In het onland klinkt geen wanklank

De Verenigde Naties hebben 2010 uitgeroepen tot het jaar van de biodiversiteit. De afname van de soortenrijkdom moet dit jaar tot staan worden gebracht....

Door Caspar Janssen

‘Begin mei, dan barst het hier los.’ John Beijersbergen (63), ecoloog van de provincie Zeeland, staat op de dijk, op de Inlaagweg om precies te zijn, op het Zeeuwse Schouwen-Duiveland. Aan de ene kant loopt de Oosterschelde en aan de andere kant is er zicht op een open, moerassige vlakte, de Prunjepolder. En Beijersbergen verheugt zich nu al op de ‘topdrukte’. ‘Ik schat dat er hier dan wel 15.000 brandganzen, rotganzen, grauwe ganzen, lepelaars, visdieven, zwarte ruiters, kemphanen en nog veel meer soorten neerstrijken.’

Vandaar de bijnaam van de dijk: vogelboulevard, ooit verzonnen door Thijs Kramer, de vroeg overleden oud-gedeputeerde van Zeeland en een van de bedenkers van dit natuurplan. Beijersbergen: ‘Dit is wegrestaurant, pleisterplaats, tankstation voor trekvogels. Voor de steltlopers en de sterns is dit een vluchtplek bij hoog water in de Oosterschelde. Hier broeden ze ook volop.’

En wat te denken van juni. ‘Dan is het hier pas mooi’, weet Beijersbergen. ‘Dan staat de zilte vegetatie al in bloei en heel veel vogels zijn hier dan nog.’

Het echte hoogtepunt volgt dan in september en oktober. ‘Dan is het hier helemaal schitterend. Dan kleurt het hier bruinrood van de zeekraal.’

Nu, op deze wat grauwe aprildag, zien we een flink aantal kluten, kokmeeuwen, een paar grutto’s en zowaar een paar tureluurs, de naamgever van dit natuurproject, Plan Tureluur. En is het nog wat moeilijk voor te stellen dat we hier middenin een eclatant natuursucces staan. Toch is het waar: Plan Tureluur is een van de weinige, onomstreden successen van Nederland. Daar zijn zelfs – voor zover bekend – alle natuurbeschermers en ecologen het over eens.

Mooier en groter zal het in de komende jaren nog worden, wijst Beijersbergen inmiddels aan, met een enorme armzwaai. Want nog niet alles is af; in 2012 ligt hier 1.200 hectaren aaneengesloten zoutwatermoeras. Op voormalige landbouwgrond.

Vreemd is dat. Zeeuwen gaven toch nooit vrijwillig zwaar bevochten landbouwgrond terug aan de natuur? Ze hebben zich toch ook pas nog met hand en tand verzet – met premier Balkenende in de voorhoede – tegen het ontpolderen van de piepkleine Hedwigepolder in Zeeuws-Vlaanderen? Jazeker, en Beijersbergen weet er zelf alles van; hij moest als ecoloog van de provincie naar menig voorlichtingsavond in de afgelopen jaren, soms met lood in de schoenen. ‘Als ik naar binnen ging, zei ik vaak: laat de motor van de auto maar draaien.’

Maar toch, het idee dat Zeeuwen geen land prijsgeven aan water, of aan moeras, is onzin, weet Beijersbergen. ‘Tot voor een paar jaar geleden hing er in heel Zeeland een milde stemming over natuur. En hier, op Schouwen-Duiveland is er zelfs een behoorlijk draagvlak. Boeren, ondernemers en gemeenten zijn blij met dit project. Schouwen-Duiveland is er flink door opgeknapt, dat ziet iedereen. Er komen nu toeristen, vogelkijkers, touringcars vol zelfs. Allemaal mensen die iets te verteren hebben. En dit is pas het begin.’

Waarom kon het hier dan wel, is de vraag? En wat is hier dan zo bijzonder? ‘Alles kwam hier samen’, meent de ecoloog. Om te beginnen: extreem slechte landbouwgrond, die juist uitermate geschikt was voor natuur. Vanwege het zoute kwelwater dat uit de Oosterschelde onder de dijk door omhoog komt, was het altijd al moeizaam boeren. ‘Het was hier nat en het was hier zout. Daar zijn boeren niet dol op.’

Dus lieten ze zich maar al te graag uitkopen of verplaatsen. ‘Ze meldden zich vaak zelf aan.’

Voor het eerst in de geschiedenis waren het natuurbeschermers die ruilverkaveling aanvroegen, omgekeerde ruilverkaveling wel te verstaan. Beijersbergen: ‘Het was voor mij ook wennen. In de jaren zestig en zeventig is zowat heel Zeeland kapot gemaakt door de ruilverkaveling. Ik herinner me een uitspraak van de Zeeuwse archeoloog Trimpe Burger. Hij zei: ‘Jullie hebben alles wat hoger is dan een molshoop geëgaliseerd.’ En dat was waar. Na de watersnood hing hier een sfeer van: alles wat oud is, moet weg. Alle oude dijken verdwenen, alles van enige archeologische waarde, vliedbergen, heggen, strandwallen, hup, ze werden afgegraven en in vrachtauto’s geladen.’

John Beijersbergen was naar eigen zeggen in de jaren zeventig bij de provincie aangenomen ‘als groene stropop’. Hij was er ‘om de gevolgen van de handelingen te verzachten, zodat er niet zoveel protest zou komen tegen allerlei vernielende activiteiten van de overheid.’

