Reportage

In Haïti komt álles uit het buitenland, zelfs de kinderen zijn niet van eigen bodem

Opnieuw buitenlandse bemoeienis in Haïti, na de moord op president Jovenel Moïse. Het land is niet anders gewend. Van VN-missies tot hulporganisaties en goede bedoelingen, van geld tot luxegoederen – álles komt uit het buitenland. Symbool daarvoor: de kinderen van buitenlandse vaders. Zoals de 10-jarige Anderson. Toen hij werd geboren, was zijn vader, VN-millitair, alweer vertrokken. Hij kent hem alleen van de foto.

Haïti heeft een onbekend aantal ‘Minustah-kinderen’. Hun vaders waren buitenlandse militairen die naar Haïti kwamen voor de VN-stabilisatiemissie Minustah. Links de 10-jarige Anderson, hij kent zijn Uruguayaanse vader niet. Ook de andere kinderen op de foto hebben VN-vaders, uit Urugay en Senegal. Beeld foto Joost de Vries
Haïti heeft een onbekend aantal ‘Minustah-kinderen’. Hun vaders waren buitenlandse militairen die naar Haïti kwamen voor de VN-stabilisatiemissie Minustah. Links de 10-jarige Anderson, hij kent zijn Uruguayaanse vader niet. Ook de andere kinderen op de foto hebben VN-vaders, uit Urugay en Senegal.Beeld foto Joost de Vries

Rose Mina Joseph (27) zet drie stappen in haar betonnen woning van 10 vierkante meter, ritst een grote stoffen koffer open en trekt vanonder een stapel kleding een foto tevoorschijn. Het plaatje is tien jaar oud. Ze heeft het goed beschermd, de kleuren zijn helder, het oppervlak slechts een beetje geribbeld. Met grote ogen kijkt het meisje dat ze ooit was in de camera. Haar jongere versie lacht niet. Achter haar hangen ballonnen, voor haar staat een taart met kaarsjes. Het is haar 17de verjaardag.

Een jongeman met lichtere huid heeft zijn arm om haar schouders geslagen. Ze denkt dat hij in de dertig was, zegt ze. Op de achterkant heeft hij hun namen geschreven en er een blauw hart omheen getekend: ‘Osmina y Julio’. De man uit Uruguay was een van de tienduizenden VN-militairen die tussen 2004 en 2017 de orde bewaakten in Haïti. Hij werd verliefd op een Haïtiaans meisje van 16. Toen zij zwanger werd, vertrok hij naar huis. Hun zoon Anderson wordt in september 10, hij kent zijn vader alleen van de foto.

De VN-stabilisatiemissie in Haïti, afgekort Minustah, is een van vele voorbeelden van buitenlandse inmenging in het Caribische land – een trotse natie van vrijgevochten slaven, de eerste zwarte republiek ter wereld. Maar ook een van de armste landen ter wereld, waar twee op de drie mensen dagelijks worstelt met basale behoeften: eten, een huis, zorg, onderwijs. Het land oefent al decennia een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op zelfverklaarde wereldverbeteraars die Haïti denken te kunnen redden.

Sinds het einde van de dictatuur van vader en zoon Duvalier (1957 tot 1986) heeft de VN acht vredesmissies gestuurd. ‘Ze hebben geen blijvend resultaat opgeleverd’, zegt de Haïtiaanse econoom Enomy Germain via de telefoon. ‘Haïti is enkel instabieler geworden.’ Minustah arriveerde in 2004 nadat de populaire president Jean-Bertrand Aristide voor de tweede keer was afgezet (de VS speelden in beide coups een rol) en gevechten uitbraken tussen zijn voor- en tegenstanders.

Ngo's

Na de verwoestende aardbeving van 2010, die grote delen van Port-au-Prince in puin veranderde en zeker 220 duizend levens eiste, werd Haïti het hulpparadijs van de westerse wereld. Nog meer VN-soldaten werden ingevlogen, de VS stuurden duizenden militairen en zo’n tienduizend ngo’s – onafhankelijke hulporganisaties – tuigden in heel het land projecten op.

In 2016 beukte orkaan Matthew met ongekende kracht in op de Haïtiaanse zuidkust en weer kwam er hulp van buiten, onder andere in de vorm van USAID, de ontwikkelingsorganisatie van de Amerikaanse overheid. Is Haïti er beter van geworden? Econoom Germain kan kort zijn: ‘Het resultaat is nul. Internationale hulp verzwakt instituties en bevordert corruptie.’

Drie weken geleden werd ook president Jovenel Moïse waarschijnlijk het slachtoffer van een buitenlands plan om Haïti naar een stralende toekomst te leiden. Het moordcomplot is omgeven door vraagtekens en ‘de grootste vissen’ zouden nog niet zijn gepakt, maar de meeste theorieën wijzen naar een Amerikaanse Haïtiaan die meende dat hij het land beter zou kunnen leiden dan de steeds minder geliefde Moïse. De samenzweerders slaagden in het eerste deel van het plan: het staatshoofd verwijderen. De vraag is wie deel twee gaat schrijven: Haïti’s onzekere toekomst.

