ACHTERGRONDSpertijd

In elk verhaal over de oorlog gaat het over de ‘spertijd’

11 april 1945: in Amsterdam lezen inwoners in een muurkrant de bekendmaking van de Duitse bezetter dat een avondklok wordt ingesteld.Beeld Ad Windig

Spertijd: zo heette de avondklok tijdens de Duitse bezetting. In schaars verlichte huizen doodden de mensen de tijd met spelletjes en toneel tussen de schuifdeuren. En werden zelfs tips gedeeld om de harmonie in huis te bewaren. Ook iets voor straks als Nederland wellicht zijn corona-avondklok krijgt?

Als minister-president Mark Rutte dinsdag – of op een ander moment – onverhoopt een avondklok afkondigt, zal hij daarvoor in elk geval níét het beladen synoniem ‘spertijd’ gebruiken. Want dat stamt uit de oorlogsjaren, toen Nederlanders op last van de Duitse bezetter een deel van de avond en de nacht binnen moesten blijven. Met deze maatregel, die inging op 1 november 1940, hoopten de Duitsers nachtelijke verzetsactiviteiten te ontmoedigen en kon beter worden toegezien op naleving van de verduistering (die de oriëntatie van geallieerde vliegtuigen moest bemoeilijken).

Aanvankelijk was het regime nog tamelijk mild: het uitgaansverbod ging pas in om middernacht en eindigde om vier uur ’s ochtends. In de eerste fase van de bezetting hadden de Duitsers tenslotte nog weinig verzet en vijandelijke luchtaanvallen te duchten. Alleen aan Nederlanders die na het invallen van de duisternis nog buiten moesten zijn, zoals de vrijwilligers van de luchtbescherming, werden speciale vergunningen verstrekt. Joden waren van dit privilege uitgezonderd: zij werden vanaf 1 juli bij de luchtbescherming geweerd – de eerste anti-Joodse maatregel die tijdens de bezetting werd afgekondigd.

Code 183

Ook buiten de spertijd lagen de dorpen en steden in Nederland er weinig uitnodigend bij. Elke kier van elk huis waardoor licht kon ontsnappen, moest worden afgedicht. Voetgangers, fietsers en automobilisten moesten zich op onverlichte wegen verplaatsen. ‘Mijd het water bij duisternis’, maande De Telegraaf zijn lezers. Op goede gronden: alleen al in Amsterdam kwamen gedurende de eerste zes maanden van de bezetting zestig mensen door verdrinking om het leven. In 11 gevallen ging het om zelfdoding, in 49 gevallen om ‘verdrinking door een ongeluk’ – waarvoor de gemeente in haar Statistiek van Doodsoorzaken een speciale code (nummer 183) hanteerde. Amsterdammers die ook in het donker hun weg in de stad wisten te vinden, boden (tegen betaling) hun diensten aan als ‘persoonlijk leidsman’.

De Nederlanders moesten langer binnen blijven naarmate de oorlog langer duurde, het verzet zich meer ging roeren en de Britse Royal Air Force dominanter werd in het luchtruim. Soms werd de spertijd verlengd als strafmaatregel voor een of ander vergrijp. Zo werd de Amsterdammers in februari 1942 een spertijd tussen acht uur ’s avonds en vier uur ’s ochtends opgelegd na een serie aanslagen van het verzet. Voor Joodse Nederlanders ging datzelfde jaar de spertijd permanent om acht uur ’s avonds in. Voor hen, en voor mensen die Joodse onderduikers huisvestten, kon een klop op de deur na dit tijdstip slechts groot onheil betekenen.

Harmonie in huis

Voor hun vertier waren Nederlanders toenemend op zichzelf aangewezen. De Rotterdamse Commissie Inzake Huishoudelijke Voorlichting en Gezinsleiding verstrekte instructies voor spelletjes waarmee gezinnen tijdens lange winteravonden de harmonie nog enigszins konden bewaren, zoals het spreekwoordenspel, ‘ik zie ik zie wat jij niet ziet’, trekpotten en ‘ik ben de koopman van Parijs’ (die geen ja, nee, wit of zwart mocht zeggen). Podiumkunstenaars die niet waren aangesloten bij de (nazistische) Kultuurkamer, traden op zogenoemde zwarte avonden op in huiskamers ‘tussen de schuifdeuren’. Dat waren ‘intieme en intense’ belevenissen, schreef Jan Willem Regenhardt in zijn biografie van Louis van Gasteren – zoon van de gelijknamige acteur. ‘De mogelijkheid dat de bezetter zou ingrijpen en de boel zou oprollen, verhoogden de spanning.’

Het verlangen naar de bevrijding werd – ondergronds, maar ook bovengronds – tot uiting gebracht in liedjes over steden die ’s avonds als vanouds baadden in het licht. Zo zong Willy Walden, helft van het variété-duo Snip & Snap, ‘Als op het Leidscheplein de lichtjes weer eens branden gaan’ – op een tekst van Jacques van Tol. In de verhalen over de zomer van 1945 gaat het steevast over de herstelde bewegingsvrijheid en over die eerste wandeling in het schijnsel van straatlantaarns.

Meer over