'In mijn verzen geen stormen'

Hij heeft een algemeen cultureel en literair gegeven op bewonderenswaardige wijze naar zichzelf toe verbijzonderd. De renaissancebrief kende een sterk 'behaagkarakter': in elegantie van stijl, in lichte of soms te aangezette vleierijen, in speelse eruditie, in fraaie woordrijke nietszeggendheden en natuurlijk in het meest sierlijke Latijn trachtte de briefschrijver zijn...

Misschien valt dit aan zijn de brieven uit zijn vroege jaren het meest op: de onophoudelijke uitingen van vriendschap en liefde tegenover correspondenten. Huizinga heeft erop gewezen dat de vriendschappelijke briefwisseling tussen kloosterlingen al in de 12de eeuw de toon van een sterk gevoel draagt. Maar men wist zich toen met de ander deelgenoot in de liefde van God. Caritas verwekte amor! Bij Erasmus is de gemeenschappelijke liefde die voor de schone letteren. Het delen daarin laat de persoonlijke gevoelens ontstaan en opvlammen, soms tot de lage hoogte van de sentimentaliteit.

De beoefening van de schone letteren was veel meer dan een louter literaire bezigheid. Men werd er een beter mens van. De deugd bloeide op onder het lezen en schrijven. Als men dit bedenkt, dan had de vriendschappelijke correspondentie tussen de geletterden een in alle opzichten seculier karakter. Maar, moet men erbij denken, die eenzijdigheid was ook een gevolg van het verzwijgen. De oorzaak daarvan is de voorbeeldigheid en daardoor het in sommige opzichten onpersoonlijke karakter van de brief. Men schreef elkaar ook 'modellen', en dat in een andere dan de moedertaal: het Latijn. Men moet die 'modellen' en het Latijn grondig kennen om het persoonlijke eruit te kunnen schiften. Bij Erasmus is dat heel moeilijk. Hij is ook de virtuoos van het literair verbloemen.

Er zijn van Erasmus 3141 brieven bewaard gebleven. Dat is heel veel. Die hoeveelheid heeft alles te maken met zijn behoefte aan aanwezigheid. Het is een oud gegeven: de brief vervangt de persoon van de schrijver ervan. Ontelbare keren leest men bij Erasmus variaties hij was een meester in het varin op die aanwezige afwezigheid die het ontvangen van een brief is. De vroegste brieven bewegen zich in kleine kring: hij kent nog weinigen. Maar omstreeks 1500 hij is dan rond de 33 jaar heeft zijn kring zich uitgebreid en is hij van een verborgen kloosterling in een onaanzienlijk Hollands klooster een beroemdheid geworden.

De kring van zijn correspondenten is wijd geworden. De kloosterling is ook een wat ongedurige reiziger geworden. De kloosterverlater pas veel later zal hij officieel van zijn geloften worden ontslagen is een kleine zelfstandige die niet zonder beschermheren kan. In enkele jaren heeft Erasmus zich ook ontwikkeld tot de volkomen tobber en klager die hij de rest van zijn leven zal blijven en die hem zo menselijk maakt (en zijn brieven soms persoonlijk).

De brieven van Erasmus zijn in Nederlandse vertaling alleen in enkele (voortreffelijke) bloemlezingen beschikbaar. Uitgeverij Ad. Donker in Rotterdam (Erasmus' geboorteplaats) is met een gigantische onderneming begonnen: de uitgave in het Nederlands van alle brieven. M.J. Steens is de vertaler. Er is een kleine begeleidingscommissie. De uitgave zal uit 22 delen bestaan. Als het laatste deel verschijnt, heb ik Erasmus' laatste woorden 'Lieve God' al lang geleden uitgesproken. De uitgave getuigt van een optimisme dat aan de sceptische geest van Erasmus vreemd was. Deel I, 141 brieven, geschreven tussen 1484 en 1500, is zojuist verschenen.

We beginnen in Gouda, en bij de laatste brief woont Erasmus weer in Parijs. Hij heeft zich wonderbaarlijk snel ontwikkeld, niet als denker (dat was hij niet) maar als lettrhij is een zeer groot kenner der letteren, een heel groot filoloog ook, een uitgever van teksten, met commentaar. Zijn leven is vanaf zijn eerste kloosterdag een leven in boeken geweest. (De bibliotheek in dat Hollandse klooster moet voortreffelijk zijn geweest; wat heeft hij er niet uit kunnen lezen. Later heeft hij Holland en kloosters! lomper gemaakt dan het was.) Niet alleen brieven van, maar ook brieven aan Erasmus zijn in de bundel opgenomen. Onder zijn correspondenten zijn enkele voortreffelijke briefschrijvers, die minder recht in de humanistische leer zijn dan Erasmus en daardoor soms ook aangenamer, want concreter. Erasmus is de meester van de abstractie, zelfs in zijn vleierijen. (Schitterend is een brief van de Franse humanist Robert Gaguin die alle pluimstrijkerijen als overdadige gelegenheidslof van zich afschrijft.) Het eerste bezoek aan Engeland lijkt een keerpunt in Erasmus' leven; hij geeft dat zelf toe. Hij wordt opgenomen in een elegantere cultuur, ontmoet enkele zeer groten als Colet en More, zijn geest verwijdt zich. Hij is definitief niet meer de bastaard uit Rotterdam.

Wat al in dit eerste deel vrij goed zichtbaar wordt is de grote verbondenheid van de humanisten, over heel Europa. Ze lezen elkaars werken, bestuderen de klassieken door hun geestgenoten uitgegeven en becommentarieerd, ze schrijven elkaar brieven, elkaar aftroevend in het Latijn en in de citaten. Ze vormen een gemeenschap. De reformatie zal die eenheid kapotmaken.

In een karakteristiek van zijn poe heeft Erasmus zichzelf uitstekend omschreven: die licht ongrijpbare, bij elke confrontatie zich terugtrekkend in het slakkenhuis van zijn eruditie, de verzwijger eerder dan de spreker. Het volgende schrijft hij onder meer op zijn verjaardag aan de van oorsprong Friese Johan Sixtinus:

'Mijn verzen gaan spaarzaam om met hevige gevoelens en roeren deze zelden aan. Zij onthouden zich geheel en al van heftige gemoedsuitstortingen, die men passie noemt; in mijn verzen geen stormen(. . .). 'De woorden zijn van een grote soberheid en blijven liever binnen de maat dan er ver buiten te worden meegesleept (. . .).

'Geen enkele opschik, maar de natuurlijke kleur, en zelfs die nog wat kan ik er aan doen? enigszins grauw en verschoten als een wezel. Ze verbergen hun kunst op een manier dat je deze (. . .) niet kunt grijpen!'

Hij was ook een Hollander.

Meer over