Petits minustah

Ver van de politieke ontwikkelingen in hoofdstad Port-au-Prince, van de schreeuwende groepen mensen bij lege tankstations, van de groezelige wijken waar jongemannen met pistolen in hun broekband de dienst uitmaken, glijdt de Caribische zee het strand van Port-Salut op. In dit langgerekte kustplaatsje woont Rose Mina met haar zoon.

Jongeren in de verarmde en onveilige hoofdstad Port-au-Prince. Beeld AP
Jongeren in de verarmde en onveilige hoofdstad Port-au-Prince.Beeld AP

Het politiebureau aan de hoofdweg telt acht agenten, twee van hen liggen onderuitgezakt in een geparkeerde pickup. Langs onverharde paadjes knabbelen aangelijnde geiten aan grassprieten. Ook hier is de benzinepomp gesloten, maar het winkeltje verkoopt nog wel bier. Onder de palmbomen langs de branding wachten houten restaurantjes op toeristen die niet komen. De pandemie en het groeiende bendegeweld in de hoofdstad hebben het laatste beetje toerisme de nek omgedraaid.

De VN-missie Minustah stampte destijds op bijna twintig locaties simpele kazernes uit de grond en rekruteerde soldaten uit onder andere Uruguay, Brazilë, Argentinië, Nepal, Sri Lanka, Senegal, Nigeria en Frankrijk. Een deel van hen werd in Port-Salut gestationeerd omdat dit de woonplaats en een politiek bolwerk was van de verdreven president Aristide. De Uruguayaanse Julio, hemelsbreed zesduizend kilometer verwijderd van huis, kwam maandenlang de orde handhaven in een land dat hem vreemd was.

De goedbedoelde missie leverde Rose Mina een zoon op, een vrolijke jongen die met een gulle lach de journalist uit het buitenland gadeslaat. Andersons huid is een tint lichter dan die van zijn moeder en een slag donkerder dan die van zijn vader. Hij is een van vele ‘petits minustahs’, VN-kleintjes. Officiële statistieken ontbreken, maar een onderzoek in 2017 inventariseerde honderden getuigenissen. Sommige kinderen werden geboren uit liefdesrelaties, anderen uit misbruik.

Terwijl Anderson verveeld over het tweepersoonsbed in de kleine woning rolt, vertelt zijn moeder dat ze haar school niet kon afmaken en geen werk kan vinden. Soms krijgt ze wat geld toegestopt van familie of opgestuurd door vrienden uit het buitenland. Ze is niet de enige: bijna een kwart van de Haïtiaanse economie bestaat uit geld dat geëmigreerde Haïtianen naar huis sturen.

Pot met goud

De Amerikaanse president Clinton dwong Haïti in de jaren negentig om importtarieven op rijst te schrappen, waarna Amerikaanse producenten lokale Haïtiaanse boeren grotendeels wegconcurreerden. Twee Amerikaanse wetten die vrijhandel met het eiland regelen, staan bekend onder hun veelzeggende afkortingen HELP en HOPE. In de praktijk importeert Haïti bijna vier keer zoveel dan het exporteert. Vrijwel alle luxegoederen komen uit het buitenland, van shampoo tot auto’s.

Diezelfde Bill Clinton was na de aardbeving van 2010 als hoofd van de Haïti Herstel Commissie een spil in het verdelen van de miljarden aan hulpgeld. De wereld beloofde naar schatting zo’n 11 miljard euro aan het arme Haïti. Ook de Wereldbank en het Amerikaanse USAID traden op als hoeders van die pot met goud. Uit angst voor corruptie hielden de internationale donoren het geld grotendeels weg bij de Haïtiaanse overheid, die daarmee alle verantwoordelijkheid voor de wederopbouw uit handen werd genomen.

Noodopvang en eten hielden mensen in leven, terwijl plannen voor de langere termijn kapot sloegen op een gebrek aan werkende instituties. Econoom Germain: ‘Het grootste deel van het geld ging naar de ngo’s en hun bazen in het buitenland. De rest werd verspild. Iedereen faalde.’ Ook de kleine Haïtiaanse economische elite die de meeste welvaart bezit, kreeg financiële steun – om werkgelegenheid te creëren, wat niet gebeurde. Tot overmaat van ramp brachten Nepalese VN-soldaten cholera mee. De ziekte vond vruchtbare bodem in de verwoeste hoofdstad en doodde nog eens negenduizend mensen.

Achterkant van de foto van Rose Mina met de VN-soldaat die haar zwanger maakte: een hart met hun namen. Beeld Joost de Vries
Achterkant van de foto van Rose Mina met de VN-soldaat die haar zwanger maakte: een hart met hun namen.Beeld Joost de Vries

In een parkje in Port-Salut staat een standbeeld dat in simpele eenvoud het leed verbeeldt. Een bronzen jongen steekt een vuist in de lucht, zijn voet staat op een blauwe helm. Op het hoofddeksel staan de woorden ‘Minustah Kolera’, eronder ligt een stapel schedels. Het beeld wekt geen wraakgevoelens op bij Rose Mina. Als ze al boos is, is het op zichzelf, zegt ze kijkend naar haar betonnen vloer. ‘Dit had nooit mogen gebeuren.’

