huis met de zeven gevels' staat in New England en is in het laatste kwart van de zeventiende eeuw gebouwd door een puriteinse kolonel, Pyncheon genaamd. In een eerder stadium had deze de eigenaar van de grond ter dood laten brengen. Deze figuur, Matthew Maule, zou zich aan hekserij en toverij hebben schuldig gemaakt. Hij werd vervolgd en terechtgesteld, en op het schavot heeft hij een vloek uitgesproken over zijn rechter en diens nageslacht: God zal hem bloed te drinken geven.

Al meteen blijkt die vloek zeer effectief: nauwelijks heeft Pyncheon zijn landhuis voltooid en ingericht, of hij sterft onder duistere omstandigheden achter zijn schrijftafel. Het water van de bron - Maule's Well, zo genoemd naar de oorspronkelijke eigenaar, en middelpunt van het landgoed - wordt onmiddellijk brak en ondrinkbaar. 'En', schrijft Hawthorne, 'zo is het nog steeds; en elke oude vrouw uit de omgeving zal bevestigen dat wie zijn dorst eraan lest, last krijgt van ingewandsstoornissen.'

Die ingewandsstoornissen keren terug in alle vormen van verval, ziekte en geestelijke verkommering waardoor de opeenvolgende generaties Pyncheon worden bezocht. In een periode van ruim een eeuw verandert het landhuis van trots en aristocratisch familiebezit in een vermolmde en naargeestige bedoening waarvan hele stukken niet meer worden bewoond en waaraan het stof van jaren alle glans heeft ontnomen.

Tegen die achtergrond beschrijft Hawthorne een wereld waarin het materiële verval onophoudelijk wordt begeleid door de aankondiging van een totale morele ontreddering, 'alsof een porseleinen vaas waar al een barst in zat tegen een granieten zuil werd gesmeten'. Het is hetzelfde graniet dat al meteen aan het begin van de roman verwijst naar de onverzettelijke en meedogenloze natuur van de stamvader van de familie, de kolonel wiens 'gezonde verstand zo massief en hard was als brokken graniet, met ijzeren krammen bijeengehouden door zijn grote wilskracht'.

Tegenover de wilskracht van de stamvader staat het onvermogen van zijn nakomelingen. Tegenover zijn opportunisme staat hun persoonlijke onschuld die bedorven wordt door een morele erfenis - door de vloek die door het verleden wordt opgedrongen. Zij bewonen een huis dat besmet is, ze zijn deelnemers aan een project dat onherroepelijk is gedoemd doordat in de beginfase de morele dilemma's door het gezonde verstand, dat wil zeggen: het eigenbelang, niet zijn gerespecteerd. Vandaar ook de vernedering die zich aandient zodra de laatste bewoonster, Hepzibah Pyncheon, een verzuurde oude vrijster, door financiële omstandigheden gedwongen wordt achter een van de gevels een winkeltje met snoep, speelgoed en andere kleinigheden te vestigen. Het is het belletje boven de deur dat het kritieke moment inleidt waarop elke zenuw in haar lichaam venijnig begint te sidderen en alle schaduwen van het verleden haar bij de keel grijpen. In The Scarlet Letter schreef Hawthorne: 'The founders of a new colony, whatever Utopia of human virtue and happiness they might originally project, have invariably recognized it among their earliest practical necessities to allot a portion of virgin soil as a cemetery, and another portion as the site of a prison.'

In Het huis met de zeven gevels zijn kerkhof en gevangenis met elkaar versmolten. Het nageslacht is voorbestemd de klos te zijn, de dagen te slijten in een omgeving die niet pluis is, en in de verweerde spiegel boven de schoorsteenmantel de openstaande rekeningen te lezen van een zonde die nooit meer zal worden weggepoetst. Of, om een indruk te geven van het idioom waarin Hawthorne het formuleert: een kwaadaardige nachtmerrie heeft de geest gegeven en zijn slappe kadaver achtergelaten op hun borst.

Nathaniel Hawthorne: Het huis met de zeven gevels. Uit het Engels vertaald door Anton Haakman. Meulenhof, ¿ 55,-.

Meer over