Maar begin jaren negentig sloeg de anti-natuurstemming om. De bezorgdheid over de gevolgen van de grote waterkeringsprojecten voor de Zeeuwse deltanatuur begon op te spelen. De aanleg van de Oosterscheldedam in 1986 liet wel iets van getijden in stand, maar toch verdwenen slikken, schorren en platen, die bij laag water droogvallen en voor vogels van levensbelang zijn, vanwege het rijke bodemleven (schelpdieren, garnalen, wormen). En dat terwijl er jaarlijks honderdduizenden trekvogels over Zeeland trekken. In het Nationale Park Oosterschelde kwamen ze om ‘op te vetten’ voor en na de lange reis, en duizenden vogels broedden op de schorren. En nu ontstond er woningnood en voedseltekort. John Beijersbergen: ‘De vogelrijkdom liep dramatisch terug.’

Plan Tureluur diende om het natuurverlies in de Oosterschelde te compenseren. Aan de andere kant van de dijk dan, binnendijks. Het plan kwam politiek gezien direct voort uit grootse ontwikkelingen in Den Haag. Het Natuurbeleidsplan (uit 1990) brak dramatisch met het natuurbeleid uit het verleden. Niet langer werd er slechts krampachtig beschermd wat er nog was.

Vanaf nu moest er ‘nieuwe natuur’ bijkomen en de ecologische hoofdstructuur ging grote natuurgebieden met elkaar verbinden. De ‘systeemdenkers’ kregen de overhand. Zij hingen de gedachte aan dat als een natuurgebied maar groot en robuust genoeg is, dat de soorten dan vanzelf wel komen. Beijersbergen: ‘De stemming sloeg om van defensief naar offensief. En Plan Tureluur was het eerste project dat daar uit voortkwam.’

Onder aanvoering van gedeputeerde Thijs Kramer ging een klein clubje aan de slag. John Beijersbergen zelf zocht precies uit waar vroeger de kreken en waterlopen waren en liet ze opnieuw uitgraven in het landschap. Met het stoppen van de drainage kwam het zoute kwelwater weer omhoog en kon het land verzilten. Gevolg: geen overmatige begroeiing, maar wel een ideale, open, moerassige, voedselrijke plek voor kustvogels en steltlopers.

Beijersbergen kan zich zijn eigen verbazing nog herinneren. ‘Ik ben opgegroeid met graafmachines die alles vernielden. Lange tijd dacht ik, als ik zo’n machine zag: ‘Suiker in de tank’. Maar nu gingen die machines opeens dingen voor je maken. Dat was een complete ommezwaai.’

Niet dat er geen scepsis was over de plannen, en tegenstand. Veel bewoners van Schouwen-Duiveland begrepen aanvankelijk niet dat er zoveel geld werd gestoken in het terugbrengen van ‘onland’. ‘Maar’, zegt Beijersbergen, ‘er was ferme politieke steun in de provincie. En wij hebben de vaart erin gehouden. We dachten: nu is de wil er, nu is de tijdgeest goed.’

Al snel waren de eerste resultaten zichtbaar. ‘Hier in de Prunjepolder was de oude, zilte natuur van vroeger binnen vijf jaar hersteld. Ik zei toen ook weleens tegen boeren: ‘Jullie hebben hier 500 jaar iets van proberen te maken, 500 jaar tegen de natuur in werken. Als je dat stopt is het binnen 5 jaar weer hersteld.’

Nee, de enorme vogelrijkdom van voor de aanleg van de Oosterscheldekering zal niet meer helemaal terugkomen, vermoedt Beijersbergen. In zijn herinnering zag hij toen soms ‘wel 25 duizend kanoeten en duizenden rosse grutto’s’. Maar de huidige vogelaantallen zijn nog altijd ‘gigantisch’. ‘Je ziet hier nu gebeuren wat vroeger in de Oosterschelde gebeurde. Al die zoutwaterplantjes die hier groeien, al die kustvogels die hier nu fourageren, broeden of komen ‘overtijen’ als het water in de Oosterschelde hoog staat. Geweldig.’

Beijersbergen is een liefhebber van ‘procesnatuur,’ van natuur die groot moet zijn en waaraan je zo weinig mogelijk moet beheren. Zo is Plan Tureluur ook bedacht. ‘In principe doen het zoute water en de natuurlijke wisselingen in dat waterpeil, hier het beheer.’

Maar Plan Tureluur is ook populair bij de plantjes- en vogelliefhebbers, die wel geloven in actief beheer van natuurgebieden. Vanwege de aantoonbare resultaten.

Dan moeten we even uitwijken voor wat schapen die op de dijk lopen. ‘Nog een hele toestand’, vertelt Beijersbergen, ‘voordat hier een fietspad kon komen zonder hekken en rasters. En nu ziet iedereen hoe fantastisch het is, je hoort geen wanklank. Je fietst hier echt midden door de natuur.’

Over een paar jaar, als heel Plan Tureluur af is, loopt er een fietspad ‘Van Zierik tot Zee’. Beijersbergen: ‘Je moet je voorstellen: vroeger stonden de suikerbieten tot aan de dijk. Het was hier armoe. Er was hier weinig te beleven. Nu is het leven terug. En kijk maar: er is weer ruimte aan de horizon. Een paar boerderijen en verder is dit het lage land zoals het vroeger was, met die hele hoge wolkenluchten die zo typisch zijn voor Schouwen.’

Meer over