Anderson is van het bed geklommen en houdt de foto van zijn ouders met twee handen vast. Hij kijkt er graag naar, zegt hij. Nee, van Uruguay heeft hij nog nooit gehoord. Rose Mina ontmoette Julio soms op het strand, vaker kwam hij naar het huis waar zij woonde met haar alleenstaande moeder. Zij was niet verliefd, toch waren ze samen van augustus 2010 tot mei 2011. ‘Hij was geen aardige man. Ik denk dat hij problemen had in zijn hoofd. Ik mocht niet met andere jongens praten.’

Sindsdien heeft ze geleerd om vreemdelingen te wantrouwen. Te vaak namen hulpverleners haar foto zonder dat ze iets van de beloofde hulp terugzag. Daarom wil ze niet met haar gezicht in de krant, een foto van Anderson vindt ze wel goed. Haar eigen lange strijd, samen met drie andere Minustah-moeders, leverde een klein succesje op: een dna-test bewees dat de VN-soldaten daadwerkelijk de vaders zijn. Sinds 2019 ontvangt ze af en toe een bedrag van een aan de Verenigde Naties gelieerde hulporganisatie.

Van Julio heeft ze al jaren niets meer gehoord en nooit iets gekregen. Ze hoopt op meer compensatie van de VN omdat ze denkt dat Minustah hem na zijn misstap naar huis stuurde. Dat moet een misverstand zijn, zegt een VN-woordvoerder in een telefonische reactie. De VN verbiedt weliswaar relaties, maar stuurt vaders niet weg, stelt ze. ‘Wij doen onderzoek en lichten de lidstaat in. Wij hebben geen tribunaal dat een oordeel velt.’ De soldaat moet in zijn eigen land verantwoording afleggen en dat gebeurt doorgaans niet.

Zo verdwijnt ook de verantwoordelijkheid voor het Haïtiaanse leed in een niet te ontwarren kluwen aan goede bedoelingen. Elf jaar na de aardbeving zijn de militairen en de meeste hulporganisaties vertrokken. Maar veel Haïtianen vragen zich af voor hoelang, want weer verkeert hun land in crisis. Een week geleden begroef Haïti zijn vermoorde president. Buiten de begraafplaats klonken schoten, de Amerikaanse delegatie vertrok daarom halverwege de plechtigheid.

Buitenlandse VN-militairen in 2009. Ze bewaakten de orde tussen 2004 en 2017. Beeld Joost van den Broek
Buitenlandse VN-militairen in 2009. Ze bewaakten de orde tussen 2004 en 2017.Beeld Joost van den Broek

Meteen na de aanslag riep interim-premier Claude Joseph de hulp in van de Verenigde Staten. President Biden stuurde wel FBI-agenten, maar vooralsnog geen soldaten. Vorige week gaf Joseph onder druk van de VS en andere internationale ‘bemiddelaars’ het stokje over aan Ariel Henry, de man die door Moïse al was aangewezen om Joseph op te volgen. De nieuwe premier belooft Haïti naar verkiezingen te leiden. Zijn regering hangt aan een zijden draad, het parlement is sinds 2020 buiten werking, de senaat telt nog slechts tien gekozen politici.

Haïtianen zien het politieke spel met lede ogen aan, zegt de Haïtiaanse socioloog en feministe Sabine Lamour via de telefoon. ‘Henry is geen legitieme leider. Haïti heeft geen behoefte aan een door Washington geparachuteerde gouverneur.’ Het lijkt erop, zegt ze, dat buitenlandse machten – de VS voorop – weer de koers van haar land bepalen. ‘Ik ben verbijsterd dat de president in zijn eigen slaapkamer kon worden vermoord, dat we nog niet weten door wie en waarom, en dat er toch verkiezingen worden doorgedrukt over twee maanden.’

Het lot van Haïti moet in Haïtiaanse handen liggen, stelt ze. ‘We willen niet worden gered, maar onze incapabele overheid blijft naar het buitenland kijken.’ Het is ondanks de hulp dat gewone Haïtianen telkens toch weten op te krabbelen. In Port-Salut bouwen mensen hun leven op de brokstukken die de VN achterliet. De eenvoudige barakken werden in 2016 weggevaagd door orkaan Mat-thew. Op de betonnen funderingen staan provisorische huizen van golfplaat. Plastic zeil van USAID dient als dakbedekking.

Een standbeeld in Port-Salut beeldt het Minustah-leed uit. Op de blauwe helm staat 'Minustah Kolera'. Beeld foto Joost de Vries
Een standbeeld in Port-Salut beeldt het Minustah-leed uit. Op de blauwe helm staat 'Minustah Kolera'.Beeld foto Joost de Vries
Meer over