bericht uit

In het voetbalteam van mijn zoon in Londen is de aanwezigheid van een wedstrijdbal geen garantie

Patrick van IJzendoorn
De zoon van Patrick IJzendoorn speelt in Greenwich Peninsula, een voetbalclub in Londen zonder accommodatie.  Beeld Patrick van IIzendoorn
De zoon van Patrick IJzendoorn speelt in Greenwich Peninsula, een voetbalclub in Londen zonder accommodatie.Beeld Patrick van IIzendoorn

Bij een bekerwedstrijd in Addlestone, een plaats net ten zuidwesten van Londen, kwam ik een paar maanden geleden een voetbalbestuurder tegen die dolenthousiast bleek te zijn over Nederland. Dat komt vaker voor. Iedere Engelsman houdt van Cruijff, Gullit en Bergkamp. Maar Robert Mitchell, oprichter van Abbey Rangers, doelde op iets anders: de accommodaties in het amateurvoetbal. Tijdens een bezoek aan Zuid-Limburg, bijna veertig jaar geleden, had hij zijn ogen uitgekeken. De kantines! De kleedkamers! De drainage van de velden! ‘Ik voelde me een ontdekkingsreiziger.’

Voor een Nederlander is dat vrij gewoon. Omkleden in kleedkamers, thee of ranja tijdens de rust, na de wedstrijd een warme douche, en dan een broodje kroket in de kantine. Als junior bij DOSC, in de jaren tachtig, wist ik niet beter. Of we nu thuis speelden in Den Dolder of uit in plaatsen als Doorn, Cothen en Werkhoven. Hoe uitzonderlijk dit is, weet ik pas sinds mijn voetbalvaderschap in Londen. Mijn zoon, uitkomend in de Under 13s (te vergelijken met D-junioren), keek me ongelovig aan toen ik hem vertelde over douches en kleedkamers. Rijk land, papa.

Vind maar eens een voetbalclub

Jeugdvoetbal is een heel avontuur in Londen. Het begint bij het vinden van een club. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Mijn zoon hoopte te gaan spelen bij de dichtstbijzijnde vereniging, maar Blackheath Rhinos bleek geen elftal te hebben voor zijn leeftijd. Vervolgens probeerden we het bij de grootste club in de buurt, Long Lane. Dat bleek liefst vier teams te hebben in zijn leeftijdscategorie. Helaas was er geen plek. Behalve voor een scorende spits, natuurlijk. Uiteindelijk kwamen we terecht bij Greenwich Peninsula, een relatief nieuwe vereniging, eentje zonder eigen accommodatie.

In de zomer trainen ze in een park, in de winter bij een school. Thuiswedstrijden vinden plaats op de Marathon Fields, een groep velden waar verschillende clubs gebruik van maken. Het grootste deel van de spelers is van Nigeriaanse afkomst, aangevuld met een paar Engelsen, een Jamaicaan, een Serviër, een Pool en een halve Hollander. Typisch Zuidoost-Londen, dus. Het is een club met ambitie: coach Pablo had begin november een driepoot met camera langs de lijn gezet, ten behoeve van een video-analyse. Maar na een 9-2 nederlaag lijkt het experiment een stille dood te zijn gestorven. Net als de 5-3-2 formatie.

Omdat lang niet alle ouders een auto bezitten, gaan reizen naar clubs als Hillyfielders Falcons, Cray Wanderers Piranhas en Foots Cray Lions vaak met de bus of de trein. Het kan ertoe leiden dat aan een uitwedstrijd met te weinig spelers wordt begonnen. De voetballertjes plegen in tenue bij de wedstrijden te arriveren. Bij de velden is altijd wel een stoel, een muurtje of een picknicktafel te vinden waar de gekleurde voetbalschoenen kunnen worden aangetrokken. Accommodaties waar ook rugby wordt gespeeld hebben vaak de beschikking over velden die, zo constateerde mijn zoon, met een kettingzaag lijken te zijn gemaaid.

Vlag voor de grensrechter is een luxe

Een vlag voor een grensrechter is een luxe. Enkele malen heb ik wapperend met een geel hesje langs de zijlijn gerend. Ook een wedstrijdbal is geen garantie. Een wedstrijd voor de London Cup is deels gespeeld met de oranje bal die mijn zoon toevallig bij zich had.

Het enthousiasme is er niet minder om. Integendeel. Hoe hobbelig de velden ook zijn, en Spartaans de accommodaties, de jonge voetballers doen het gejuich van Ronaldo na, de strafschoppen van Jorginho en de kapbewegingen van Salah. Sommige spelers hebben zelfs shirts van Chelsea of Liverpool aan, bij gebrek aan clubtenues.