Bericht uitHongarije

In Hongarije is baren een nationale obsessie geworden

Er zijn uitvindingen waar het te weinig over gaat, en dan doel ik niet op de appelboor of Sportlife (hoed af voor de producent, ik heb nergens betere kauwgom gevonden). Ik heb het over het fenomeen nation branding, waarbij landen in de markt worden gezet als hippe merken. Toen ik onlangs landde op het vliegveld van Boedapest en de slurf inliep, bleek iemand het behang onder handen te hebben genomen. Aan de muur hing de nieuwe slogan van de regering.

‘Family friendly Hungary.’

Ernaast: vijf bolletjes c.q. gezichtjes. Wie daarin een regenboogfamilie leest van twee kinderen plus twee papa’s en een moeder, moet onmiddellijk de mond spoelen met Hongaars wijwater. Sla de Hongaarse grondwet er maar op na: een vader is een man, een moeder een vrouw – einde discussie. Welkom thuis, dacht ik onwillekeurig, terwijl mijn kinderloze geliefde en ik richting bagageband liepen.

Wat was hier aan de hand? Geboortepolitiek begint, al het bewijs overziend, een nationale obsessie te worden. De reden is simpel: er zijn steeds minder Hongaren. Dus bestaat er nu een nationaal instituut voor demografie en familie, opgericht in 2018, ook wel bekend als het ‘jaar van de familie’. Ivf-behandelingen zijn gratis. Er is een minister voor Familiezaken die de wereld over reist met ronkende statistieken in haar koffer. Het aantal huwelijken? Gestegen! Het geboortecijfer? U raadt het.

Katalin Novák, de minister voor Familiezaken, reist de wereld over met ronkende statistieken over de Hongaarse bevolking.  Beeld EPA
Katalin Novák, de minister voor Familiezaken, reist de wereld over met ronkende statistieken over de Hongaarse bevolking.Beeld EPA

Diezelfde minister, Katalin Novák (v), nam een spotje op waarin ze de klok van de emancipatie met zichtbaar plezier honderd jaar terugdraaide. Ze riep vrouwen op meer tijd door te brengen in de keuken (‘ik ben dol op bakken’) en te stoppen met het gedram dat ze altijd maar hetzelfde willen verdienen als mannen.

Het blijft niet bij woorden: haar regering trekt royaal de portemonnee. Moeders met drie kinderen hoeven de rest van hun leven geen inkomstenbelasting te betalen. Pasgetrouwde koppels kunnen tegen een lage rente een lening afsluiten voor 30 duizend euro, in ruil voor de belofte dat ze drie kinderen krijgen. Blijft het bij twee, dan moeten ze tweederde terugbetalen. Worden het er inderdaad drie, dan verandert de lening in een gift.

Tijdens een regeringscongres zag ik hoe een professor de geboortecijfers van Pakistan uit zijn binnenzak toverde (hij had ook een willekeurig ander islamitisch land kunnen nemen) en begon voor te rekenen wat Hongaarse moeders voor elkaar moesten boksen om aan te pikken in de mondiale baarmarathon.

Het deed me denken aan een goede vriend, Attila, scenarist van beroep en bepaald geen aanhanger van de regering. Onlangs zagen we zijn recentste creatie, Második kör (‘Tweede ronde’), een korte film met een orwelliaanse wereld als decor. Alleen koppels die een reeks strenge vraaggesprekken doorstaan, krijgen toestemming om een kind te baren. Openingsscène: zeven nerveuze stellen, wachtend in een non-descript halletje tot ze bij een comité van wijzen mogen uitleggen waarom hun nog ongeboren kind het land onmetelijk meer geluk zal brengen dan dat van de buren.

‘Ik heb het principe van de geboortepolitiek op z’n kop gezet, zoals dat alleen met fictie kan’, vertelde Attila me op een terras in de binnenstad. Hij voegde eraan toe dat het oorspronkelijke scenario waarvoor hij subsidie had gekregen van het nationale filminstituut, er net wat anders uitzag dan het eindresultaat. ‘De politiek gevoelige dingen heb ik er daarna pas in gezet.’ Hij keek me aan, een lach van oor tot oor.

Meer over