In het hoofd van de schrijver

Via brieven en dagboeken kunnen we meer te weten komen over wat een auteur heeft bewogen. Zelfs als zo'n brief verloren is gegaan, constateert Arjan Peters verheugd.

Arjan Peters
null Beeld Hilde Harshagen en Antonia Hrastar
Beeld Hilde Harshagen en Antonia Hrastar

Met feiten die treurig stemmen, hoeft fictie geen genoegen te nemen. Een groot schrijver van wie manuscripten en brieven zoek zijn, kan een collega of nazaat juist aansporen om daar iets aan te verhelpen.

Vorig jaar schreef Maxim Biller de novelle Im Kopf von Bruno Schulz. De laatste is zo'n schrijver van wie veel verloren is gegaan - minstens één grote roman en duizenden brieven. We weten dat Schulz, een arme Pools-joodse tekenleraar met zeiloren die ongelooflijk mooi kon schrijven, in 1938 vanuit zijn woonplaats Drohobycz een brief heeft gestuurd aan Thomas Mann. Wat zou daar in staan? Hoopte Schulz op vertalingen, vroeg hij advies of had zijn bericht aan de invloedrijke Nobelprijswinnaar een politieke lading?

Weten we niet. Mann heeft die brief misschien nooit ontvangen. De feiten zwijgen. Maar Maxim Biller niet, dus schreef híj die brief van Schulz en bracht zo een hommage. In de Nederlandse vertaling heet Billers boekje De verloren brief aan Thomas Mann (Cossee; euro 16,90), waardoor de geëerde schrijver achter de adressant is verdwenen. Begrijpelijk: Mann kennen we allemaal en Schulz is uit de boekhandel verdwenen, al gloort er hoop: in maart 2015 mag ik als trotse curator van Meulenhoffs schatkamer de opdracht tot een herdruk verstrekken.

Aan de Nederlandse titel kunnen we niet aflezen dat Biller ook vertelt wat Schulz dacht toen hij Mann schreef. 'Zo, heel goed, dat volstaat als begin', en: 'Misschien is dat slot een beetje overdreven.' De dingen die je je afvraagt als je een brief leest: wat zit hier achter, is dit echt of strategie en denkt de schrijver iets heel anders?

Dagboekpassage

In nummer 40 van Cahiers voor een lezer (E. du Perron Genootschap; euro 10,-) staat de onbekende briefwisseling 1931-1932 tussen de hartstochtelijke Eddy du Perron en zijn aanstaande vrouw, de voorzichtige vertaalster Bep de Roos. Bezorger Kees Snoek gaat er een boek van maken.

De voorproeverij is al feestelijk. Bep is geen naam, roept Du Perron prompt, ik schrijf gewoon Elizabeth. 'Tot ziens! Het is jammer dat we zoo weinig theosofisch zijn aangelegd, ik zou zeggen: mijn astrale armen zijn om je heen tot Vrijdagnacht.' Hij heeft hartklachten, maar voelt zich goed en gooit daarom de digitalispilletjes van de dokter in de lavabo. In haar antwoord schrijft Bep dat ze 'woedend is', hij moet onmiddellijk nieuwe pilletjes bestellen en niet zo roekeloos zijn.

En dan komt het. Een dagboekpassage van Du Perron, over haar brief: 'B woedend met een deur slaande is een van de meest fantast. dingen die men zou kunnen zien. Ik denk: neen, ze is niet echt woedend, of ze zou het niet schrijven.'

Dankzij bezorgers en bewonderaars kunnen we het hoofd in van schrijvers die al ruim zeventig jaar dood zijn, en we voelen hun schrijfkoorts gloeien.

Meer over