In Frankrijk is mei 1968 nog niet af

Sarkozy is een kind van de jaren zestig en hij moet Frankrijk met die revolutionaire spirit blijven regeren, vinden vader en zoon André en Raphaël Glucksmann. Door Ariejan Korteweg.

Door Ariejan Korteweg.

Eind april van het vorig jaar, vlak voor de verkiezingen, viel presidentskandidaat Nicolas Sarkozy onverwacht hard uit naar de in Frankrijk zo gekoesterde verworvenheden van mei 1968. ‘Ze wilden ons doen geloven dat slachtoffers minder telden dan daders. Ze wilden ons doen geloven dat er geen enkele hiërarchie van waarden bestaat, ze zeiden dat alles toegestaan is’, betoogde hij. ‘We moeten de erfenis van mei ’68 liquideren.’

Tot zijn gehoor behoorde de filosoof André Glucksmann, ooit een van de ideologen van de soixante-huitards – de achtenzestigers, en nu tot afschuw van veel van zijn kameraden van vroeger in het kamp van Sarkozy. In de zaal ook zijn zoon Raphaël, een jonge maker van tv-documentaires. Tijdens die bijeenkomst werd het idee voor hun boek geboren: ze zouden Sarkozy uitleggen dat hij de ware erfgenaam van het gedachtengoed van mei ’68 is.

Waren jullie verbaasd door de felheid van zijn aanval?

André: ‘Ik was niet zo verbaasd, omdat ik de situatie doorzag. Dit was een straatkei tegen links, zoals die in ’68 naar de politie werd gegooid. In de campagne was iedereen, van extreem links tot de middenpartij van Bayrou, tegen Sarkozy. Door een steen in het andere kamp te gooien, nam hij het heft weer in handen. Heeft u niet een beetje overdreven, vraagt iemand in Dageraad, avond of nacht, het boek van Yasmina Reza over Sarkozy. Niet een beetje, antwoordt hij: ‘Het was zelfs erg hypocriet.’

Raphaël: ‘Ik zat in de zaal en dacht: dit is een catastrofe voor vader Glucksmann – deze man kan hij onmogelijk blijven steunen. Toen keek ik op en zag mijn vader in lachen uitbarsten.’

André: ‘Door een beroep te doen op de breuk met het verleden, dwong hij de socialisten mee te bewegen, waardoor ze de verkiezingen verloren. Want hoe verover je het centrum? Niet door koste wat kost de pensioenen te verdedigen, maar door te zeggen dat je vlaggen op school wilt, door aan het nationalisme te refereren en van veiligheid een thema te maken.’

Sarkozy was minister van meer politie, van strengere orde. Hij wil dat schoolkinderen elke dag staand de Marseillaise zingen. Hoe verhoudt zich dat tot de geest van ’68?

André: ‘De Marseillaise op school is daarmee niet te verenigen. Maar hij is ook de eerste die een 68’er, Bernard Kouchner, als minister op een sleutelpositie benoemt. Hij haalt immigrantenkinderen en mensen uit de liefdadigheid – zoals Martin Hirsch die bij Abbé Pierre werkte – in het kabinet. Dat is erg mei ’68 om te doen.’

Sarkozy was kort na zijn verkiezing enorm populair, de laatste maanden is de stemming veranderd. Heeft hij nog kans van slagen?

Raphaël: ‘De Fransman vindt een breuk met het verleden nodig, maar heeft een afkeer van degene die hem veroorzaakt. Verandering vraagt veel moed, we gaan vier jaren van pijn en kakofonie tegemoet. De vraag is of hij, zoals Chirac, uiteindelijk onbeweeglijk zal worden, in z’n schulp kruipt en met een paar toespraken over de laatste oudstrijder zijn herverkiezing regelt. Shakespeare laat Falstaff zeggen dat als je de grootste rebel een kroon op het hoofd zet, hij de meest archaïsche heerser zal worden. Het Elysée is het hoofdkantoor van een koninklijke republiek, vergeet dat niet.’

André: ‘Veel veranderingen waarover hier gestreden wordt, zoals pensioenen, sociale zekerheid, onderwijs, zijn in de rest van Europa al doorgevoerd. Door Blair in Engeland, door Schröder in Duitsland, door de sociaal-democraten van het noorden. Alleen in Frankrijk worden die veranderingen als rechts gezien. Links moet hier altijd afrekenen met extreem links, dat elke hervorming als verraad aan het proletariaat ziet. Links gijzelt het land, waardoor ook blairistische veranderingen als rechts worden gezien.’

