‘In een jaar ging ik van twee naar nul papa’s’

Haar ouders scheidden toen ze een baby was. En toen ze 11 was overleed haar vader én stapte de vriend van haar moeder op....

‘Een baby was ik nog, toen mijn vader en moeder uit elkaar gingen. Mijn vader had al een zoon uit een eerdere relatie en dat is op een gegeven moment helemaal fout gegaan. Zijn ex was jaloers en heeft uiteindelijk gedaan gekregen dat hij zijn zoon niet meer zag. Mijn vader heeft daaronder erg geleden.

Zoiets wilde mijn moeder voorkomen. Ze heeft ervoor gezorgd dat ik van het begin af aan eens in de twee weken een weekend naar mijn vader ging. Hij had niet veel geld maar met wat hij had, deden we leuke dingen. Hij organiseerde een wedstrijd paaseieren zoeken bijvoorbeeld. Of we gingen naar Scheveningen om er een ijsje te eten. Hij stopte me vol met lekkere dingen, zodat ik ongeveer kotsend bij mijn moeder thuiskwam.

Na een tijdje kreeg mijn vader een nieuwe vriendin, Marjolein, en die klopte bij mijn moeder thuis aan om zich voor te stellen. Want, zei ze erbij: ‘Ginny zal nu toch ook eens in de twee weken met mij te maken krijgen.’ Dat was tekenend voor hoe Marjolein is. Ik heb tot op de dag van vandaag een goed contact met haar. Zij en mijn vader kregen ook nog een kind, mijn halfzusje, en ik was trots als ik achter de kinderwagen liep.

Aan haar dacht ik als eerste toen op een dag het slechte nieuws kwam dat mijn vader tijdens het tennissen aan een hartstilstand was overleden. Ik was 11, mijn moeder vertelde het me, ik kon het niet geloven. Ik was vooral bezorgd voor mijn zusje omdat zij, anders dan ik, altijd bij mijn vader had gewoond. Niet alles weet ik nog uit die tijd. Ik herinner me dat er tijdens de crematie werd gezegd dat mijn vader rozen plukte en vooral doornen kreeg – tót hij Marjolein ontmoette. Dat was een belediging voor mijn moeder. Zij en Marjolein zijn na de uitvaart meteen om de tafel gaan zitten. Ze spraken af dat ze het contact in stand zouden houden en dat ik eens in de twee weken bij Marjolein en mijn zusje zou zijn. Sterker: in de jaren erna hebben we op de dag dat mijn vader overleden was met z’n vieren, dus ook met mijn moeder, taart gegeten. We zijn ook met z’n vieren op vakantie geweest. Daar keken mensen soms van op. En dan legde ik uit dat ze heus niet lesbisch waren.

Met Marjolein heb ik altijd goed over mijn vader kunnen praten, beter dan met mijn moeder, met wie ik misschien té close was. Mijn moeder heeft later geprobeerd uit te leggen waarom zij en mijn vader uit elkaar zijn gegaan. Ze was pas 21 toen ze mij kreeg, ze wilde huisje-boompje-beestje, en mijn vader was daar nog niet aan toe. Dat snap ik wel. Ik heb samen met mijn halfzusje een dagboekje bijgehouden over mijn vader. Ik herlees het vaak – ik ken het uit mijn hoofd – en daaruit blijkt dat mijn vader grappig was en anders dan anderen. Hij kon stampvoeten als de dingen niet liepen zoals hij wilde.

Mijn moeder was intussen alweer heel wat jaren met Ruud. Maar kort na de dood van mijn vader is Ruud vertrokken. In een jaar ging ik van twee naar nul papa’s. Daar heb ik het moeilijk mee gehad. Een tijdlang zocht ik Ruud nog op in zijn nieuwe huis in Den Haag. Maar hij kreeg een nieuwe vriendin die zwanger van hem raakte en ik voelde me steeds eenzamer en overbodiger. Ik sliep er op de bank. Ik voelde me door hem in de steek gelaten. Uiteindelijk ben ik er niet meer heengegaan. Ik heb nu al jaren geen contact meer met hem.

Ik woonde in die tijd samen met mijn moeder en haar twee beste vrienden in een grote boerderij in een dorp bij Woerden. Ze waren eigenlijk twee nieuwe papa’s voor me: met de een nam ik mijn huiswerk door, van de ander leende ik kleren – gevraagd en ongevraagd. Bij hen voelde ik me, net als bij Marjolein, heel vertrouwd.

Mijn moeder, die altijd voor mij heeft klaargestaan, moest hard werken om het huis te kunnen betalen. Inmiddels zijn we in plaats van moeder en dochter vooral dikke vriendinnen. En gelukkig is mijn moeder niet meer alleen. Twee jaar geleden is ze getrouwd met haar nieuwe liefde. Dat gunde ik haar zeer: ik heb nooit gewild dat ze ongelukkig of eenzaam zou zijn. Als haar man naar haar kijkt, en zij naar hem, zie ik hoe gelukkig ze met elkaar zijn. Dat vind ik mooi, dat dat nog kan, tussen twee mensen, met zo’n lange levensgeschiedenis.

Zelf heb ik ook sinds drie jaar een vriend, Kevin. Ik wil altijd bij hem blijven. En de roze wolken van het begin wil ik het liefst houden. Soms is Kevin net iets te relaxed, en dan ben ik een beetje in paniek omdat ik bang ben dat het wegglipt. Als we een tijdje niet hebben geknuffeld, verplicht ik hem om mij te knuffelen. Dat gaat dan wel gepaard met gezeur, maar uiteindelijk krijg ik toch mijn zin. Je moet het samen leuk blijven hebben, een relatie mag geen sleur worden.

Natuurlijk, ik heb genoeg mensen uit elkaar zien gaan. Maar ik geloof toch niet dat ik er veel last van heb gehad. Ik heb geen bindingsangst of verlatingsangst. Ik ben nogal optimistisch ingesteld, op het naïeve af: ik geloof graag in het beste van de mensen. Misschien komt dat ook wel doordat Marjolein en de vrienden van mijn moeder mij zo vanzelfsprekend opnamen. Wat ik daarvan vooral heb geleerd: dat je voor een familiegevoel niet elkaars bloedverwanten hoeft te zijn. Ook uit een hechte vriendschap kan een mooie familie ontstaan.’

Meer over