In Kosovo en Servië is de rancune slechts gegroeid

De onlusten in Kosovo vloeien niet voort uit een nieuwe ontwikkeling, maar uit het uitblijven daarvan. Albanezen en Serviërs vinden de huidige situatie steeds ondraaglijker....

De onlusten begonnen zondag in de etnisch gedeelde stad Mitrovica. Later op de dag escaleerde de situatie op diverse andere plaatsen. Albanezen raakten zowel slaags met Serviërs als met eenheden van de VN-politie die het geweld vergeefs in de kiem trachtten te smoren. Laat in de avond gingen in de Servische hoofdstad Belgrado tienduizend mensen de straat op. Uit woede over de volgens hen onhoudbare situatie voor in Kosovo achterbleven Serviërs - honderdduizend Serviërs werden in 1999 door Albanezen verjaagd - staken zij de enige overgebleven moskee in de stad in brand. Deze dateerde nog uit de Ottomaanse tijd, toen de meeste Albanezen in tegenstelling tot de orthodox-christelijke Serviërs het islamitische geloof aannamen.

Ook in de zuidelijke stad Nis brandde een moskee af. Ultranationalistische leiders riepen Serviërs op de bedreigde volksgenoten in Kosovo te hulp te schieten. De NAVO versterkte in allerijl haar troepenmacht KFOR met eenheden uit Bosnië.

De onlusten in Kosovo zijn de ernstigste sinds het einde van de oorlog in 1999. Ze zijn echter allerminst uit de lucht komen vallen. Sinds de NAVO in 1999 Kosovo na bijna twee maanden bombarderen aan het gezag van Milosevic had ontfutseld, is de situatie in de provincie gespannen gebleven. Al bijna vijf jaar vallen er bijna wekelijks doden, meestal aan Servische zijde, bij kleine geweldserupties. Dat woensdag het geweld zo massaal was dat het internationale bestuur het niet kon smoren, komt niet doordat er in Kosovo iets is veranderd, maar juist doordat er niets is veranderd.

Kosovo wordt sinds juni 1999 bestuurd door de VN. Officieel gaat het om een interim-bestuur, maar het einde ervan is niet in zicht.

Toen Kosovo vijf jaar geleden onder internationaal bestuur werd geplaatst, hoopten de Albanezen - sinds de oorlog 95 procent van de bevolking - dat het om een korte overgangsfase zou gaan naar totale onafhankelijkheid en zelfbestuur. Maar nu zit de VN er nog steeds en maakt Kosovo conform VN-resolutie 1244 nog steeds deel uit van Servië. Het gevolg is dat de bevolking de internationale gemeenschap nu net zo wantrouwt als de Serviërs. De in enclaves levende Serviërs houden in Albanese optiek de band met Belgrado in stand. Het internationale bestuur probeert de status quo met pappen en nathouden alsmaar te verlengen. Het opvallendst van het recente geweld is dat de Albanezen hun woede zowel koelen op voertuigen van de VN en KFOR als op Servische bezittingen.

De honderdduizend in de provincie achtergebleven Serviërs zijn de afgelopen jaren niet tot nauwelijks in het nieuwe Kosovo geïntegreerd. Ze leven in enclaves en in de goeddeels Servische noordstrook en zijn volledig op Belgrado gericht. Hun enige hoop is het herstel van het Servische staatsgezag zoals dat voor 1999 bestond. Servische media voeden die hoop. De frequente berichten over Servische doden in Kosovo doen in de rest van Servië de verontwaardiging stijgen. De sterke comeback van de nationalistische partijen bij de parlementsverkiezingen van december duiden op de groeiende rancune.

De verhoudingen staan net zo op scherp als in 1999. Anders dan in Bosnië is het de internationale gemeenschap vrijwel nergens in Kosovo gelukt de bevolkingsgroepen nader tot elkaar te brengen. Slechts een zeer select groepje Serviërs en Albanezen heeft onderling contact, meestal dankzij internationale organisaties.

Een oplossing is ver weg. Wellicht lukt het de internationale gemeenschap met troepenversterkingen het huidige geweld te beeindigen. Maar structureel verandert dat niks. Een week later kan alles opnieuw escaleren.

Sinds 11 september en de daaruit voortgevloeide 'strijd tegen het terrorisme' staat Kosovo onderaan de agenda. Maar de risico's van deze situatie worden steeds groter. De status quo is een erg ongemakkelijke geworden.

Meer over