Raphaël: ‘Voor mij was het paradoxaal op een rechtse kandidaat te stemmen. De sociaal-democratische partijen van Europa slagen er geleidelijk in hun model aan te passen. Frankrijk ligt een ronde achter.’

In ’88 en ’98 was er amper aandacht voor ’68. Waarom wordt het nu zo grootscheeps gevierd?

Raphaël: ‘Het gaat er niet om of mei ’68 eigenlijk leuk was of niet. Het woord viering is niet op zijn plaats. Wat nu speelt, is een zeer belangrijk debat: hoe klinkt de geest van ’68 door in deze tijd? De generatie van mijn ouders heeft veel zekerheden losgelaten en daarmee fysiek en geestelijk grenzen verlegd. Maar de grondslagen van de staat zijn niet geraakt. François Mitterrand, die voor en na ’68 de leider van links was, heeft daaraan niets gedaan. Omdat de fundamenten onveranderd bleven, is het debat nu zo heftig. Wat in ’68 begon, is niet afgemaakt: de politieke macht is in Frankrijk nog steeds heilig. Geen enkel Europees land is zo centralistisch.’

André: ‘Maar toch, Rusland.’

Raphaël: ‘Goed, maar dat is een land met een andere geschiedenis. De schizofrenie tussen de liberale samenleving en de sacrale staat is nu zo groot dat het niet langer door kan gaan. Alle presidentskandidaten van vorig jaar – Bayrou, Royal en Sarkozy – kondigden aan een breuk met de invulling van het ambt van president te willen. Het politieke model staat echt ter discussie.’

Als die hervorming van de staat voltooid is, kan mei ’68 dan echt worden afgesloten?

André: ‘Het conservatisme komt van links én rechts. In januari deden alle presidentskandidaten, zowel die van vorig jaar als de toekomstige, een oproep aan Sarkozy toch vooral waardig te zijn. Ze vroegen hem de functie van president niet te ontheiligen. Terwijl dat juist moet gebeuren.

‘Ze schreven ook dat we al vijftig jaar een bewonderenswaardige buitenlandse politiek voeren. Ga eens een halve eeuw terug in de tijd: je belandt in het hart van de Algerijnse oorlog, de grootste koloniale strijd na de Tweede Wereldoorlog. Daarna steunden we in Afrika bloedige dictaturen, zoals die van kindermoordenaar Bokassa. Mitterrand heeft in Rwanda de laatste volkerenmoord van de 20ste eeuw verdedigd. En Chirac was lang de spreekbuis van Brezjnev.’

Sarkozy ontving een week lang met veel ceremonieel vertoon Kadhafi in Parijs, alsof hier een grote voorvechter van de mensenrechten op bezoek kwam.

André: ‘Dat je een dictator ontvangt, wil niet zeggen dat je het met hem eens bent. Ik neem aan dat daar in Nederland niet anders tegenaan wordt gekeken. Dit was een diplomatieke ontvangst op het niveau van staatshoofden.’

Raphaël: ‘Het interessante is niet dat Kadhafi wordt ontvangen, maar dat zoiets zo’n grote verontwaardiging oproept. Mitterrand ontving de president van Rwanda toen die nergens meer welkom was; in Frankrijk veroorzaakte dat geen enkele rimpeling. De buitenlandse politiek van Sarkozy heeft inderdaad iets schizofreens. Die is deels op mensenrechten gebaseerd, en deels op economisch gewin.’

André: ‘Als je op iemand stemt, zeg je daarmee niet dat hij onfeilbaar is. Sarkozy geeft een beter antwoord op de problemen van Frankrijk dan Royal. Maar ik ben het niet eens met al wat hij doet.’

Een verweer met zachte krachten als belangrijkste erfenis van ’68?

Raphael: ‘De erfenis van ’68, dat is ook de geest van ironie die ik van mijn ouders heb overgenomen. In 2004 was ik in Kiev, om verslag te doen van de oranjerevolutie in Oekraïne. Ik zag daar hoe jongeren de straat blokkeerden. Een kolonel zei: dat kunnen jullie niet doen, ik vocht in Afghanistan. Dat mag zo zijn, was hun antwoord, maar wij maken hier mei ’68 in hartje winter. Het waren liberale, pro-Amerika studenten, heel anders dan de extreem-linkse 68’ers. Maar ze waren geweldloos. Ze hadden een intens verlangen naar vrijheid, maar weigerden geweld te gebruiken om die vrijheid te bereiken: uit angst net zo te worden als hun onderdrukker. Dat is het gemeenschappelijke. Je zag dat ook in Birma, en nu in Tibet.’

