In Kworigik herinnert niets aan de 21ste eeuw

Zuid-Soedan gaat vanaf zondag na het referendum over onafhankeljkheid een onzekere toekomst tegemoet. Fatsoenlijke scholing van de bevolking ontbreekt. Zoals in het leefgebied van het Mundari-volk waar het leven eeuwenlang een eigen dynamiek heeft.

KWORIGIK - Alphonso Lado zou niet kunnen zeggen hoe veel koeien hij heeft. Vreemde vraag ook, die naar een exact getal. Maar als er ook maar eentje kwijtraakt, weet hij onmiddellijk dat zijn kudde niet meer compleet is.


Zijn broer Dieri knikt instemmend. De veehoeders van Zuid-Soedan, zij weten precies wat zij moeten weten.


En dat al eeuwen. Het leven van deze mensen en hun vee is in al die jaren ook nauwelijks veranderd. In dit gebied kom je, en dat is zeldzaam tegenwoordig, een Afrika tegen dat niet aangeraakt en zeker niet verstoord lijkt door het contact met de rest van de wereld. Het leven hier kent een volstrekt eigen dynamiek.


Zoals in het gehucht Kworigik, niet ver van de plek waar we Alphonso en zijn broer met de koeien zagen verdwijnen richting de plekken waar in dit droge seizoen het gras nog groen en eetbaar is. Het leven bij ons, zegt iemand uit de gemeenschap, is 'puur en blij'. En dat alles, omdat het bestaan draait om de omgang met het vee. De dieren zijn hun voedsel, hun drinken en hun kapitaal.


De jonge veehoeders smeren hun gezichten, halzen, armen en benen in met de as van verbrande koeienpoep. De grijze stof beschermt hen tegen tse-tsevliegen en andere schadelijke insecten. De van nature soms bijna paars-zwarte knapen zien er door de as uit als melancholieke clowns in een doodserieus circus. De halfgescheurde jurken die sommigen dragen maken hen bijna sekseloos.


De 'bewoonde wereld', in dit geval die van de Zuid-Soedanese hoofdstad Juba, is amper een uur rijden met de auto hiervandaan. Maar in de wereld van deze leden van het Mundari-volk is vrijwel niets dat aan de 21ste eeuw doet denken.


En toch voelen zij zich wel degelijk onderdaan van een binnenkort te ontstaan, nieuw land. Ook zij zullen vanaf zondag naar stemlokaaltjes gaan om te kiezen voor de onafhankelijkheid van Zuid-Soedan.


Wie vraagt waarom, krijgt als standaardantwoord vrijwel steeds te horen dat de Zuid-Soedanezen onder het juk van 'die Arabieren' uit willen. Ook op het platteland zijn de islamitische heersers uit het Noorden, uit de hoofdstad Khartoem, allesbehalve geliefd. 'We willen ons vrij maken', zo luidt overal het parool. Daarna zou alles zo maar goed kunnen komen.


Wari Lodu denkt er al net zo over. Hij loopt naar de tukul, de kleine hut die hij met zijn twee vrouwen en vijf kinderen deelt, om de stemkaarten van de familie te voorschijn te halen. Lodu kleedt zich snel om, want hij wil laten zien dat hij zich voor het plechtige moment van het referendum uiteraard ook gepast zal kleden. En inderdaad, in zijn gerafelde en licht fladderende trainingspak ziet hij er uit als een man die de wereld met vertrouwen tegemoet kan gaan.


Dat vertrouwen is vooralsnog op vrijwel niets gebaseerd. Zuid-Soedan is door het Noorden niet enkel onderdrukt, maar in het kielzog daarvan ook onderontwikkeld gehouden. De sprong naar de moderniteit die zo veel Afrikaanse landen momenteel maken, zal voor het nieuwe land neerkomen op een sprong over de Grand Canyon. Zonder aanloop, wel te verstaan.


Voor een omgeving als die bij Kworigik geldt een verharde weg als iets waar de koeien hooguit last van hebben. Uit de waterput komt enkel vocht als de vrouwen zich op de stang ervan werpen, als worstelden zij een overvaller tegen de grond. Eén vrouw heeft een zaklamp, dus over elektriciteit hoeven we het verder niet te hebben. Van het bestaan van schooltjes en kliniekjes hebben deze dappere Zuid-Soedanezen enkel gehoord.


En dit beeld geldt vrijwel overal in het enorme gebied dat Afrika's 54ste zelfstandige land wil zijn. Misschien moet het zo worden gezegd: Zuid-Soedan kan vooralsnog zelf niet aan de rest van de wereld raken; zelfs niet aan de rest van het continent.


En dat terwijl ook de mensen hier zich langzaam een beeld weten te vormen van een andere wereld die daarbuiten bestaat, en die wellicht toch ook voor hen de moeite waard zou zijn.


Wie dus van ontwikkeling wil spreken, mag zich voorbereiden op een lang en moeizaam gevecht. Heel anders dan bij de worstelwedstrijd tegen het andere dorp, waar de jongemannen van Kworigik zich letterlijk voor opmaken. Dan immers gaat het om 80 procent ritueel en om slechts een klein, vriendelijk gevecht met de tegenstander. Fascinerend om te zien, en in niets gelijkend op de bittere slag die het echte leven soms kan zijn.


Het worstelplezier is er trouwens niet minder om. Dat zag Leni Riefenstahl zo'n zeventig jaar geleden bij de Nuba-Soedanezen, dat is hier op een doodgewone vrijdagmiddag in 2011 nog net zo goed te zien. Om de worstelaars op te peppen, worden zij door hun vrienden genoeglijk afgerost met een takkenbos. De jongemannen lopen door de 'arena' al net als hun koeien, de beesten die zich opgedreven voelen en halsstarrig rondspringen als zij door de veehoeders naar hun kraal worden gedreven. Misschien ook wel hebben de koeien het van de jongemannen afgekeken.


Tegen de avond komen de mensen langzaam terug naar hun tukuls en naar de zanderige velden waar zij het vee voor de nacht zullen vastzetten aan houten paaltjes. De kalfjes zijn niet uitgegaan. De koeien en stieren, met hun machtige hoorns, zullen pas in het donker terugkeren.


De kinderen en jonge meisjes wachten de komst van de anderen af. Weer loopt een dag in hun eenvoudige, maar zo bijzondere leven ten einde.


Een meisje werpt in een blik in een gebroken spiegeltje. Zij glimlacht.


Tevreden.


Meer over