In Oekraïne, en misschien ook in mei ’68, was de afrekening met communistische, autoritaire resten een drijfveer. Waar heeft Sarkozy in 2008 nog mee af te rekenen?

Raphaël: ‘Mei ’68 legde het debacle van het eeuwige Frankrijk bloot. Maar ook met Chirac, Villepin en oud-links had Frankrijk leiders die nog niet eens toe waren aan de sociaal-democratie. ’

André: ‘De aanvoerders van mei ’68 waren mensen die het communistisch manifest in hun hoofd hadden, en posters van Che Guevara, Mao en Trotski aan de muur. Toch was hun gedrag niet bolsjewistisch. Niemand werd uitgesloten van hun beweging. Ze wisten dat Frankrijk geen trek had in een revolutie volgens de stijl van Robespierre of Lenin. Ze wilden een omwenteling zonder bloed.

‘In zekere zin was dat een nederlaag. Want na mei ’68 kwam er geen dageraad waarbij alles anders werd. Een deel van hen trok daaruit een postmoderne conclusie: geen Marx, geen dageraad; dit is het einde van goed en kwaad en niets is meer absoluut. De moraal is een verhaal van vroeger, strijd heeft geen zin meer. Dat zijn de 68’ers tegen wie Sarkozy van leer trok.

‘Maar voor wie wilde, werd ook een keerzijde zichtbaar: emancipatie is niet per se marxistisch. We weten nu dat studenten er niet alleen zijn om arbeiders te steunen. En dat arbeiders heel goed in staat zijn met studenten te discussiëren. Nu Marx verdwenen is, zien we helderder. De mensen die zo denken zijn degenen die de anti-fascistische bewegingen in het westen en de anti-communistische bewegingen in het oosten ondersteunden. Daarmee heb je de sleutel voor een democratische toekomst voor Europa. Ook dat komt voort uit mei ’68.

‘Die scheiding loopt tot in het heden door: sommigen denken dat er niets meer te doen is, anderen zien het tegendeel: het marxisme is verdwenen, we kunnen de wereld opnieuw bedenken.’

Maakt dat jullie optimistisch over de nabije toekomst van Frankrijk?

Raphaël: ‘Frankrijk is vergiftigd. Het is een gesloten samenleving, waarin mensen niet aan hun milieu kunnen ontsnappen. Het respect voor de chef is hier groter dan elders. Dit is een laatste monument voor de verticaliteit, terwijl wereldwijd de beweging tegengesteld is. Franse films, of het nu Asterix is, Amélie Poulain, La Vie en Rose of Les Choristes – ze verheerlijken het verleden. Amerikaanse films vertelden over Vietnam, en zullen Irak behandelen. Hier worden actuele politieke vragen vermeden. Als we zo doorgaan, komt er een moment dat het wordt opgekocht door de Chinezen of de Indiërs. Die maken er een museum van, zodat ze kunnen zien hoe het oude Europa was.’

André: ‘In 1995, met de grote staking, toen gebeurde dat al. De Parijzenaars gingen de straat op en de Duitsers en Britten kwamen kijken hoe een revolutie er uit zag.’

Raphaël: ‘De bezoekers kunnen van de ene naar de andere attractie: stakende scholieren, filosofen die een sigaret roken op het terras ¿ We staan voor een museoficatie.’

Sarkozy die, ondanks zichzelf, de laatste hoop van mei ’68 is om Frankrijk vlot te trekken – het blijft een onwennige gedachte.

André: ‘Het is niet de beweging van ’68 die Sarkozy heeft gevormd. Mei ’68 heeft een electoraat gevormd dat hem voortbracht, dat op een kandidaat wilde stemmen die verbazende eigenschappen had, en die niet wist hoe je het achtereind van een koe moet strelen, terwijl dat toch een vereiste is voor een president. Mitterrand kwam uit een dorpje, Chirac valt samen met de Corrèze. Hun opvolger is een twee keer gescheiden stadsmens, twee keer hertrouwd met een vrouw van buiten, iemand die openheid predikt, in zijn beleid en zijn privéleven. Op deze ontwortelde man stemde 53 procent van de Fransen.’

Heeft Sarkozy jullie boek gelezen?

Raphael: ‘We zagen hem nadien en hij moest lachen. Maar je weet het nooit, hij is een provocateur. Je m’en fou (ik heb er lak aan), is z’n lievelingszin. Dat is zijn ’68-kant. Maar hij moet het gelezen hebben. Aan het slot roep ik hem op met het verleden te breken en dat brengt hij – soms spijtig genoeg – in praktijk.’

Meer over